Skip to main content

Full text of "Oud Holland"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at jhttp : //books . qooqle . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



OU D-HOLLAND 



1908. 



OUD-HOLLAND 



$ieutae 35ijbtagen 



VOOR DE 



Geschiedenis der Nederlandsche Kunst, 
Letterkunde, Nijverheid, enz. 

ONDER REDACTIE VAN 

D R . A. B R E D I U S 

Directeur van het Konin kl. Kabinet van Schilderijen te '* Gravenhage. 

EN 

E. W. MOES 

Directeur van *s Rijks Prentenkabinet te Amsterdam. 

Zesentwintigste Jaargang 1908. 




Druk en uitgave van de 
BOEK-, KUNST- EN HANDELSDRUKKERIJ 
v/À GEBROEDERS BJNGER, 
Warmoesstraat 174.— AMSTERDAM 1908 



INHOUD VAN DEN ZESENTWINTIGSTEN JAARGANG. 



Bladz. 

Michiel Jansz. van Mierevelt. Een nalezing, door A. Bredius {Met f ac- similes) i 
Eine Portraitzeichnung Paulus Potters von Bartholomeus van der Helst, 

von Dr. Jos. Mcder {Met twee prenten) 18 

Brieven van Bon. Vulcanius en Henr. Smetius, uitgegeven door Dr. P. C. 

Molhuysen 21 

Het Tuchthuis en het Spinhuis te Amsterdam, door A. W. Weissman . 35 
Jan Miense Molenaer. Nieuwe gegevens omtrent zijn leven en zijn werk, 

door A. Bredius (Met drie prenten). . 41 

Uit het notaris-protocol van Jan van Hout, door Dr. J. Prinsen J.Lzn. 43, 94 149 
De Hollandsche afkomst der collectie Mansi te Lucca, medegedeeld door 

E. W. Moes 67 

Een schilderij van Rembrandt? op de kermis te Leiden in 1641, medegedeeld 

door A. B f e d i u s 68 

Voormalige glasschilderingen, zoo te Alkmaar als door Alkmaar elders 

GESCHONKEN, door P. J. G 1 a s z (Met een prent) 69 

JAN^BUESEM, door A. Bredius (Met een prent) 91 

Het Raadhuis te Klundert, door Adolph Mulder (Met twee prenten) . . 115 
Inventaris der goederen, nagelaten door Gillis Pandelaert, Rentmeester 

VAN DE BEIERLANDEN, medegedeeld door Mr. Peter van Meurs. . . 138 



391751 



vi INHOUD VAN DEN ZESENTWINTIGSTEN JAARGANG. 

Bladz. 

De vrouw van Johannes Wtenbogaert, eene 17»* eeuwsche „Bestemoer", 

door Dr. B. T id erna n Jzn. [Met een prent) 141 

Rembrandt's verwanten in Oost-Indië, door Dr. J oh. C. B reen 14S 

Bescheiden over Daniel van der Meulen, medegedeeld door Dr. Prinsen J.Lzn. 149 

Over glasblazers hier te lande, door A. J. Servaas van Rooyen . . 165 
Een weinig bekende aanslag op het leven van Willem III, door Eduard 

van Biema 171 

KUNST in de archieven VAN Vianen, door Mr. Peter van Meurs {Met 

een prent) . . • 177, 225 

MELCHIOR VAN HARBACH, door C. W. Bruinvis {Met een prent) 203 

De Nederlandsche Bouwkunst omstreeks i6oo t door A. W. Weissman 

{Met een prent) . 205 

Rembrandtiana, door A. Bredius [Met een facsimile) 219 

Schilderijprijzen enz. in de XVII e en XVIII e EEUW, door Dr. A. H. Garrer 242 

Fragment van een autobiografie van Johann Heinrich Wuest 245 

David Baudringien, door A. Bredius en E. W. Moes 250 



PRENTEN EN FAC-SIMILES. 



Blàdz. 
Handteekening van Michiel Jansz. van Miere velt 2, 3, 4 



VI 



Jacobus Delff 15 

Portret van Paulus Potter door Bartholomeus van der Helst. Schilderij in het 

Mauritshuis te 'sGravenhage , tegenover 18 ' 

Portret van Paulus Potter door Bartholomeus van der Helst. Teekening in het 

Prentenkabinet te Stockholm tegenover 18 * 

Familiegroep. Schilderij van Jan Miense Molenaer in het Museum te Innsbruck. 

tegenover 42 * 

Vroolijk gezelschap. Schilderij van Jan Miense Molenaer bij Baron Heyl zu Herrns- 

heim te Worms tegenover 42 - 

Kindergroep. Schilderij van Jan Miense Molenaer bij den Heer Widener te Phila- 
delphia tegenover 42 - 

Glasraam van Alkmaar in 's Rijks Museum te Amsterdam, toebehoorende aan het 

Kon. Oudheidkundig Genootschap tegenover 90 . 

Kaartspelende boeren. Schilderij van Jan Buesem bij den heer Ad. Schloss te Parijs. 

tegenover 92 ^ 
Voorgevel van het Raadhuis te Klundert tegenover 115 . 

Achtergevel van het Raadhuis te Klundert tegenover 136- 



vm PRENTEN EN FAC-SIMILES. 

Bladz. 
Portret vaa Maria Petitpas f cchtgenoote van Johannes Wtenbogaert, door M. Jz. 

Mierevclt- Schilderij bij Mevr. Hooft Graafland — Hooft Graafland vanSchooter 

Vlieland te Utrecht tegenover 141 

Het kasteel te Vianen. Teekening door Roeland Roghman in Museum Teyler 

te Haarlem tegenover 177 

De Friesche Binnenpoort te Alkmaar kort vóór de afbraak in 1802. Teekening 

van J. A. Crescent in het Gemeente-Museum te Alkmaar. . . . tegenover 204 

Poorten der voormalige Stadstimmerwerf aan het Rok in, sinds 1631 geplaatst voor 
het voormalig Athenaeum Illustre aan de O. Z. Voorburgwal en sinds 1634 
voor het Burgerweeshuis in de St. Lucténsteeg tegenover 205, 

Handteekening van Rembrandt en van Saskia van Ulenborg 221 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 



EENE NALEZING 

DOOR 

A. BREDIUS. 




Jet was een loffelijke poging van Henri Havard in zijn 
ff L\Art et les Artistes Hollandais" *) ons eenig nieuws 
uit onze oude archieven mede te deelen over een aantal 
schilders der XVIIe eeuw. Veel kon het niet zijn — 
daarvoor had Havard den tijd en waarschijnlijk het ge- 
duld niet. Ik weet wat het zeggen wil »0*^ ^ es 

„qualités „maîtresses, que réclament les travaux de ce 
„genre sont la patience et l'obstination". 
Het werk van Havard, dat hij met wat veel ophef aankondigt, was dan 
ook wel vluchtig en oppervlakkig. Ik kan niet nagaan, in hoeverre hij werkelijk 
zelfde oude archiefstukken afgeschreven heeft; maar zeker is, dat die heel dikwijls 
verkeerd gelezen zijn. Vooral bij de toch zoo fra^i geschreven stukken over 
MIEREVELT, door hem gedeeltelijk afgedrukt. Bij eenige andere gegevens zal ik 
dan ook daarvan eenige staaltjes laten zien. 

Mierevelt werd i Mei 1567 te Delft geboren en heeft in die stad bijna 
zijn geheele leven gesleten. Hij is er rijk geworden met het schilderen van por- 
tretten — 10.000 volgens Sandrart, 5000 volgens Houbraken. Wij weten, 
dat hij daarbij veel geholpen werd door zijne zonen PiETER en Jan, MoreELSE, 



l ) A. Quantin, Parys 1879. 
Oud-Holland, 1908. 



2 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

PlETER MONTFOORT, PlETER DlRCKSZ CLüYT, HENDRICK VAN VLIET en JACOB 
Delff (zijn kleinzoon). 

Wat hem er toe leidde, zoo dikwijls bij Notarissen acten als getuige te 
teekenen, weet ik niet. Tusschen 1592 en 1600 deed hij dit ontelbare malen 
vooral bij Not. Uyttenbroeck te Delft. In dien tijd teekent hij meestal nog 
maar MiCHiEL Jansz. Zijn beste werk is uit die jaren, maar men ziet het zelden. 
Na 1625 begint het wel eens minder te worden; ook al is het zijn eigen en 
geen fabriekswerk. Men leze de verbazend juiste, uitvoerige en zeer waardeerende 
beschouwingen over MIEREVELT door HuYGENS nog eens over die Dr. WORP 
1891 in Oud-Holland mededeelde. Er is werkelijk niets aan toe te voegen! 
Sterk is het, dat hij toen reeds — omstreeks 1628 — 30 — kon zeggen, dat 
Mierevelt niet alleen in Europa, neen in de heele wereld vermaard was! 

Den 29 February 1628 maken de E. MiCHiEL Jansz van Mierevelt, 
schilder, woonende aen de Oude Delft binnen dese stadt (Delft) ende STYNTGEN 
PlETERSdr., desselffs huysvrouwe, d'eerste klouck ende gesont varf lichaam, 

ende de voorn. Stijntgen PlETERSDr. sieckelijck sijnde . . . . . . hun 

testament. De langstlevende van beiden erft alles, „doch met dien last, dat 
deselffde lancxtlevende gehouden zall zijn aen Geertruyd VAN MIEREVELT, 
haere dochter, huysvrouwe van Willem Jacobsz Delff ende aen die van 
hunne Testateurs kinderen, op't affsterven van d'eerstoverlijden mochte sijn 

uytgehouwelickt uyttekeeren soo veel als de selffde haer Testateuren 

uytgehouwelijckte kinderen boven bruyloffskosten ende kleederen, minder 
als elck de somme van vyerduysent car: gulden ten houwelycke mochten 
hebben genooten ;....... mitsgaders dat deselffde lancxtlevende aen hunne 

Testateuren kinderen, die op't overlyden van d'eerststervende noch ongehou- 
welijckt sullen sijn, sali uytreijcken soo wanneer de lancxtlevende comt te 
herhouwelijcken ofte overlijden elcx de somme van vyerduysent car; gulden, 
mitsgaders voor de bruyloffskosten ende kleedinge die de gehouwelijckte 
kinderen daerenboven noch sullen hebben genooten elcx noch Thien hondert 
gulden. Enz. Mierevelt blijkt toen te hebben drie dochters, GeertRüijt, 
Marya ende Commertgen van Mierevelt en een zoon, Jan van Mierevelt 
nog minderjarig. De schilder teekent *) 




1) Prot. Not. I. van Beest, Delft. 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 8 

Wij zien/ dat zijn noeste vlijt en zijn groote gaven onzen schilder reeds 
rijke vruchten hadden gedragen. Het volgende Testament leert ons niet veel 
nieuws; alleen blijkt hij met zijn zoon Jan op geen goeden voet te zijn. 

Den i8en September 1630 verleed de E. MICHIEL Jansz VAN MlERE- 
VELT, schilder, woonende aen de Oude Delft in 't Wapen van Spangien, 
clouck ende gesont van lichaem opnieuw zijn Testament. Hy institueert tot 
zyne erfgenamen zyne drie dochters Geertruijt, Maria en Commertgen, 
en de kinderen van zijn zoon Jan VAN MlEREVELT. Zijn zoon zelf mag 
niets hebben dan „de jaerlijxe vruchten' 1 van het erfdeel dat zijne kinderen 
ontvangen. Mocht hij trachten die portie „gereet" te ontvangen, dan zal 
hij niets krijgen en moeten de renten „oploopen ende voorwaerts werden 
„beleit." De Weesmeesteren van Delft worden gesteld tot oppervoogden 
over JAN van MlEREVELT en deszelfs kinderen. 

Get: 1 ) 



%Uft€t(yC0^ 




JAN was toen wellicht reeds krankzinnig, hij werd het ten minste en 
overleed 1633. 

Hij was even als zijn reeds 1623 overleden, zeer begaafden broeder PiETER, 
een knap schilder. Uit dit laatste testament, een half jaar voor zijn dood opge- 
maakt, blijkt, dat de eenige dochter die hem nog zou overleven, ook al zwak 
bij het hoofd was. In zijn huisselijken kring heeft de gevierde kunstenaar veel 
leed en ellende gekend. 

28 Januari 1641 testeert de schilder wederom. Hij is „door des 
„Heeren genade nae synen hogen ouderdom redely ck dispoost van lichaem, 
„gaende, staende, syne memorie, verstant, uytspraeck ende vyff sinnen overal 
„wel machtich ende volcomentlyck gebruyckende." 

Hy doet zyne vorige testamenten te niet. 

Erfgenamen: voor een derde de kinderen zijner overleden dochter 
Geertruijt, gewonnen by Willem Jacobsz Delft, een derde de kinderen 
van zyne overleden dochter MARIA gewonnen by JOHAN VAN BEEST, en een 



!) Prot Not. A. VAN DER Wiel, Delft. 



4 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

derde zijne ongehuwde dochter COMMERTGEN. Die dochter was „haer sinnen 
niet ten vollen machtig, 't welck van tijt tot tijt noch erger wert," zoodat 
hij de Heeren van den Gerechte der stadt Delft tot Oppervoogden en Curateurs 
over haar benoemt. 

Hij behoudt zich voor nog eenige legaten te maken. 

Get. l ) 

27 Juni 1641 ontsliep MiEREVELT, en 30 Augustus daaraanvolgende maakte 
zijn neef, de Notaris JOHAN VAN BEEST den zeer omvangrijken inventaris, het 
hoofdbestanddeel van Havard's artikel. De lezing is gebrekkig geweest, en 
allerlei is overgeslagen, zoodat ik van den kunstvoorraad nauwkeurige en vol- 
ledige afschriften laat volgen. 

Inventaris van den Boedel énde goederen naegelaeten bij Za: MICHIEL 
VAN MiEREVELT, overleden aen de Westzijde van.de Oude Delft deser Stadt 
Delft op den xxvij e Juny A° xvj c éénen veertich; hebbende tot syne erff- 
genamen geïnstitueert de kinderen van zijn za: dochter Geertruijt VAN 
MiEREVELT voor een derde paert, de kinderen van zijn za: dochter MARIA 
VAN MiEREVELT mede voor een derde paert, mitsgaders de Kinderen die 
COMMERTGEN van MiEREVELT, syne ongehoude dochter in houwelycken 
staete soude mogen coomen te telen voor het resterende derde paert. 
Behoudende sy COMMERTGEN haer leven geduyrende de vruchten van de 
goederen haere kinderen gemaeckt. 



Het huis ^Spangien" aan de oude Delft, waarin de schilder overleed, stond 
tusschen de huizen van JOOST VAN Adrichem en Arnold van Beresteyn. 

Het tweede huis, „het vliegende paert" stond naast het huis van de kin- 
deren van Willem Jacobsz Delff, dus van den schilder Jacob Delff en diens 
zuster Christina Delff, gehuwd met Jan Harmensz van Ruwen. 

Schilder ten en printen wesende huysraet. 

Een groot stuck van Venus en Adonis nae RUYBENS en een S 1 . Sebas- 
tiaen van M r . Cornelis van Haerlem, die Jacob Delff vermach te houden 
voor 350 gulden indien hij die daervoor begeert, volgens de acte daervan zijnde. 



l) Prot. Not. J. van Steelant. Delft. 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 5 

Een Andromeda op doeck, dat gemeynt wert een ander toe te behooren. 

[IS VAN CONICT-COGNIET. Op 30 — O — O.] 

Een stuck van Grebber [40 — 0—0.] 

Een Cain en Abel int verschiet nae Goltiüs. [30 — o — o.] 

Een Kersnacht van Blocklant [20 — o — o.] 

Een schilderij van Loth. [8 — o — o.] 

Een lantschap nae MOMPERT [10 — o — o], 

Drye Sangertgens nae Blocklant [12 — o — o.] 

Een Charitas [10 — o — o.] 

Een van Bachus en Ceres int ront [8 — o — o.] 

Een Rebecca van Carel Verm ander op doeck. [25 — o — o.] 

Een Apollo van M r . Corn, van Haerlem. [25—0 — 0.] 

Een deel boertgens van Carel Vermander. [30 — o — o.] 

Een teekening van Wit en Swart. [7 — o — o.] 

Een ront bordeken wesende een dootshooft. [5 — o — o.] 

Een tentatie Christi nae TiTiAEN [11 — o — o.] 

Elff gelyste printgcns. [2 — 10 — o.] 

Twee cleene teeckenincxkens, t'een nae Jan MlCHlELSZ van MiEREVELT, 
ende t'ander nae zijn huysvrouwe, gedaen by WiERlNCX. [8 — o — o.] 

Een groot conterfeitsel van den voorsz Jan Michielsz, gedaen bij Michiel 
VAN MiEREVELT, doch de cleederen niet voltrocken. [BEEST.] 

De copie van een cleen conterfeitsel van de selfde. [JACOB en Christina.] 
Een gelijste trongie gedaen op papier. [5 — o — o.] 

Een trongie wesende Mars [7 — o — o.] 

Een Venus [10 — o — o.] Een cleen Emausken. [6 — o — o.] 

Een cleen bordeken van Agar. [6 — o — o.J 

Twee cleene rondekens synde 't eene van Jan Michielsz voornoemt. 
Jacob en Christina het eene van Jan Michielsz, rest t'ander. 2 — — 0.] 

Een S*. Annen geslacht nae AUGUSTIJN JORISZ [42 — — 0.] 

Een schildery van den Conine David ende de huysvr. van Nabal [van de 
Knechts. 26 — o — o.] 

Een trou van Tobias nae Blocklant. [18 — o — o.] 

Een Maria en Josep reisende nae Egipten, nae een print. [20 — o — o.] 

Een Charitas. [14 — o — o.] 

Een Pomona nae Goltius. [20 — o — o.] Verkocht voor f 6. — 

Twee kindertgens, gecopieert nae MiEREVELT. [18 — o — o.] 

Een Diana. [8 — o — o.] 

Een vroustrongienken voor de schoorsteen, synde een principael. [10 — o — o.] 



6 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

Drye hondekens in één borreken. [4 — o — O.] 

Een Charitas van MlEREVELT maer niet opgemaect. [jo — o — o.] 

Een lantschapken nae MOMPER. [3 — o — o.] 

Een Charitas nae Blocklant. [12 — — 0.] 

Een Venusken. [10 — o — o.] 

Een out bôrreken van Jacob en Esau. [5 — O — O.] 

Een bort van Maria en Joseph. [14 — o — O.] 

Een ront trongieken. [2 — 0—0.] 

Twee conterfeitsels in de keucken [hangende, natuurlyk — Havard zegt: 
deux portraits dans une cuisine] t'een van den overleden MlCHlEL VAN MlEREVELT, 
ende t'ander van syn huysvrou CHRISTINA PlETERSDr. [Gedaen by PlETER 
VAN MlEREVELT. Dit is weer doorgehaald. Behouden door den Not. Beest.] 

Twee conterfeitsels van deselfde, gedaen by Jan VAN MlEREVELT. [JACOB 
en Christina van de moeder, comende van dé overl. moeder van ?] 

Twee conterfeitsels van MlCHlEL VAN MlEREVELT en een van syn huysvrou 
CHRISTINA PlETERSDr. by hem selfs gedaen. (Havard: exécutés par le même — 
dus Jan. Deze portretten, waarachter: Jacob en Christina, werden voor 
/ 30. — verkocht. 

Een achtkant conterfeitsel van MlCHlEL VAN MlEREVELT niet voltrocken . 

Een conterfeitsel van Tryntje PlETERSDr., suster van CHRISTINA PlETERSDr. 
niet voltrocken. {Beest.] 

Een schildery van Maria en Marta. [18 — — o.] 

Twee keuckens van MlEREVELT, een op solder, een op JACOBS earner 
[20 — o — o en 4 — o — o.] . 

f Een van deze stukken verkocht voor 7 — 1 5 — o.) 

Een Venus. [8 — — 0.] 

T'Hooft van Johannes, op doeck. [6 — — o ] 

Een vroutge, kemmende f haer. [6 — o — o] 

Acht kiene conterfeitsels, een van Maertgen, een van AECHGEN, een 
van GEERTGEN, een van Maritgen, een van PlETER, een van AECHGEN, een 
van Commertgen, en een van Jan van Mierevelt. [Beest 2, Jacob en 
Christina 6.] 

Drye conterfeitsels, een van Willem Jacobsz Delff, en twee van 

GeERTRÜYT VAN MlEREVELT. 

Twee groote conterfeitsels van MARIA VAN MlEREVELT. [t' grootste BEEST, 
t'ander Jacob en Christina.] 

Een groot conterfeitsel van CommêRTGEN VAN MlEREVELT [COM- 
MERTGEN.] 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 7 

Een conterfeitsel van des overledens broeder JAN Jansz van Mierevelt 
Jacob en Christina.] 

Een Salomons gerecht, groot, op doek, sijnde waterverru. [2 — 10 — o.] 

Een gedootverut corsnachtgen. [4 — o — o.] 

Den Evangelist Matheus, Lucas en Johannes, elcx apart. [2 — o — o.] 

Een Moises. [5 — o — O.] 

Een Agnus Dei: [2 — o — o.] Een bort van Anna en Johannes. [4 — o — o.] 

Een Maria. [8 — o — o.] 

Een groot schildery vant geheele huysgesin van den overleden, gedaen 
by Pieter van Mierevelt niet voltrocken. [Commertgen.] 

een groot wapen van d'overl. ; en 2 schilderikens in t'achterhuys. [6 — o — O.] 

Dan volgt de inboedel. Havard zegt, dat er zoo weinig porcelein en 
aardewerk in voorkomt. Behalve het door hem genoemde vind ik nog: een 
dosyn Schilpkommen, en: een deel aerdewerck! 

Onder de gouden medailles noemt Havard: une médaille Au roi de Suède. 
Er staat N.B.: Een gouden medaelie van den Conine van Bohemen, wegende 
19 engelsen 8 asen beloopende twee en dertich gulden XV st. 

En zoo vind ik ieder oogenblik grove fouten. 

Inschulden. 

Anno Geschildert den Lantgraeff VAN HESSEN seer cleijn, van hooffde tot de 
1624. voeten t'welck naer Duytslandt is gesonden, daervan komt seven oft 
acht pont vlaems. 

Anno Voor de Gravinne VAN LeEuwestein gemaect een conterfeytselgen van 

1627. den grave VAN Oxfort, comt daervan achtien gulden. 

Anno De Agent CARLETON is schuldich van een copie van t'conterfeitsel van 

1628. Joffe Harington, Staetsjoffrou vande Koninginne van Boheme, over- 
schildert twee ende veertich gulden. 

Smelsingh, cousyn van den oversten Smelsing is schuldich voor een 

copie van denzelfden oversten (oningevuld) den Raet Pensionaris 

Paeu gelevert copie van Graeff Henric van den Berch comt twee en 
veertich gulden. De Wede van Goswinus Meurskens is schuldich voor 
drye conterfeijtsels hondert gulden. 

Anno Joffrou Manderscheyt is schuldich voor een conterfeijtsel van Graeff 

1644. Henric van den Berch op een doeck, te bevragen bij de Joffe woo- 

nende tot de Princesse van Hoochsolder twee en veertich gulden. 



8 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

Anno Den Graeff VAN Cüylenburch is schuldich over reste van een gele- 
1635. verde reeckeninge driehondert en zestien gulden. 

1637. 

1638. 

De Raetsheer Vrancken van Dordrecht van een Graeff MouRiTS voor 
Bewinthebbers van de Westindische compagnie tot Dordrecht met de 
lijst achtenveertich gulden. 

Anno Den Adt Willem de Groot is schuldich boven t'geen Jacob Delff 

1636 comt vlgs ontworpen Reeckening honderttachtich gulden. 

ende 

1638. 

VISSER tot Middelburch is schuldich sesendertich gulden. 

Salanger als rentmr van den Graeff VAN HOHENLOO is schuldich 

vierendetwintich gulden. 

De Heer Stelant getrout de dochter van den Heer Sommelsdijc is 

schuldich 53 gulden. 

Joffrou van DE Graeff in de Pylen de cleederen vermaect ende anders 

verdient achtien gulden. 

Anno Joachim de Wickefoort tot Amsterdam is schuldich tweeenseventich 
1640. gulden. 

Anno De Wede van za: SCHILTVINC, schepen van Rotterdam, is schuldich 
1639. vant conterfeitsel van haer man za: zestich gulden. 

Anno Den Raatpensionaris Cats is schuldich hondertsevenensestich gulden 
1638. tien stuyvers. 

Staet te liquideeren met SAERTGEN SOETERS van wegen een schildery. 
Memorie. 

Anne Den Ambassadeur Camerarius is schuldich voor twee conterfeytsels 
twee ende seventich gulden. 

Leonard Casemroot is schuldich voor twee conterteitsels twee en 
seventich guldens. 

Andere inschulden. 

Staet te liquideeren met Dr. Valentius als bij het boeck verdient. Memorie. 

In Margine: Waervan noch in den boel syn vier groote ende twee cleene 
conterfeytsels van hem en sijn huysvrou ende een van syn moeder, daeraen by 
Jacob Delff mede is geschildert. 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 9 

Resteert (o. a.) de montcost van Jacob Delff tot 250 gulden iatjaer etc. 

(Deze blijkt dus bij MiEREVELT gegeten en daarvoor betaald te hebben!) 
Ook Commertgen, de dochter, en Christina Delff, de kleindochter, betaalden 
250 en 200 gulden 'sjaers voor mondkost. 

De Heer Putman is schuldich voor twee conterfeytsels hondert en twintich 
gulden. 

Joffe BRASSERS tot Amsterdam gelevert aen den Heer Schepen VAN DER 
Chijs voor een conterfeijtsel sestich gulden. 

Jofle BlCKERTS tot Amsterdam gelevert, door Dr. StangerüS, is schuldich 
voor een conterfeytsel: sestich gulden. 



Conterfeytsels raec kende de winckel van den Overledene. 

Ende eerst die desen Boedel in eygendomme sijn toebehoorende, alle 

wesende copie behalve daer anders bijstaet. [N.B. dit gewichtige bijvoegsel laat 

Havard weg.] 

Een vrouwe tronie, sijnde een principael, gedaen bij POURBUS [Havard: 

Faite en grande partie!] [20 — o — O.] 

Een manstronie sijnde en principael van dezelfde. [6 — o — o.] 

Een conterfeytsel van ROBBRECHT Robbrechtsz- [20 — — 0.] 

Twee conterfeytsels van JOHAN WTTENBOGAERT. [t'oude 8— o — O, 

t'nieuwe 14 — o — o.] 

Een conterfeitsel van Lubbert Gerritsz. [20 — o — o.] 

Een rondeken van deselffde. [5 — O — o.] 

Twee conterfeitsels van Hans de Rijs. [25 — — o.] 

Een conterfeitsel van Coornhert. [4 — — 0.] 

Een conterfeitsel van Pater Jan Meij '). [12—0 — 0.] 

Een van deselffde int cleen en gelijst. [12 — o — o.] 

Een conterfeitsel van Arnoldus Cornelii. [9 — o — o.] 

Een vroutgen antycq. [5 — o — o.] 

Een conterfeitsel van Davit Jorisz. [S — o — o.] 

Een conterfeitsel van Graeff Adolff int cleen. [8 — o — o.] 

Een conterfeitsel van Prins WILHELMUS VAN Nassoü. [12 — — 0.] 

Een conterfeitsel van desselffs huysvrou. [12 — o — 0.] 

Een conterfeitsel van Graeff Wilhem van Vrieslant. [20 — o — o.] 

Een conterfeitsel van Philips van Nassau. [10 — 0-^0.] 



1) Havard: Pibtkr Jansz Miyr. sans doute Petrus van der Meer! 1! 
Oud-Holland, 1908. 



10 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

Een conterfeytsel van Graeff Ernst, [io — o — o.] 
. Een conterfeitsel van den Conine van Engelant's soon *). [8 — o — O.J 

Een conterfeitsel van Graeff Jan van Nassou. [io — o — o.] 

2 conterfeitsels van den Conine van Sweden. [Elk io — o — o.] 

Een conterfeitsel van Smelsing. [8 — o — o.] 

Een conterfeitsel van den Ouden Graeff Jan van Nassau, [io— o — o.] 
NB. van Oxford is doorgehaald. Havard: peut-être Oxenstiern! 

Een conterfeitsel van Jemyn of Jennijn. [9 — o — o.] 

Een conterfeitsel van den broeder van den Coninck van Bohemen. [9 — o -r- o.] 

Een conterfeitsel van Richardod. [9 — — 0.] 

Een conterfeitsel van Jan Govertsz van der Aer gedootverut [ 8 — o — o.] 
Havard : Jan Govertsz. 

Een ovael van MlCHlEL VAN MIEREVELT, gedootverut. \Jaeob en Christina^ 

Twee conterfeitsels van PlETER CORNELISZ in de Kat; t'eene niet opge- 
maect. \f 20. — en f 8, — ] 

Een conterfeitsel van gedootverut [3 — o — o.] 

Vier conterfeitsels van Ruth Jansz. [/ 5.— / 14.— ƒ 16.— ƒ 19.—] 

Een van de Gravinne van Solms. [8 — o — o.] 

Een van den dollen Hartoch. Er achter: Cristiaen van Brunswyck 
[io — o — o.] 

Een van de Graefl van HOHENLO, [10 — o — o.] 

Een van de Graeff van Mansvelt. idem. 

Een van de Persianen. idem. 

't Conterfeitsel van za : Simon Plucque synde een principael. [30 — o — o.] 

Een conterfeitsel van een graeff met paeden. [10 — O — o.] 

Een van Graefl Mauris van Nassau, idem. 

Een conterfeitsel maer gedootverut. 

't Conterfeitsel van PlETER VAN MONTFOORT (leerling van Mierevelt) 
maer gedootverut 

Een Graevin van Solms, gedootverut. (/ 1. — ) 

Drye conterfeitsels van den Koninc van Bohemen, (groote/36. — ƒ12. — 
en / 12.—) 

Een van een Fransche Dame in de Rou. [7 — o — o.] 

Een van den Ambassadeur Carleton. [8 — o — o.] 

Een van Graeff Henric van den Berch, daervan t'lyff niet en is vol- 
daen. [7 — o — o.] 



i) Havard: du Roi d'Angleterre (Charles I.) 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 



11 



Een van den Ad* Barnevelt [io — o — o.] 

Een van den Pensionaris DE GRQOT [ ] 

Twee van den Graeff van Cuylenbürch. [elk ƒ io.— ] 

Een van een onbekende Prins. 

Een van Prins Willem van Nassou, daer hy doot leit [/ i. — ] 

Een van BLOCKLANT, daer hy doot leyt. [ƒ 6.—] 

Een antycxe trongie. 

De volgende lijst, ook geheel incompleet en foutief door Havard afge- 
schreven, geeft ons eerst recht een kijkje in de „fabriek" van MlEREVELT. 

Conterfeitsels^ gemaeckt voor particuliere personen daervan 't sehilderloon 

noch resteert. 



4 Maert 1642 was by 
Delff hr van ontf: 
60 gl. doch is by hem 
t' rabat en lyf vol- 
trocken. 



12 — — O 



Is by Delff ontv. 
26 gl. 



't Conterfeitsel van Mevrouwe VlLLEERS daeraen noch 
eens sittens resteert. 

t'Conterfeitsel van myn Heer BEVEREN daervan de 
trongie is voldaen en by Jacob Delff de klederen syn 
geschildert. 



t'Conterfeitsel van desselfs huysvrouwe gedootverut 
en by Delff opgemaect. 

Een copie van de Heer Burgemeester LODESTEYN, 
en een van desselfs huysvrouwe, niet ten vollen gedaen. 

De conterfeitsels van den Pensionaris BERCHOUT 
ende syn huysvrouwe, daervan by Jacob Delff de 
klederen syn gemaect 

t'Conterfeitsel van Willem Jacobsz van Wou 
(N.B. Havard: Willem Jacobsz in de rou!) daeraen 
de klederen noch resteert. 

Een copie van Graeff Maurits van Nassau. 

De conterfeitsels van Bruyn Dircxsz van DER 
DUSSEN en zyn huysvrouwe daeraen noch resteert te 
schilderen. 

t'Conterfeitsel van Jacob Aelbrechtsz van der 
Graeff (Havard: van Genest!) daervan de klederen 
noch resteert. 

3» 



12 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 



Seyt betaelt te heb- 
ben. 

12 — o — o 

By DELFF ontf: 
60 gl: by hem ver- 
schoten tot de kas 30 st. 
en 2 dagen gevrocht. 

Is by DELFF ontv: 
u6 gl: ende aen de 
lyst verschoten 9 gl. 

By Jacob twe dagen 
aen gevrocht en ge- 
levert. 

ByDELFF ioglontv. 

By Delff t'lyff ge- 
maect ende de trongie 
overschildert, is ontv. 
10 gl: by Delff. 



5 — o — o. 

6 — — 0. 



te vorderen. 



t'Conterfeitsel van desselffs huysvrouwe al t'huys 
gesonden wesende, staet te inquireren off het niet en 
resteert te betalen. 

Een copie van de Coninck van Bohemen. 

t'Conterfeitsel van Jofl* de Wit ten naesten by 
voldaen. 



De conterfeitsels van Graeff Willem van Nassau 
en syn huysvrouw ten naesten by voldaen. 

Den Admiraal Tromp en syn huysvrouw, doch beyde 
niet voldaen. 

Een conterfeitsel van een uyè-Selant, niet voldaen. 

t'Conterfeitsel van Joffe SCHILTVINCK daervan de 
clederen meest resteren. 



't Conterfeitsel van Colonel Ogle, maer gedootverut. 

De conterfeitsels int groot van de Burgemr SCHIL- 
PEROORT en syn huysvrouw, gedootverut. 

Copie van NicOLAES van Bredero, daeraen de 
klederen noch resteren. 

Copie van Colonel PlRSON. 

t* Conterfeitsel van Roelof de Man niet voldaen. 

De conterfeitsels van Jacob Olthuijsen en syn 
vrou, maer gedootverut 

t'Conterfeitsel van Johannes LlEFTlNCK maer ge- 
dootverut. 

t'Conterfeitsel van syn huysvrou al t'huys gesonden 
wesende, staet te inquireren of daervan de betaling 
noch resteert. 

Twee conterfeitsels van de Jonge Prins (Willem II?) 
niet voldaen. 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 



18 



Te maenen. 



By DELFF t'lyffop- 
gem: en gelevert is by 
Delff 35 gl. voor den 
boedel ontf: 

By Delff 8 gl. ont- 
fangen. 

By Delff gewrocht 
2\ dach. Is by Delff 
ontf: voor den boel 
90 gl. 



By Delff ontf: 8 gL 



De conterfeitsels van BoüCHORST ! ) en syn huysvrouw 
int groot, daeraen noch resteert. 

De conterfeitsels van den Heer Out Brouchuijsen 
en syn huysvrouw meest voldaen. 

t'Coriterfeijtsel van Dr. StangerüS gedootverut. 

t'Conterfeitsel van den Raetsheer de Wilhem, daer- 
aen t'lijff resteert. 



t'Conterfeitsel van Nolbergen. 

t'Conterfeitsel van den Heer Ruys maer gedoot- 
verut. 

De conterfeitsels van den Heer Haga en syn huys- 
vrou, daervan aen de klederen en handen noch wat 
resteert. 

De conterfeitsels van La Meyn en syn huysvrouw 
daervan aen de klederen en handen noch resteert. *) 

t'Conterfeitsel van JofT« Backers niet ten vollen 
gedaen. 

t'Konterfeitsel van Cornelia Graswinckels niet 
voldaen. 

De conterfeitsels van den Advocaet SCHINCKEL en 
syn huysvrou, niet voltrocken. 

t'Conterfeitsel van den Heer Burgemr Jacob van der 
Graeff daervan aen t'lyff noch rest. 

t'Conterfeitsel van Constantyn Huygens daervan 
aen t*lyff noch rest. 

t'Conterfeitsel van Joff« van der Vorst in de Buys, 
daervan noch resteert 

t'Conterfeitsel van Elisabeth van Beest maer ge- 
dootverut. 



i) Havard: Brongkhorst. 

l) Havard : Le conseiller Jamiv. 



14 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

Seven copien van Prïns Henric van Nassou, soo 
oude als nieuwe. 

Drye copien van de Princesse. 

Een conterfeitsel gedootverut op een ovael. 

Te manen. f Conterfeitsel van de vrou van Claes de wijnver- 

later, daervan rest aent lyff. 

Iets. de conterfeitsels van JACOB SPOORS en syn huysvrou. 

Twee copien van de vrou van Graeff Ernst. 
t'Conterfeitsel van Meursken, niet voldaen. 
Te manen. Copie van Mevrou van der Noot. 

een out conterfeitsel niet voldaen. 
t'Conterfeitsel van den Nobelen Baes niet voldaen. 
Copie van de Lantgraeff VAN HESSEN. 
Jan Damen Een out conterfeitsel van een vrou in een ovael 

Verecht(?) niet àl gedaen. 

Twee conterfeitsels van LUCHTENBURCH en syn 
huysvrou, niet voldaen.* 

t'Conterfeitsel van den Trésorier Brouwert, niet 
voldaen. 

't Conterfeitsel van den Heer van LOOCKEREN gedootverut. 

Drye copien van den Ouden Prins MAURITS, 

Een copie van den Conine van Bohemen vant hooft tot de voeten. 

de conterfeitsels van Henric Groenewechen en Aeltgen Damen, syn 
huysvrou (Havard : et de la dame son épouse). 

De Princes van Orangien vant hooft tot de voeten. 

De grooten doec daerop begonnen de Prince ende Princes van ORANGJE 
en haer soon. 

t'Conterfeitsel van SCRIVERIUS niet voldaen. 

Twintich oude onbekende conterfeitsels niet voldaen. 

Een copie vant conterfeitsel van den Heer VAN Brederode. 

De weduwe, Anna Huysens, wordt gevraagd of zij, volgens Testament, 
een duwarie van ƒ 2200. — wil hebben, of levenslang een jaarlijksche uitkeering 
van vierhonderd gulden. Zij kiest 20 Sept. 164 1 het laatste. 

De Inventaris is opgemaakt door den Notaris JOHAN van Beest, die 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 15 

gehuwd geweest was met za : Maria van Mierevelt, dochter van den schilder, 
door Mierevelt's overblijvende dochter Commertgen Michiels van Mierevelt 
en door JACOB en CHRISTINA Delff, des schilders kleinkinderen. 

(Zijne dochter Geertruijt was met den plaatsnijder Willem Jacobsz. 
Delff gehuwd geweest) Jacob Delff teekent: 




Legaten. 

Michiel van Mierevelt heeft besproken 

Aen den Weeshuyse deser Stadt Delff thien hondert guldens. x c guld'. 

Aen den Caritaethuyse derselver Stadt Drye duysent guident en dat tot 
redemtie van 't opperste kleet. iij m guld*. 

Aen den Oudenmannen en vrouwenhuyse achthundert gulden. viij c guld'. 

Aen de arme Seevarende op de Seedorpen, insonderheyt aent Weeshuys 
te Catwijck op See de somme van Achthundert gulden, (enz.) viij c guld 8 . 

Aen de Besorgers van de Armen der Remonstrantsgesinde vijff hondert 
gulden. V e guld*. 

Aen de Besorgers der Armen van de Doopsgesinde die men de Waeter- 
landers noemt, Ses hondert gulden. vj c guld*. 

Aen de Besorgers der Armen van de Doopsgesinde die men de Vlamingen 
noemt, Vyer hondert gulden. iiij c guid*. 

Ende aen de Besorgers der Armen die men de Luyterse noemt vyerhondert 
gulden. iiij e guld'. 

25 Maart 1643 verdeelen Jacob en Christina de landerijen en rente- 
brieven hun toegevallen uit den boedel van hun grootvader; samen geschat op 
ƒ 17.429— 12— 12. 

1 Juli 1642 had er een scheiding plaats gevonden tusschen dezelfden van 
de erfenis hunner moeder Geertruyt van Mierevelt, wede van Willem 
Jacobsz Delff, den beroemden graveur. Zij ontvingen ieder toen ƒ 1 5035 — 15 — o. 
Men ziet, de kunst had ook hier materielle vruchten gedragen. 



16 MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 

Jacob Delff, de knappe portretschilder, nam daarbij in betaling voor 
ruim / 686. — „aen boecken, printen ende andere goederen." 

Aardig is het lijstje van degenen die nog geld aan hun vader schuldig 
waren. O.a.: 

Broer Jansz in den Haegh ƒ28 — 11— o 

Balthasar Dol, Zierikzee. ...• „ 5—0 — 

Claude Fonteyn, Leeuwarden „22-4 — o 

HenRIC Hondius de Jonge in den Hage, nu in Westindien 1 ) . „ 31 — o — o 

De graeffvan Çuylenburch . „ 34— 10 — o 

Hans Mathysz Gardenier in den Haech in de Papestraet . . „46 — 17 — o 

Henric Hondius den Ouden in den Haegh. „ 4 — — 

Mathias Otten, boeckvercooper tot Dusseldorp^ „65 — 6 — 8 

Pieter Rammesyn ter Goude 9 8 — — 

Pieter van Hemelscoert tot Rotterdam in de Hoochstraat 

in Romen „ 2 — 0—0 

Willem Hondius nu in Poolen staet schuldich «79 — o — o 

Andries Stock in de Haech „ 9—0 — o 

Machtelt Jacobsd r , Konstvercoopster tot Amsterdam op de 

Beurs in de Printe Kas . '. n io — 9 — 9 

De Soon van Crispyn de Pas tot Utrecht „11 — — 

Amelis Jansz tot Wttrecht „ 2 — 10 — o 

HüYGENS in den Haeeh is schuldich . : . w 3 — 10 — o 

Floris Balthasar over veele jaeren doot geweest zijnde, staat 

schuldich. ...* „42 — 13 — o 

Van de roerende goederen was nog in 't gemeen bewaard 
Een out vaendel; 51 groote printen van 't Schermen van Tibout. De 
plaetsnydersgereetschap. De plaet van Graeff WILLEM niet voldaen en een 
ledige plaet. 15 groote printen vant huys van Nassau by VAN DER Venne 
gesneden. 7 printen van Prins Willem, 6 van Prins Mauritius en 6 van 
Prins Henrick alle van Nassou en bij van der Venne, een deel groene stoelen 
en 9 ellen tassenylge. 

Noch 't conterfeitsel van Jacob DELFF des overledens vader, gedaen by 
POERIBUS (Pourbus) doch niet voltrocken. Het huysgesin van denselffden JACOB 
DELFF f conterfeitsel van Maritgen JOCHiMSDr. niet voltrocken. De conterfeitsels 
van Willem Jacobsz Delff en Geertruyt van Mierevelt, gedaen by haer 

l) Dit staat er : niet Westeinde. 



MICHIEL JANSZ VAN MIEREVELT. 



17 



soon Jacob Delff de Jonge, t'conterfeitsel int ronde van Willem Delff, deser 
kinderen overgrotevaeder. 25 schoone drucxels van elcke groote plate bij den 
Overleden WILLEM JACOBSZ Delff gesneden sijnde tot 28 platen toe, noch een 
deel kleene printgens van des overledens werck, een deel panelen van een out 
stuck, mitsgaders twee derdendelen van 7 violonsen, daervan den Heer Burgemr. 
SCHILPEROORT t'andere derdepaert comt. 

Voor het overige verwijs ik naar het eerstgenoemde artikel van Ha V ARD. 
Ik vond dezen inboedel eigenaardig genoeg om dien juist en volledig in 
de oorspronkelijke taal uit te geven. 




Oud-Hoüand, 1908. 



j;?\. : 




y/ifc 



PAULUS POTTER, 

door Barthqlomeus van der Helst, 

Teekening in het Prentenkabinet te Stockholm. 



ii?\. : 




C. ViCchrr 



PAULUS POTTER, 

door Bartholomeus van der Helst. 

Teekening in liet Prentenkabinet te Stockholm. 



EINE PORTRAITZEICHNUNG PAULUS POTTERS VON BARTH. VAN DER HELST. 19 

Fasst man dann noch die Wendung des Kopfes und das über die Schulter Schauen 
ins Auge, dann steigert sich der Zusammenhang bis zu der Annahme, dass hier 
eine vorbereitende Studie zu dem Gemälde vorliege. 

Es wäre demnach die Frage zu beantworten, ob die Zeichnung auch von der 
Hand des BartholomeüS VAN DER HELST sein könne, ob dessen Zeichenmanier 
sich mit der in unserer Zeichnung decke, oder ob ein anderer Amsterdamer 
Künstler den frtihberiihmten POTTER gezeichnet habe. Die Bezeichnung mit Cor- 
NELIS VlSSCHER, wie wir unten auf der Zeichnung lesen können — und unter 
diesem Namen figurierte sie in dem Stockholmer Inventare — fällt sehr bald, 
wenn man die vielen echten und bezeichneten Portraitzeichnungen Cornells VlS- 
SCHERS zum Vergleich heranzieht. Schon der erstaunlich sichere und breite, dabei 
elegante Ductus der Kreide, welcher nur einen allerersten Porträtisten voraussetzt, 
schliesst den gewissenhaft ausführenden VisSCHER aus. 

Bartholomeus van der Helst, und an diesen zu denken zwingt uns 
das Gemälde in erster Linie, hat uns leider nur sehr wenig Belege seiner Hand 
in Kreide und Feder hinterlassen so wie alle grossen Porträtisten. Seine Treffsicher- 
heit betätigt sich immer gleich auf der Leinwand so wie es Frans Hals liebt, 
wie es schon Tizian und Velasquez getan hatten. Von den fünf Zeichnungen 
der Albertina, welche seinen Namen tragen, können nur zwei als echt bezeichnet 
werden und von diesen beiden kommt nur eine für die Stockholmer Zeichnung zum 
Vergleich, die v Halbfigur eines jungen Mannes in sitzender Stellung 1 ), gleichfalls eine 
kraftvolle sichere Handschrift einer kunstreichen Hand. Die Behandlung der Haare, 
die Haltung der Figur, der breite Strich in dem Kontur und in der Schat- 
tierung machen ziemlich deutlich die Verwandtschaft mit unserer Zeichnung geltend, 

Lässt uns hier aber ein entsprechendes Vergleichsmaterial zur Hälfte in 
Stich, so gewinnt man dafür aus der Nebeneinanderstellung von Bild und Zeich- 
nung die noch fehlenden Beweise, dass beide von einer Hand herrühren müssen. 
Nicht nur die allgemeine Ähnlichkeit, welche in der Betonung bestimmter und 
gleicher Merkmale beruht, sondern auch der Gesammteindruck d. i. die Erfassung 
und Auffassung der Persönlichkeit in Blick und Sentiment sprechen hier laut zu 
einander als Zeugen für eine und dieselbe Künstlerindividualität. Man braucht 
nur die Gegenprobe zu machen und an Bildnisse einer und derselber Person, 
jedoch von verschiedenen Meistern ausgeführt, zu denken ; welch verschiedene 
Gesichtspunkte machen sich dann in der Auffassung geltend ! 

Das Gemalde im Haag trägt die volle Signatur und die deutliche Jahreszahl 
1654, also das Todesjahr des Paulus Potter. Da derselbe aber bereits am 17 



1) Inv. No. 9248. 

3» 



20 EINE PORTRAITZEICHNUNG PAULUS POTTERS VON BARTH. VAN DER HELST. 

Jänner 1654 in Amsterdam beerdigt wurde, so ist es nicht wahrscheinlich, dass 
das Portrait in den ersten 14 Tagen des Jahres schon entstanden sei, sondern, 
wie man heute auch allgemein annimmt, erst später vollendet und signiert wurde. 
Jedenfalls aber fällt der Beginn schon in die Zeit der Krankheit, denn Zeichnung, 
noch mehr aber das Gemälde tragen schon eine gewisse Verfallenheit in den 
Wangen und Augen, wie wir es so häufig bei phthisischen Naturen beobachten 
können. Und gerade dieser Umstand würde uns den seltenen Fall, eine Portrait- 
zeichnung VAN DER Helst neben einem Gemälde Zu finden, erklären und wahr- 
scheinlich machen, da der kranke Künstler zu einer Zeichnung leichter sitzen 
konnte als zu einem Gemälde, Bartholomeüs van der Helst aber gerade 
mit Rücksicht auf die körperliche Schwäche des Freundes einen zeichnerischen 
Behelf benötigte. Mit Hilfe der Zeichnung konnte er leicht die durch den Tod 
Potters unterbrochene Arbeit an dem Bildnis später vollenden. 

Wim. 





BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS 
EN HENR. SMETIUS, 



UITGEGEVEN DOOR 

Dr. P. C. MOLHUYSEN. 




'uratoren der jonge Leidsche hoogeschdol hadden in 1591 
aan Franciscus Junius, den beroemden Heidelberger 
theoloog, ten tweeden male een plaats als professor te 
Leiden aangeboden« De brief van hun secretaris JaN 
VAN HOUT, d.d. 19 Aug. 1591 is gedrukt in het tweede 
gedeelte van COLOMESIUS* uitgave van G. J. VOSSIUS' 
briefwisseling (1691) p. 330. Ook de Senaat, wiens 
advies in dezen ongetwijfeld gevolgd was, had reeds den 
25 Juli door zijn secretaris, Bon. VULCANIUS, Junius met deze keuze in kennis 
gesteld ; of deze brief nog bestaat weet ik niet. 

Geen dezer twee brieven vond Junius meer in Heidelberg. Hij was kort 
te voren in dienst van Hendrik IV getreden en als veldprediker de Duitsche 
huurtroepen gevolgd, die TURENNE naar Frankrijk voerde. Eerst in December 
van dat jaar keerde hij naar Heidelberg terug om orde op zjjn zaken te 
stellen, en dan met zijn gezin voor goed naar Frankrijk te verhuizen. Daar 
kreeg bij toen VULCANIUS' brief in handen. Den anderen zal de tabellio acade- 
micus, de 9 ,bode met de bus", die door Curatoren naar Heidelberg gezonden 
was, mede terug genomen hebben, toen hij JUNIUS daar niet meer aantrof; 



22 BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 

zoo toch wordt het verklaarbaar, waarom VAN Hout in zijn „Dachbouck" l ) een 
afschrift van Junius' antwoord aan VuLCANlUS maakte, terwijl van een antwoord 
op den brief van Curatoren niets blijkt. 

Ofschoon deze brief van JUNIUS aan VuLCANlUS buiten mijn bestek valt, 
acht ik het niet ondienstig hem hier in zijn geheel te laten volgen, daar hij aan 
de aandacht van Junius' biograaf Cuno *) ontgaan is. 

Fr. Junius B. Vulcanio S.P. 

Neque alteras a te litteras mi Vulcani ante has vidi, neqae has ipsas quas videre 
contigit ante quatriduum vidi quum ex Gailia a rege profectus essem, et reversus ad meos. 
Hanc moram neque tu pro tua hu ma ai tat e neque viri nobilissimi, domini amplissimi, Curatores 
vestrae Academiae, neque collegae reliqui pro sua prudentia iniquo animo ferre possuntjnam 
in me culpa nulla. Honorificum vestrum de me iudiciinn video ma gis ex vestra humanitate 
factum quam merito meo : postulato si non respondeam, iniquus sim, si non satisfaciam 
ingratus. Sed est quod in hac causa familiariter vobis exponam nee potest a vobis ignorari. 
De hoc consilio vestro antea quidem audiveram et mirabar tam lente agi quum fuissem 
istuc quamvis renitentibus multorum vocibus abiturus. Sed antevertit regis christianissimi 
postulatum exspectationem meam et praeter exspectationem meam, nam senectute otium in 
repub. parare maluissem quam in arduis rebus quae minantur mihi occupari. Sed quid. Ad 
regem veni liber, discessi servus, mandavit at ante aestatem revertar operam in Gallia con- 
sumturus. Omnino constitui proximo senatu huic academiae renun tiare utut in Gailia res 
abeant (bene abituras confido in domino) et aestate proxima aut transire ad vos aut per vos 
(ut mandatum est mihi) transire in Galliam; nam hac lege teneor, qua si me Deus absolvent, 
vester sim« Aedium tuarum usum a te offerri humaniter, ingentes gratias habeo. Lipsius 
de quo scribis, Leodii est; fueram cum illo acturus coram ante dies XV, sed dissuaserunt 
boni non tam hominis metu quam domus in qua versatur. Non abstinebo tarnen quin 
appel lern saltern semel. De Melisso quod scribis curabo. Bene vale vir clarissime et bonos 
omnes (si non est molestum) nostrique amantes saluta. Heidelberga die Sabbati 4 Decem- 
bris 1591. 

JUNIUS had bij zijn vertrek naar Frankrijk aan zijn zwager DE Smet de 
zorg voor zijn familie en zijn zaken opgedragen. Deze opende den brief van 
Vulcanius; hij herkende in den schrijver een makker uit zijn jeugd met wien 
hij school had gegaan, err zoo ontwikkelde zich een correspondentie tusschen 
beiden, waarin zij wederzijds de herinneringen aan hun jeugd deden herleven, 
en elkaar over hun familie en afkomst inlichtten. In een korten tijd worden 
over en weer een paar brieven gewisseld, waarna de correspondentie plotseling 
weder ophoudt, trots Vulcanius' aansporing in zijn eersten brief om de vriend- 



1) Het m Dackbouck" van Jan van Hout loopt van Nov. 1580 tot Juni 94. Hij teekende daarin aan 
al wat er aangaande de Universiteit te vermelden viel, met afschriften van in- en uitgaande brieven. Het is 
hoogst belangrijk voor de geschiedenis der Universiteit, en in 't algemeen weinig geraadpleegd, daar van Hout 
bisonder onduidelijk schrijft. Het verdiende in zijn geheel uitgegeven te worden. 

S) F. W. Cuno, Franciscus Junius der Aeltere.... sei*. Leben und Wirken , »seine Schriften und 
Briefe. 1891. 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 23 

schap in stand te houden. Trouwens, te verwonderen behoeft ons dit niet, als 
we bedenken dat beide mannen niet veel meer dan den naam met elkaar 
gemeen hadden; en de brieven ontleenen hun belang dan ook hoofdzakelijk 
daaraan, dat zij authentieke levensbijzonderheden geven over twee mannen, die 
een belangrijke plaats bekleed hebben in de geleerde geschiedenis van hun tijd. 

Een kleine 20 jaar houdt de briefwisseling dan op. In een brief van 
pr. kal. Maias 1609 schrijft Janus Gruterus, de schoonzoon van Smetius aan 
VULCANIUS o. a.: „...ego certe virtutem tuam... ore etiam frequenter praedico, 
apud amicos potissimum, imprimis vero socerum meum w condiscipulum tuum 
Henricum Smetium qui te officiose salutat". VüLCANlUS, die de 70 al gepas- 
seerd was en wiens geheugen niet zoo helder meer was, kon zich niet meer 
herinneren wie die SMETIUS toch was, en hij zal er bij GrüTER naar gevraagd 
hebben; want deze schrijft hem, d.d. 20 Sept 1610 1 ) „...Grata erit Smetio 
quaestio tua, de qua scribam tibi simulatque domum venero". 

Maar SMETIUS wilde zelf die vraag wel beantwoorden, en den ien Dec. 
van hetzelfde jaar zond hij VULCANIUS nogmaals een kort levensbericht, dat 
door dezen 18 Maart d.a.v. beantwoord werd; Smetius schrijft 14 Sept. 161 1 
nog eens, en dan is de correspondentie voor goed uit. 

De brieven van SMETIUS zijn alle eigendom der Leidsche Bibliotheek, die 
van 22 April 1592 (N\ 5) kochten wij kort geleden bij den antiquaar Star- 
GARDTH ; hij komt ook voor in de auctie J. v. VOLLENHOVEN, bij Brill te 
Leiden in 1894 gehouden. De andere vier zijn met de overige handschriften en 
brieven van VULCANIUS in 16 14 voor de bibliotheek aangekocht. 

De oudste 2 brieven van VULCANIUS (N°. 2 en 4) bevinden zich in het 
handschrift Germ. 804 der Universiteits-Bibliotheek te Heidelberg; door de zeer 
gewaardeerde welwillendheid van de directie werd het voor mij te Leiden gede- 
poneerd. VULCANIUS' laatste brief (N°. 7) wordt in de Vaticana te Rome 
bewaard, in het vroegere Heidelbergsche hs. Palatinus Latinus N°. 1903. Beide 
deze codices bevatten brieven aan Smetius gezonden. Het vermoeden ligt niet 
ver dat SMETIUS' schoonzoon, de bibliothecaris Gruter, de brieven in deelen 
heeft laten binden en in de bibliotheek plaatsen. Ik schreef dezen brief zelf te 
Rome af, toen ik daar in het voorjaar 1906 vertoefde om bouwstoffen voor de 
vaderlandsche geleerdengeschiedenis te verzamelen. Dr. J. A. F. Orbaan, door 
de Nederlandsche Regeering belast met kunsthistorische nasporingen aan het 
Ned. Historisch Instituut aldaar, vestigde mijn aandacht op dezen brief, waar- 
voor hem hier nogmaals dank wordt gezegd. Een enkel woord thans nog over 
de schrijvers der brieven zelf. 

1) Beide brieven in original! op de Leidsche bibliotheek. 



4 BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 

Hendrik SMETIUS was 29 Juni 1537 te Aalst geboren uit een aanzienlijk 
geslacht, waaróp hij trotsch was, en waarover hij herhaaldelijk spreekt, zöo in 
deze brieven als in het lange gedicht voor zijn „Miscellanea medica" en vooral 
in de „Parentalia" . Aan het jaartal 1537 kan geen twijfel zijn, maar CüNO, 
Franciscus Junius, p. 220 deelt zijn grafschrift mede, waarop 1536 als geboorte- 
jaar staat. Of dit. een vergissing is van hem, of van ANDREAE, Monumenta 
Heidelbergensia % dien hij citeert, weet ik niet; maar MELCHIOR ADAM in zijn 
Vitae Germanorum medicorum p. 415 geeft ditzelfde grafschrift met het jaartal 1537. 

Hij is te Heidelberg 15 Maart 1 614 overleden. Adam, wiens boek in 
1620 te Heidelberg uitkwam, en die SMETIUS in Heidelberg kan gekend hebben, 
het bovengenoemde grafschrift, en alle andere biographische werken noemen dit 
jaar; alleen de Biographie Nationale laat hem 1612 sterven; waarschijnlijk is 
ook dit een drukfout« 

Hij was eerst gehuwd met Johanna VAN DE CORNPUT (CORPUT) een 
dochter van den burgemeester van Breda. Hij was dus een zwager van HENDRIK 
VAN DE Cornput, den Dordtschen predikant, en van Jan, den beroemden 
genieofficier, die Steenwijk tegen Rennenberg verdedigde.. Hem is de „Prosodia" 
opgedragen. Franciscus Junius was met een zuster, Elisabeth van de 
Cornput gehuwd. 

Een dochter van SMETIUS, naar haar moeder JOHANNA genaamd, huwde 
in 1592 met den reeds genoemden JANUS GRUTERUS. 

Te Gent ging hij school bij den bekenden paedagoog Jan Otho *) en het 
was daar dat hij Vulcanius leerde kennen; op zijn 15 e jaar, in den zomer 1552 
ging hij naar de Universiteit te Leuven, tot 1554; VULCANIUS is eerst in 1555 
te Leuven gekomen. De vriendschap is daar dus niet voortgezet. 

Van SMETIUS* werken is verreweg het bekendste zijn Prosodia, bij zijn 
leven en ook later herhaaldelijk gedrukt, o. a. nog in 1683 8 ), een schoolboek 
om de jeugd de kwantiteit der lettergrepen te leeren. Hoezeer het in trek was 
toont het feit dat de 7 e uitgave de kolossale oplage van 2000 exemplaren had. 
De Miscellanea medica, waarin hij Galenus' leer verdedigt en tegen Paracelsus 
te velde trekt, zagen 161 1 het licht bij JONAS Rhodius te Frankfort. 

De Juvenilia, de gedichten waarover SMETIUS herhaaldelijk in deze brieven 
spreekt, verschenen 1594. Het boekje bestaat uit 3 stukjes, elk met afzonder- 
lijke pagineering. De titel is: Henrici Smetsii J Alostani \ Juvenilia \ sacra: \ 
Regum Judaicorum \ lib. tres. \ Susannae lib. unus \ ad \ illustrem Heroa, | Sinto- 



i) Zie over hem en zijn ondermeester Olivarius es Olieschlager, de Biographie Nationale. 
a) Ik ken uitgaven: Frankfort 1609, 1630, Londen 1628, Amsterdam 1648, 1674, 1683. 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 25 

nem | Lippiae Comitem. | (Vignet) Heidelbergae, \ Typis Smesmannianis \ An. 
CI3IDXCIIII. 

Het 2e en 3e stukje hebben tot titel „Juvenilia misçella" en „Parenta/ia". 

Het eerste gedeelte bevat de Reges en Susanna, het tweede het epos de 
Medicinae antiquitate, later in de Miscellanea herdrukt, Elegiarum libb. II, 
Odarum liber unus, Phocylidae poema, Pytkagorae carmen, Batrachomyomachia, 
en ten slotte een Carminum libellus adoptivus, gedichten van anderen op den 
auteur; het derde gedeelte, de Par enta lia, is een reeks gezangen op de verschil- 
lende leden van 't geslacht DE Smet, met de aangehuwde familie. 

Het boekje is vrij zeldzaam. Het exemplaar der Koninklijke Bibliotheek 
in den Haag was een present-exemplaar met de eigenhandige inscriptie : JOHANNI 
Brantio ') viro doctiss. gymnasiarchae Vesaliensi mittit auctor. 

Van de ^oratio de febri tertiana intermittente", volgens de Biogr. 
nationale in 1587 te Heidelberg uitgekomen, heb ik geen exemplaar kunnen vinden. 

Er bestaat een portret van SMETIUS, aetat. 62, met het jaartal 1598 en 
met epigram van Janus GrüTERUS. Het komt met zijn wapen in verschillende 
uitgaven voor, in de Miscellanea, in de Prosodia van 1609, en naar dezelfde 
plaat, maar opgesneden, zonder jaartal en zonder Gruter's naam in die van 1630. 

Er is in de brieven een paar maal sprake van Encomia Dousana. Jan van 
DER DOES had in 1584 een bundeltje gedichten, „Epodon ex puris iambis libri IP' 
uitgegeven en opgedragen aan Johannes Posthius, geneesheer toen te Würz- 
burg, later in Heidelberg. POSTHIUS van zijn kant wist van verschillende ver- 
eerders van DOUSA lofdichten op hem te krijgen en gaf deze in 1587 uit onder 
den titel: „Encomia Dousana. Hoc est varia variorum Poetarum in honorem 
JANI DOUSAE NORDOVICIS, viri nobilissimi carmina. Edita a Joanne POSTHIO 
Germershemio, Principum Pa lat. ad Rhenum Archiatro. Men vindt er ge- 
dichten van MELISSUS, SylbuRG, Modius, en andere humanisten van naam. 
Ook SMETIUS gaf een bijdrage*), gedagt. 20 Oct. 1585, waarin hij de jeugdige 
Academie gedenkt en haar professoren. Op Vulcanius slaat het volgende: 

Et orthodox us Entiches Faber vigens 
Locutionis Atticae peritia: 
Faber faceti et elegantis ingenï 
Mihique car us inde ab ipsa ephebia. 

Over Vulcanius' sterfjaar is nog al eens verschil van meening geweest. 
SWEERTIUS in zijn Athenae Belgicae zegt dat hij overleed M. DC. X. IX Oct. : 



l) Zie Zsthr. Bergisch. Gesch. Ver. IV p. 1x5 en volg. 
*) Ook in lijn Juvenilia opgenomen, 2e ged. p. 129. 
Oud-Holland, 1908. 



2* BRIEVEN VAK BOS. VULCANIUS EN HEKR. SMETTUS 

du* 9 Oct 1610; het ftaat thans, vooral na Rammelman Elsevier's artikel in 
de Berigten van het Hist. Gezelsehap te Utrecht 2e Stok (1848) p. 8ow. 
voldoende vast, dat bij 9 Oct. 1614 stierf, en men zal dus moeten aannemen 
dat bij Sweertius voor de IX een IV is uitgevallen. Dat men het foutieve 
jaar toch als het juiste heeft willen beschouwen vindt zijn reden hierin, dat 
zijn boekerij den 15e» November 1610 zoude zijn verkocht (Reiffenberg 
in Bibliophile Belge IV, p # 312). In werkelijkheid zijn toen hoofdzakelijk zijn 
gedrukte werken verkocht, zijn handschriften behield hij en deze gingen eerst 
na zijn dood aan de Universiteit over '). De reden waarom hij reeds in 1610 
zijn boeken verkocht, was zijn voortdurende ziekte; Vulcanius die veel en 
hard gewerkt had, moest reeds in 1607 zijn pensioen nemen. Zijn brief van 
f8 Maart 1611 (N°. 7) is in dit opzicht zeer leerrijk. „Reeds 4 jaar lang lijd 
ik onder allerlei kwalen; het zou vervelend voor U zijn alles te moeten aanhoo- 
ten; maar 't komt hierop neer dat gezicht, gehoor, handen, voeten en zijden 
hun dienst weigeren, en ik totaal hulpbehoevend ben. Ik ben nu reeds 14 maand 
mijn kamer, of althans mijn deur niet uit geweest, en men heeft dan ook al 
verteld dat ik dood was/' Dat hij in zulke omstandigheden zijn boeken verkocht 
was eenigszins begrijpelijk; een wetenschappelijke zelfmoord, als REIFFENBERG 
het noemt, was het onder deze omstandigheden dan ook allerminst. 

Zijn familienaam DE Smet vertaalt Vulcanius op verschillende wijzen. 
FORTUtfATUS FABER noemt hij zich b.v. in zijn Thesaurus; als ex libris vindt 
men vaak ; 'E* r&u 'Hfoua-riwoc. BEATUS Faber noemt Janus Dousa hem in 
zijn Epodon libri; EuTVCHES Faber, Smetius in de Encomia. Er zijn wellicht 
nog meer varianten. Doch dat de vertaling „Vulcanius" oorspronkelijk van 
ERASMUS afkomstig is, was geloof ik niet bekend. 

Of Petrus Vulcanius in N°. 7 genoemd ook een „de Smet" was, blijkt 
niet; mogelijk dankte hij zijn naam alleen aan zijn gebrek. Hij was toch evenals 
Vulcanus, mank. 

I. 

S. P. Literas tuas, quai ad Franc. Junium a(ff)inem ') meum carissimom, die facobi *) 
scripta* emisisti, tabellarius XXIII Septemb. (dem)um reddidit, nona nimirum hebdomade a 
■criptione. Qua* ex iussu affinis mei, quum discederet, aperui. Discessit autem hinc in Galliam 
X Auguiti una cum vicecomite Turennio, copias germanicas ducente, vocatus quidem a rege, 
attamcD non destitutus Illustriss. nostri Principis consensu neque Academiae nostrae permissu, ad 
tempus; relicta interim hic familia et omni supellectile. Speramus autem reditum sub brumam. 

l) Zie mijn GêtckiêdiMS dtr Univ. Bibl. U Laden, p. 32. 

%) Door gaten in den brief is hier en daar een gedeelte van een woord uitgevallen ; wat ik aanvulde 
Staat tunohen ( ). 
•) as Juli. 



BRIEVEN VAN BON. VULCAN1ÜS EN HENR. SMETIUS. 27 

Literas tuas priores accepisse eum multo ante discessum hinc coniicio, quod se Lugdunum 
invitatum sicut et Witebergam et Franiqueram et alio ex ipso aadisse meminerim. Respondent 
necne, ignoro. P. MRUSSO salutem a te officiosam hodie annunciavi et quid petas indicavi. 
Idem plurimum te vicissim salvere iubet, additque codicum Graecorum manuscriptorum, qui in 
bibliotheca Palatina exstant, titulos et cataloguai usque ad numerum, ni fallor, 330, consignais 
adiumento StlBURGH et calamo, nundinis pascalibus in lucem prodituros et quidem codice son 
mediocri '). Cuius bénéficie voti tui compos reddi po(ter)is. Forte circa idem tempus poëmata 
(quae)dam mea, iuvenili aetate scripta, inter (quae) Regum iudaicorum libri 3, Epos de arte (me) 
dica et nonnulla alia, post XXX annorum (cap)tivitatem, libertate donata, exibunt. Bene vale 
et me, qui te sub ferula Ottoniana amabam et adhuc amo, redama. Iterum vale, Vulcani doe- 
tissime, et Jano Dousae, patri itemque filio ingeniis singularibus a me salutem oiBciosissimam 
ut dicas rogo. Heidelberga, pridie Cal. Octobris 1591. 

Tuus ad officia, 

Henricus Smetius, M. D. 
eiusdemque profess. 
(Adres) Clariss. doctiss.que Viro D. Bonaven- 
TURAE Vulcani O Graecarum literarum profes* 
sori, amico antiquissimo. 

Lugduni Batavorum. 



II. 

S. P. Literae tuae prid. Kal. HX bris scriptae, XIIX. X bris mihi redditae multis nominibus 
gratissimae acciderunt; primum quod iucundissimam illius temporis memoriam quo pueri una 
sub Otthoniana uti dicis ferula egimus, refricent, turn quod de Cl. viris D. Junio et D. Melisso 
ea quae maxime scire cupiebam sighificent. 

De te non audieram tantum antehac multa mihi iucunda ex aliis, sed et abs te ipso non 
semel salutem acceperam et honorificam mei mentionem abs te factam in Jani Dousae Encomiis 
intellexeram; ad quae benevoli erga me animi testimonia, accessit nunc epistola tua eiusdem 
benevolentiae testis amplistima, cui quidem fovendae augendaeque equidem non deero; et certe 
committere non debemus, ut amicitia adeo felictbus auspiciis iacta nostra culpa et vecordia inter- 
moriatur, praeeipue cum in tanta 9\jfifoirr,rüv ac commilitonum literariorum turba, quantam apud 
communem utriusque nostrum praeceptorem olim fuisse meministi, adeo pauci sint qui in Musarum 
castris assidue sese continuerint, aut alioquin ad aliquam frugem literariam pervenerint. Praeter 
Utenhovios enim puto esse neminem, et deiis magnum iam per multos annos silentium. 

Hortor itaque te et rogo, mi Smeti, ut veterem atque adeo a teneris, quod aiunt, ungui* 
culis, initam amicitiam, longa iam desuetudine et locorum seiunctione interruptam, instauremus 
sancteque in posterum colamus. Postulat hoc et suo quodam iure a nobis exigit patriae, 
nominis, institutionis, studiorum denique societas et similitudo, planeque nostrum, ut Horatii , ) 
verbis utar, consentit astrum. Ne itaque nobis desimus iterum atque iterum rogo. Facile vcro 
vetus atque, ut dixL propemodum deperdita amicitia redintegrabitur, frequenti inter nos lite- 
rarum missitatione; quae aliud nobis ex alio cottidie argumentum sint suppeditaturae. Poëmata 
tua iuvenili aevo abs te condita, avide exspecto, imo et quae iam sunt édita. 



1) De catalogus is eerst ruim een eeuw later verschenen (toen de handschriften reeds lang naar Rome 
weggevoerd waren) o.d.t. Fa. SylbüRGI Catalogus codicum Graecorum Af. S.S. olim in Bibliotheca Palatina, 
nunc Vaticana asservatorum etc. Franco f urti ad Moenum 1701, in den bundel die ook met den titel : Mouumenta 
pietatis etc. voorkomt 

2) Hok. Od. II. 17. 22. 

4» 



28 BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 

Nam Iambos tuos, in quibus mei menti o, de quibus mecum egit non semel Dousa noster, 
nondum mihi, quod doleo, videre contigit. Fieri potest ut et ego aliquando lusus meos iuve- 
niles extrudam ut publicam iudiciorum aleam subeant. 

De D. JUNIO sunt qui nobis spem faciant, utinam ne frustra. Felices nos si tanto viro 
potiamur. Sed vereor ne IU mus Pr in ceps vester fulcrum illud et columen Academiae suaesubtrahf 
patiatur. Sed et Horatii >) illud hodie apud multos locum habet: »Virtutemincolumemodimus, 
sublatam ex oculis quaerimus invidi." Qua vero in aestimatione apud vestros theologos ille sit, 
equidem non satis scio. Mihi vel eo nomine est magnus, quod a spinosa illa et contentiosa 
Theologia alienus esse videatur. 

De Scaligbri adventu para m spei. Haeret tarnen adhuc in Gallia TUNiNGius noster ad 
eum evocandum missus, cum proxenata Baudio s ). 

•Cataloguai Codicum Mss. qui in Bibliotheca Palatin a exstant proximis nundinis proditurum 
gaudeo. Mirum est nihil hactcnus ex ea prodiisse singulare, hoc est veierem aliquem historicum 
Graecum vel novum, vel emendatiorem et auctiorem. Sed de his plura ad MfLissUM. 

Obsopaeus ') quid molitur? Ostendit mihi cum hic esset non pauca quae iam habebat 
affecta: Epigrammata et poëmata veterum poëtarum; et nescio quae alia vel iam propemodum 
perfecta, vel editioni parata. Saluta eum quaeso meis verbis, et vale. Lugdüni Batavorum, prid 
Natal. Domini 1591. 

Tui studiosissumus 
B. VULCANIUS. 

III. 

Literae tuae, optime Vulcani, quos pridie natalis Dominici emissas hesterno die accept, 
ita me recrearunt, ut nullae multo tempore amplius, eo potissimum nomine quod amicitiam 
inter pueros ante annos 40 fere inchoatam, et perpetuo interim silentio tantum non emortuam, 
resuscitare deinceps postliminio et communi hoc nostro canescente aevo, literularum scriptione 
refocillare velle mutuo videaris. Ego sane officio meo non defuero. Licet ante nu per rima m 
scriptionem nullas ego ad te, quod meminerim, a puerili illo tempore literas, interim meas 
aliquot salutes ad te perlât as gaudeo : tibique constare de publico meae erga te veteris benevo- 
léntiae testimonio laetor: quod D ou 3 ants Encomiis anno 1585 lusum inseri sum passus, quamvis 
antea necdum quicquam meorum evulgaram. Victus tarnen pertinaci D. Posthii efflagitatione 
id feci. Quia autem intelligo te illud necdum vidisse et exemplar quod mittere possem, nullum 
esset: idcirco pauculos versus inde decerptos chartulae illevi, donee exemplar nancisci potero. 
De poëmatiis nostris eden dis, quamvis tecum Melissus, Posthius, Gruterus et alii quibus 
ostendi moneant urgeant, minus tarnen nunc hoc tarn oculato et delicati oris aevo, festino, quam 
in adolescentia quum tarnen et magnus ille LOTICHIUS ante XXX annos hortaretur, praesertim 
Reges meos, Multa enim iam senior considero et deprehendo, quorum si tunc édita fuissent 
iam poeniteret. Ad iudicia doctorum et artificum lubenter examino et castigo. Tua, qui inge- 
nio semper felicissimo, ideoque et propter mores cams mihi, iamdudum omnia publicata, licet 
mihi nondum visa, putavi. Junius noster vir in omni linguarum atque erûditionis genere (pene 
nisi invidiam metuissem. dixissem) summus, eo est loco apud viros literatos et prudentes, quo 
debet, etiam apud theologos modestiores. Si qui sunt alio ingenio et iudicio depravato, quid 
illos moramur? Apud principem et hunc «), et defunct urn •) eorumque consiliaros integriores 



1) Hor. Od. in. 24. 31. 

9) Men weet dat Scaliger toch in 1593 naar Leiden kwam. 

*) Dit is Johannes Opsopaeus, die na xijn medische studiën te Parijs voltooid te hebben, een reis 
door Engeland en Holland maakte, om daarna professor te Heidelberg te worden. Hij overleed 1596. 
*) Frederik IV. 
t) Johan Casimir. 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 29 

iiullus nee erat nee est pluris. Et licet in regis Galliarum gratiam, abitioni eius in aettatem futurae 
uterque ante Cal. Janu. con(ces)serint licet inviti et cum conditione : mussitatur tarnen rursus 
a funere senioris, de illo retinendo. In luctu nos esse et quidem gravissimo, ob Jo. Casimiri 
fortissimi atque pientissimi heroïs obitum, VI Janu. mane factum, per tot dierum intervallum, 
îgnorare non potestis. Lacrimarum nostrarum testimonia hic vides. Parentalia a Melisso nostro, 
Posthio aliisque conscripta coactus; fui et a meo dolore elegiam lugubrem adiungere- 1 ). Sed 
quid? Scaliger vir tantus Leijdam? Utinam possitîs. At metuo: hisce turbis et terra et mari 
Galliae et Bataviae communibus, difficnlter dimovebitur. Remittit tibi salutem Opsopaeus, 
dicitque scripta ilia vete ru m poëtarum exspeetare Lutetiae liberatorem regem Galliarum. Salutat 
te Junius, qui in Galliam iturus istuc venturum et se vos visurum promittit; dices ofôciosam 
salutem meis verbis Jano Douzae path itemque filio, fama et scrip t is, quam facie mihi notiori bus. 
Quia autem Vulcanii cognomen fortassis significa tione meo affine est (Smet videlicet) cupio 
scire de paren tela tua et insignibus avitis, utrum praeter cognomen et patriam aliud quid com- 
mune habeamus nobis ignotum. A scriptione harum exemplum unum Encomiorum tandem ab 
amico quodam impetravi, quod mitto ut legas. Vale féliciter, et memoriam nostri cum bene- 
volentia mutua conserva. Heidelberga 6 Febru. veteris, anno 1592. 

Tui studiosissimus 
Henr. Smetius. 

Levini Baiti consobrini mei Med. Profess, et Doet oris in Acad. Rostoch. fil his, ante pau- 
culas hebdomadas puta 16 Decemb. hie una cum aliis nonnullis in doctorem utriusque iuris cum 
laude promotus est, patri suo cognominis. 

Scire cupio aetatem tuam, ego an. 1537. Junii 29, Alosti me natum credo. 

Mitto Parentalium exemplar 1 domino Dousae patri, missurus et filio, sed nimiam sar- 
cinam nuncio metuebam, quamobrem commune utrique erit. 

(Adres) Clarissimo doctissimoque Viro 
D. Bonaventuras Vulcanio Graecae 
linguae Professori, amico veteri. 

Lugduni Batavorum. 

IV. 

S. P. Recte facis, optime Smeti, qui Vulcanium populärem tuum, tibique cognominem, 
et a teneris, quod aiunt, unguiculis notum, atque adeo in eodem ludo doctum, amore tuo 
complecti pergas. Facis id, et fades, mihi crede, mutuo. Nam generis splendore fieri potest, ut 
fuliginosus Vulcan 1 US tibi cedat; amore a/*oiß<xiu nequaquam nee unquam. 

Pater mihi fuit Petrus de Smet Brugensis ; cui Erasmus, quo (ut ex Uteris ipsius manu 
exaratis, quas inter xupiXta mea merito asservo, 3 ) animadverto) familiarissime olim usus fuit, 
VULCANn cognomen ei indidit. Egit is primum patronum causarum Bru j is. Inde Lovanium se 
recepit, postea in Zelandiam evocatus, syndicum Midelburgensium egit. De stirpe mea parum 
mihi constat, quippe qui septennis cum patre patria excesserim, neque ab eo tempore in ea 
domicilium habui, neque ibi unquam ultra biduum sum commoratus. Audio esse nobi lern aliquam 
apud Flan dros Smettorum familiam, e qua si originem ducis, gratulor. Ego hoc tantem scio, 



1) Sein Tod hat eine ganze Literatur hervorgerufen. Wir besitzen Leichenreden . . . Klaçreden . . . 
einer Menge kürzerer Gedichte, Epitaphien und fliegender Blätter nicht zu gedenken. HäusSER, Geschichte der 
rheinischen Pfalz, II, p. 17a. 

Mblissus' bundel beb ik niet kunnen vinden. Smetius' gedicht staat in zijn Juvenilia, ae gedeelte p. 98 . 

t) Onder de papieren van Vulcanius wordt nog een brief van Erasmus aan diens vader bewaard, die 
fan Oct. Pasch. 1533, bij Clericus, p. 1465, no. 1246. 



30 BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 

parentem meum id ipsum quod Cicero de se iactare solere quod maioribus suis praeluxisset. 
Gratum vero erit mihi, si de tua stirpe, et familiae tuae insignibus et quos Brugis affines habeas 
plenius aliquid ex te intellexero. Natus sum anno 1538 mense Julio, aetas utriusque nostrum 
bene consentit, spero etiam ast ru m. 

De obitu Principis l ) vestri sinister rumor aures nostras perculerat ; scripseramque ea de re 
ad D. Melissum. Speraram vero, ut Pindaricum') illud usurpare possem nxXtyylwne» tk oi èâàxxr*. 
kr/Um fat» Siva*. Sed fuit heu nimium, uti ex Pa ren talibus vest ris magno meo cum maerore 
video, verus ille rumor. Sed quia hac de re plura ad Melissum, supersedeo eorum repetitioni. 

Eiogia Dousana mittis ut legam. Anne etiam ut lecta remittam? faciam, si volueris. 
Sin minus, retinebo. 

De Scaligero scribo etiam ad D. Melissum. Cochlinus *) de quo adsciscendo in Praesidem 
Collegii Ordinum Hollandiae agitur 8 ) commendavit nobis viros aliquot pios et doctos, qui ex 
Academia illa 8axonica<), iam. ut aiunt, dissipata, evocari possen t. Monebo te, si quid decretum 
fuerit. Tu me, obsecro, si quid de D. Junio, quem ego intimitus amo, eumque ut officiose ex 
me salutes rogo. Vale. 

Lugd. Batavorum, 18 Martii 1592. 

Tui studiosiss. 
B. Vulcanius. 



S. P. Gratum admodum mihi aceidit, mi Vulcani, quod de parentela, patria atque aetatc 
tua ad me perscripseris, et amicae meae curiositati obsecutus fueris. Sic enim mihi persuaseram 
nos aetate perparum differre, cognomine et patria pene pares. De meis sic habe to : pâtre m 
Robertum de Smet, ex H enrico prognatum et Margaret a familiae Scorissiae, quae Esro- 
nibus clara fuit, adeoque anno 1466 Lu do vi eus ScORiSSius Baro supremum civitatis Ganda- 
vensis praetorem agebat. HEnricus de Smet avus patrem habuit Jodocum supremum civitatis 
Alostensis praetorem, matrem vero Mariam Scoutettam, quae toparchiam Ledanam viro in 
dotem attulit, milliari ab oppido distantem. 

Idem JODOCUS antea Teneramondani territorii praefecturam administraverat. Cuias 
autem proavus meus fuerit non constat. Coniicio autem Scoutettos Brugenses esse, sic enim 
legisse videor alibi in Meyrri Annalibus *). Quod si est, putarem ex eadem urbe et proavum 
oriundum. Quamvis sint et mihi cognomines alii de Smet, etiam Alosii, sed nulla affinitate 
iuncti sunt; etiam Gandavi, nihilo magis quod equidem sciam mihi sanguine propinqui. Quin 
etiam Rostochii nec non hic ad Rhenum eodem cognomine quosdam uti novi. Et quamquam 
intra 300 aut plures aut pauciores annos ex una familia aut stirpe varie divisa, multi nepotes 
orti, in alia loca migrare, ibique domicilium eligere et posteros relinquere possint: eaqueratione 
origo eorum primaria in oblivionem veniat: est tarnen una certitudinis via, videlicet insignium 
exploratio. Nostrae quidem prosapiae sunt tres lunulae tigillo nigro intersect ae in elype o candido. 
Avus meus Henricus toparcha Ledensis, Patri Jodoco in praefecturam Alostensem successit, ut 
a maioribus accepi. Ante consulatum saepius in urbe obiverat quod solorum nobilium munus 
semper fuit. Sed in bellis Flandricis tempore Maximiliani captus a Gandavensibus, ut se 
redimeret toparchiam vendere coactus fuit. Robertus Smetius eias filius qui mihi pater fuit, 



1) Johan Casimir, overl. 6 Jan 1592. 
S) Pihd. Nem. I. 58. 

8) Cuchlinus aanvaardde den post van Regent van het Staten-College in Oct 1592. 
«) Wittenberg. 

f) Comnuntarii sive Annales rerum Flandricarum Libri Septemdecim autore Jacobo MeyerO BalioUn*. 
Eerste uitgave Antverpiae in aedibus Joannis Steelsii 1561. 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 31 

parentis bonis belli et captivitatis calamitate atténuât is, ad literarum et medicinae studiaanimum 
applicans, senatorem simul et medicum in patria, .dum viverct, egit ; obiit sexagenario maior, 
ante annos quinquaginta. Fratris mei liberi, qui me maior erat, praedia Smetiorum a vita in 
rure Ledano adhuc possident, domusque in clivo posita ab iniuria seditionum nostrae temporis 
intacta et incolumis per Dei gratiam, ut intellego, hactenus permansit Supra proavum nullius 
mihi est memoria, parentem enim nondum iuvenis amisi. 

Exemplar illud Elogii Dusani quod attinet, non misi ut remittas, neque est mihi eo opus 
quum alind mihi supersit; ut nihil aliud, saltern vel illud mei apud te memoria maneat. 

Quod de viris aliquot piis et eruditis ex Saxonicae Academiae dissipatione ing men te 
evocandis cogitatis, pie sane vobisque utiliter facitis. Cogitant et nostri de quibusdam, inter alios 
de D. Cal amino: facta est et D. Wesenbecii et D. Eberhardi Weihii mentio 1 ). Quid autem 
futurum ignoro. De Junio nostro scito eum valere per Dei gratiam et vos ex itinere visurum, 
adeoque fortassis aliquantisper apud amicos haesurum: sic enim omnino statuit volente Domino, 
et tibi salutem renunciari petivit vicissim. Vale Heidelberg, 22 Aprilis 92. 

Tui studiosiss. 
Smetius. 

(Adres) Clarissimo et doctrinae praestantis 
viro D. BONAVENTURAE VULCANio Graecae 
linguae professori, amico antiquo. 

Luoduni Batav. 



VI. 

Salutem a te mihi annunciavit nuperrime gêner meus suavissimus Gr uterus, Vulcani 
clariss. et amicorum meorum qui vivunt, ut opinor, antiquissime, quae sane mihi gratissima 
fuit. Quum autem scire aveas, quo in literario ludo olim una vixerimus, dicam: Non Brugis, 
nee Diesthemii, non Mechliniae nee Lovanii, verum Gandavi, Joannem Otthonem praeceptorem 
communem habuimus, cui Matthaeus Richius et Joannes Olearius hypodidascali operam 
navabant, ab anno 1552 usque ad 1554 quo Lovanium in aestate me contuli. Vidi iliic Fruterium, 
Nicolaum, Carolum, Jacobum, Antonium, Joannem Utenhovios fratres, Vechtanium, 
Coemtterium, Dammannum, Franciscum et Carolum Kethullos fratres, Harduwinum, 
Joannem et Lucam Maiardos fratres, Petrum Preisium, N.Gualtêrum, Paul. Knibbium, Haul- 
dionium*), Levinum Battum, Wilhel. Lapidanum, Corn. Taimondum, Tayardum, Exardum, 
Levinum Sandrium, Embisium et duos Ver h agios fratres Mtchaelem et Jacobum Antverpianos, 
nee non Henr. Corputium. Reliqui iam non succurrunt. Tu in prima classe cum Utenhoviis 
maioribus versabaris, statura b re vi use u la, anno aetatis ni fallor XVI, ingenio eleganti, in versibus 
scribendis socios superans, quo studiorum genere et ego delectabar, pari tecum aetate, sed classe 
et eruditione te inferior, natus puta 29 Junii 1537, Alosti. Vertebam autem anno 1553 Pytha- 
GORAE aurea carmina, nee non Phocylidae gnomas versibus Latinis. Postea Batrachomyotna- 
chiam HOMERl an. 1555 Lovanii; Susannam et Reges Iudaicos lib. tribus, partim Lovanii, partim 
Rostochii, partim Heidelbergae an. 1559 ubi Petro Lottichio illos ostendi qui de pu bli candis 
monebat Deinde an. 1560 in Italiam profectus, sequenti Januario gradum doctoratus in Medicina 
una cum Levino Sandrio Bononiae adeptus sum. Anno vero 1562 m. Janu. uxorem duxi et 
medicam artem exercere coepi Antwerpiae. An. 1567 Comitibus Lippiensibus et reipublicae 



l) Van deze drie is alleen Calaicinus naar Heidelberg beroepen. Hij overleed daar 25 Nov. 1598. 
*) Een onduidelijke correctie maakte dat Vulcanius „Charidonius" las. Bedoeld is: de Haudion. 



32 BRIEVE!* VAN BON. VÜLCANIUS EN HENR. SMETIUS. 

Lemgovianae stipendio per annos sex obligatus vixl Inde Maio mense 1573 Heidelbergae in 
aula Electori Friderico HI per quinquennium medicum egi. Ab anno 1578 (quo te Francodaliae 
una cum Barone S. Aldegundio 1 ) in prandio Bembergano vidi) usque ad annum 1585 principi 
JOAN. Casimiro (artem docendo, et faciendo, turn in schola, turn in aula) inservivi. Ab eo tempore 
hue ab Academia vocatus, in statione Med. docendi per annos XXVI persevero. Poëmata mea, 
hortatu Melissi, in lucem eduxi an 1594* Prosodiam meam sexies, ut audio, impressam, brevi, 
uti spem facit Jonas Rhodius septimo excudet cum auctario aliquo. Vernis nundinis prodibunt/ 
volente Christo domino, Miscellanea nostra me die a, anno aetatis meae quarto supra LXX. Habes 
hie breviter decursum vitae Smetianae. Quod reüquum est precor Dominum Jesum Dei filium 
ut utrique nostrum in agnitione et timore sui cum firma fide et spe vitae caelestis, terrenam hanc 
et calamitosam /In qua quidem iam mediocriter pro aetate per Dei gratiam habeo) fini re concédât. 
Foeliciter vale, Vir clariss. Kal. Decemb. 1610. Heidelb. 

Tui studiosiss. . 
Hen. Smetius. 

Mitto tibi vultum meum cum 
atavitis insignibus. 

(Adres) Clariss. doctissimoque viro Domino 
Bonaventurae VuLCANio, professori Graecae 
linguae, amico antiquissimo. 

I+eidae. 



VII. 

Gratissimae mihi acciderunt Vir Ciar.m« literae tuae, quod veteris nostri apudOTTHONEM 
contubernii memoriam refricarent et Smetianae vitae decursum recensèrent. Excideras profecto 
animo me o, mi Smeti; quod inde factum arbitror, quod neque unius scholae, neque unius classis 
essemus, eamque ob causam minus familiariter alter altero uteremur. Agebat turn temporis etiam 
apud Otthonem quidam Petrus Vulcanius, claudus si bene memini, sed nulla affinitate mihi 
coniunctus. 

Reliquorum condiscipulorum, quorum mentionem facis, memoria adhuc animo meoinhae- 
ret, praeterqaam P. Preisii, N. Charidionii, Verhagiorum fratrum et Corputii. Ex aliis velim 
scire an aliquis etiamnum sit superstes, et ubi locorum degat. E script is tuis nihil quod sciam 
vidi praeter Poemata anno 1594 édita. Miscellanea medica, si vernis hisce nundinis prodibunt in 
lucem, fac quaeso ut ea videam. Effigies tua mirifice mihi placuit, ut et epigramma cl. v. Jani 
Gruteri generi tui, in quo optime expressa est pietas et modestia tua singularis, quam muta 
etiam imago tua repraesentat. Certe in ea tô xóttfufo »ou xorf intttxU sese intuentium animis insinuât. 
Ex ea video te anno uno et die uno me esse maiorem. Natus enim sum An. 1538 Junii die 
trigesimo. 

Deus te quam diutissime prospéra valetudine truentem conservet. Ego iam quadriennium 
totum cum gravissimis morbis conflict or, quorum longa enumeratione quid attinet tibi fastidiiim 
creare. Summa haec A : visum, auditum, manus, pedes ac latera omnia esse valde imbecilla, 
ut ad omnes corporis functiones sim fere axj&fa« et per XIV menses pedes cubiculo aut certe 
domo non extulerim, adeo ut mirum non sit rumores passim sparsos me pluribus additum. 

Bene, vale vir Clarme. et me amicissimis Uteris tuis interdum, quod commodo tuo fiat, 
recréa. Erit id mihi longe quam gratissimum. 



i) Vulcanius vergezelde Marnix als secretaris naar den Rijksdag te Worms. Een brief van Marnix 
van 18 Mei is te Frankenthal geschreven. Oeuvres ed. Lacroix, Corresp. p. 344. 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMETIUS. 38 

Cl. V. domino Jano Grutero genero tuo multam quaeso ex me salutem dicito ; cui nunc 
temporis non scribo quod quae de me scire cupiet commodius pleniusqae e Bonaventura 
ZiSENDRlO cognoscet. Significa etiam quaeso me vehementer exspectare nom ad literal meas 
quas ei superioribus nundinis ad H. Petri Herdesianum curandas miseram, responsi aliquid 
allatum sit 

Receperat (uti ad me scripserat G RUT ER us) id negotii in se Clar. D. Freherus, ex quo 
velim resciscat, quid uteris meis, quas ad Herdesianum scripseram factum sit simulque roget, ut 
ad literas etiam meas respondere dignetur. Iterum vale. 

Lugd. Batavorum 18 Martii 1611. 

Tui studiosiss. 

B. VULCANIUS. 

(Adres) Amplissimo Nobilissimoque Viro, Dno. 
Henrico Smetio 111=" Principle Electoris 
Palatini Medico etc. amico antiquissimo. 

Heidelbergam. 

VIII. 

Literas tuas amicorum antiquissime 18 Martii ad me missas accepi, quae mihi acciderunt 
onge gratissimae, eo quod tum a te venire nt, turn rerum tuarum statum praesentem déclara - 
rent: qui licet subtristis esset, propter senectutis incommoda, variarumque corporis partium 
functiones oblaesas (neque enim temere dictum est: foßoü tö y»}/***, où y&p ipxercu /*óvov, quod 
Elegiarum mearum lib. I, elegia 2 l ) adolesce ntu lus explanabam) placuit tamen hoc quod visitationem 
Domini te patienter ferre videam. Delectionem enim Dei inde colligere licet, sicut docet Salomon 
Prov. 3 v. 11 : „Eruditionem Jehovae fili mi, ne spernito, neque taedeat te correctionis eius. 
Nam quem diligit Jehova, corrigit, et quidem ut pater filium, cui bene vult" : Imo Jobus 5 v. 17 
inquit: „Ecce beatus est mortalis, quem arguit Deus, quapropter castigationem omnipotentis ne 
spernas." His consentit epist. ad Hebraeos 12 v. 6. Imo ipse Dominus Apoc. 3 v. 19 ait: »Ego 
quos amo, arguo et castigo. Aemulare igitur (inquit ecclesiae) ac resipisce." Sunt enim trans- 
gressiones nostrae et delicta iuventutis, quae virgam Domini provocarunt. 

Ad veteres condiscipulos nostros quod attinet, qui sub ferula Otthoniana quondam nobiscum 
studuerunt, neminem putem superesse" praeter Michaelem Verhagium, dominum de Maera, 
mihi aequaevum Antverpiae, qui ut adolescens solebat, ita adhuc in Parnasso versari non desinit. 
Vivit quoque etiamnum Jacobus Verhagius, eiusdem frater minor, sed Mercurio magis quam 
Musis aut Minervae deditus. 

Restât praeter hos Carolus Battus, Levini frater, medicinae licentiatus, vir se Dtuagenario 
maior, artem Amstelodami factitans. Dubito an Lucas Mai ardus inter Embdanos adhuc, sim ul 
et Tayardus vitam agant. Nullos praeterea novi. 

Prosodia mea, quae Syllabarum dipbtbongas et positione carcntium quantitates, sola vete- 
rum Poëtarum authoritate, adductis exemplis demonstrat iam septimo chartis 44 excusa et 
quidem cum mantissa prioribus editionibus auctior, prostat apud Jon am Rhodium Francofurti, 
exemplaribus supra duo millia rursus impressis, quorum ante ab anno 1599 ad octava millia 
distracta fuerunt, scholasque totius Europae Latinas adiverunt. 

Miscellanea medüa, typographo aliis laboribus pluribus occupato, vernarum nundinarum 
spem quidem frustrarunt, prodierunt tamen his autumnalibus in publicum, chartis quinquaginta 
forma octava, charactere minutiore quam optassem. Horum exemplar unum ad te mittendum, 
chartopratae Leidensi ut tradatur, mandavi : varietate rerum utilium lectorem, rei medicae imprimis 
studiosum delinitum iri spero. 



I) J*vcnilia t se ged. p. 45. 
Oud-Holland, 1908. 



84 



BRIEVEN VAN BON. VULCANIUS EN HENR. SMET1ÜS. 



De Tftletudine cum mea, tum meorum, non est (singulari Christi Jesu benignitate) quod 
conquerar, si ingravescentem aetatem excipias ; manus enim minus firmae ad scribendum, pèdesque 
minus robusti ad procul ambulandum. Oculi auresque mediocriter officium faciunt Memoria tarnen 
labascit. Praelegi nihilominus per aestatem auditoribus. 

Ad Herdesianum quod spectat respondet Gruterus, sibi a Frehero de responso Hxbdesiani 
ad literas tuas nihil indicatum. 



His vale Tir clariss. Heidelb. 14 Septemb. 161 1. 



(Adres) Clariss« doctissimoque viro, domino 
Bonaventuras Vulcanio amico veterrimo. 

Leidae. 



Tui studiosi**. 

H Smbtius. 




HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS 
TE AMSTERDAM 



DOOR 

A. W. WEISSMAN. 




E stadsgeschiedschrijvers van Amsterdam melden, dat 
zoowel het Tuchthuis aan den Heiligeweg als het Spin- 
huis aan den Oude Zijds Achterburgwal in 1595 zijn 
ingericht. 

Slaan wij nu de zoogenaamde „Kroniek van Staets" 
op, die door wijlen Mr. N. DE ROEVER in 1886 voor 
het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap werd uit- 
gegeven, dan vinden wij, op het jaar 1595, dat „gemaeckt 

het Tucht-huys is". Van het Spinhuis wordt echter niet gesproken. In 1603 

is, volgens diezelfde bron: 

„Mee noch ghemaeckt daerbij het Nieuwe Tuchthuys sterck, 
„Daer rijcke boeven sijn, doch bnyten last en werde." 

En dan volgt in 1604: 

„Met noch het Spi 
„Daer mannen wet 

Deze laatste mededeeling werd door Mr. -de Roever als onjuist beschouwd 
„omdat Wagenaar bewijzen kon en ook bewezen heeft, dat wat Staets hierop 
n het jaar 1604 bracht, in 1597 had moeten geplaatst worden." 



„Met noch het Spinhuys sterck voor qna-geschickte vrouwen, 
„Daer mannen weten aen te setten geene mouwen." 



86 HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS TE AMSTERDAM. 

PONTANUS zegt, dat het klooster van Sinte Ursula in 1595 als Spinhuis 
werd aangewezen „en een groote menighte van meysjes daerin gebracht» die 
„langs de straeten liepen en schooyden, alsoock vrouwspersonen van slechten 
„wandel." Zij werden „geset aan vlas en wol te spinnen, netten breyen en ander 
„slagh van werck." 

Hieruit schijnt men te mogen opmaken, dat er aan het oude klooster 
aanvankelijk niet veel veranderd is. De mogelijkheid bestaat evenwel, dat op den 
duur vertimmering niet kon uitblijven en dat die, gelijk Staets zei, in 1604 heeft 
plaats gevonden. 

Doch onder de brieven, die PlETER CORNELISZOON HOOFT afschreef, eer 
hij ze verzond, komt er een voor aan den Stadssteenhouwer Mr. HENDRIK 
DE Keyser te Amsterdam. De inhoud is als volgt. 

„Constrijcke, vernaetnde ! 

„Omt wijdt verschil van de sinnen der menschen mach men niet 
„hopen, hun allen te vernoeghen. Ende de wackerheit vant lasteren verdooft 
„lichtelijck de flaeuheit vant looven, wanneer 't, schoon niet heel, achterblijft. 
„Daerom ben ick schuw van mijn gevoelen te pronck te setten ende misse 
„liever den naem, dan dat ick 't avontuer van de opspraeck hebbe. 

„Evenwel moet ick UE. believen, soo beroemde Constenaer, eere van 
„mijn Vaderlandt, 't welck bij de nasaten UEs. wercken sal gebruicken tot 
„de voornaemste getuigen van sijn tegenwoordich geluck. Daerom, desen 
„avont UEs. schrijven ontfangen hebbende, is mijn eerste zorg geweest, yets 
„te bedencken, passende op de beelden ende de naeme CASTIGATIO, die 
„ick mené, dat UE., door onkunde- van 't Latijn, wat qualyck in synen 
„brief gespelt hadde. 't Welck ick aenwijse, opdat UE. (die mij dit ten 
„goede houde) of misschien die naem moeste uitgehouwen weesen, daerin 
„niet en dooie, maer gebruicke deselve letteren ende onderscheiteeckenen 
„die ick in dien naem ende dese bijgevoechde versen gebruicke. Maer ick 
„meen volkomenlijck, dat CASTIGATIO op onze tale STRAFFE genoemt 
wordt. De verzen worden gesproken van het vrouwebeeld. 

„Dan, men sal er licht elders beter becomen. Sooveel is 't, dat UE. 
„siet, ick en maeck mij niet tsoecke, om hem in een cleene saecke te dienen, 
„met de zelve geneichtheit, die ick gaern in groter bewese. Zijt Gode bevolen. 

„UE. Toegedane 
„Leyden, 3 April 1607. P. C. HOOFT. 

„SCHRICK NIET: ICK WREECK GEEN QUAET:MAER DWING TOT GOEDT. 
.STRAF IS MIIN HANDT, MAER LIEFLICK MIJN GEMOEDT." 



HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS TE AMSTERDAM. 37 

De brief, waarop deze een antwoord is, bleef niet bewaard. Blijkbaar had 
DE KEYSER aan HOOFT, toen student te Leiden, een schets gezonden, waaronder 
CASTIGATIO stond, echter niet goed gespeld. Die schets moet slechts één 
vrouwebeeld hebben vertoond, daar de dichter aan deze vrouw de woorden van 
zijn vers in den mond legt. 

Men heeft gemeend, dat het opschrift bestemd was, om onder het reliëf 
boven de poort van het Spinhuis, dat nu nog boven een poort van het Werkhuis 
te zien is, te worden uitgehonwen. 

Doch PONTANUS zegt (in de Nederlandsche „Historische beschrijvinghe der 
zeer wijt beroemde coopstad Amsterdam", welke in 1614 bij JODOCUS HONDIUS 
verscheen) dat het volgende vers bij den ingang van het Spinhuis gelezen werd. 

„Om schamele Meyskens, Maegden en Vrouwen 
„'t Bedelen, leech-gaen en dool-wech te schouwen 
„Is dit Spinhuys gesticht, soo men hier zien mach; 
„Elck laet sich niet verveelen noch rouwen, 
„Wt charitaet hier aen de handt te houwen : 
„Wie weet, wat hem ofte sijn noch geschien mach." 

In 16 14 stond HOOFTS gedicht dus niet boven de poort. En het is zelfs 
twijfelachtig, of die poort, welke nu toegang geeft tot het Hoofdbureau van 
Politie, toen reeds bestond. Want in haar sluitsteen is het jaartal 1645 uitge- 
houwen, zoodat zij gemaakt moet zijn, toen het gebouw na den brand van 1643 
vernieuwd werd. 

Dapper zegt in 1663, nadat hij de regels van het door Pontanus ver- 
melde gedicht als „geplaetst boven de deur van 't oude Spinhuis" heeft genoemd, 
van het herbouwde gesticht het volgende. 

„Verre overtreft dit nieuwe gebouw het oude in menighte van ver- 
„trecken, cierlykheit van werck en al andere noodige behoeftigheden. In dit 
„huis, dat van de straet af ingaet, gaet men door een groote witte gehouwe 
»stene poort, die ter wederzijden met Romainsche kolommen bezet is. Boven 
„den ingang, in de voorkap, ziet men de tuchting door twee tuchtelingen en 
„een ander vrouw in 't midden, die een der tuchtelingen kastijt, in marmer 
„uitgebeeld. De Heer P. C. HOOFT paste op dit kastijden twee verzen, die 
„in guide letteren daer onder aen staen." 

Dapper geeft dan Hooft' s gedicht, dat ook door alle latere stadsbeschrij- 
vers vermeld wordt. 

Uit dit alles valt af te leiden, dat de poort van 1645 moet zijn, en dat 
toen ook het relief en het gedicht werden aangebracht. 



» HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS TE AMSTERDAM. 

De stijl van de poort is echter niet die, welke toen algemeen hier te lande 
in zwang was, en die ook voor het vernieuwde Spinhuis was gebezigd. Jacob 
vak Campen had de klassieke vormen van Palladio in den smaak gebracht, 
terwijl Hendrik de Keyser zich van de meer grillige motieven der Florentijnsche 
kunst na MICHELANGELO had bediend. 

De poort van het Spinhuis moet in 1607 door HENDRIK DE KEYSER ont- 
worpen, doch niet uitgevoerd zijn. Dit ontwerp, met den brief van HOOFT, zal 
Pieter DE Keyser, Hendrik' s oudste zoon, gevonden hebben onder „alle de 
modellen, patroonen, papieren, teyckeningen ende bootseersels", welke hij van 
zijn vader in 162 1 had geërfd. En toen nu in 1643 het gebouw vernieuwd moest 
worden, zal PlETER, als stads-steenhouwer, het ontwerp hebben uitgevoerd. Mogelijk 
vond hij zelfs het model van het relief onder zijns vaders nalatenschap. 

PlETER de Keyser was geen man van groote gaven, al gold hijtusschen 
1621 en 1645 als de beste beeldhouwer der Nederlanden. Men behoeft maar de 
graftombe van PlÊT Hein te Delft te beschouwen, om zich hiervan te overtuigen. 
Een poort als die van het Spinhuis zou hij niet hebben kunnen ontwerpen, 

In 1788, toen het Spinhuis werd opgeheven, is het relief uit de poort 
genomen, en heeft men het boven een deur in den muur om het Nieuwe Werk* 
huis geplaatst. De verzen van H OOFT werden er, doch in 1 8c eeuwsche spelling, 
onder uitgehouwen. 

Ik meen te hebben aangetoond, dat de poort van het Spinhuis niet van 
1595, 1597 of 1607 is, maar dat zij van 1645 dagteekent en door PlETER 
DE KEYSER, naar een bewaard gebleven ontwerp van zijn vader HENDRIK, is 
uitgevoerd. 

De poort van het Tuchthuis aan den Heiligeweg werd tot dusver als 
door Hendrik de Keyser in 1595 gemaakt beschouwd. 

Maar PONTANUS spreekt van die poort niet, hoewel het toch moeilijk valt 
aan te nemen, dat het zoo karakteristiek relief en het opschrift „Virtuti est domare 
quae cuncti pavent" de aandacht van dezen geleerde, die in het Latijn schreef, 
zouden zijn ontgaan. 

PlETER CORNELISZOON HOOFT teekende aan, dat hij 28 Mei 1630 de 
spreuk in Seneca's werken had gevonden, en haar dien dag dus vertaald had: 

„Hetgeen, daer alle man om swicht 
„Te temmen is manhaftheitsplight." 

HOOFT zou dit niet vermeld hebben, als reeds sedert 1595 de woorden 
boven de poort van het Tuchthuis hadden gestaan, waar hij ze ongetwijfeld wel 
had moeten opmerken. 



HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS TE AMSTERDAM. 39 

In het voorjaar van 1630 was de Drossaart bezig met het bouwen van 
bet portaal op de binnenplaats van het Muiderslot, welk portaal men onlangs 
heeft gesloopt, omdat het niet „in stijl" werd geacht. PlETER DE KëVSER leverde 
steenhouwwerk voor dit portaal, en de brieven van HOOFT maken melding van 
een verschil, dat ten slotte over deze levering ontstaan is. 

Het is zeker niet gewaagd te veronderstellen, dat PlETER DE Keyser in 
1630 met de poort van het Tuchthuis bezig was, en daarvoor een opschrift noodig 
had, waarom hij Hooft verzocht. De Drossaart ging zoeken en vond in Seneca 
iets geschikts, hetwelk hij, met een vertaling, aan PlETER gaf, die het in de 
poort beitelde. 

Is nu het ontwerp dezer poort van PlETER de Keyser afkomstig? Dat 
men lange jaren dit werk aan Hendrik heeft toegeschreven en de uitvoering 
in 1595 plaatste, bewijst uit den aard der zaak niets. Maar wanneer wij beden- 
ken, dat de bekroning van de poort geheel beantwoordt aan wat door HOOFT 
in 1607 aan Hendrik DE Keyser werd geschreven, dan rijst toch de vraag 
of ook dit werk niet in 1607 zal zijn ontworpen, ofschoon het pas in 1630, ten 
deele zelfs nog veel later, tot uitvoering kwam. 

Het woord CASTIGATIO is onder de bekronende groep uitgehouwen, die 
uit één vrouwebeeld en twee mannenbeeiden bestaat, terwijl het reliëf van het 
Spinhuis drie vrouwenbeelden vertoont, en derhalve niet met Hoofts woorden 
overeenkomt, daar deze spreekt van „het vrouwebeeld". 

Nu geeft echter de oudste afbeelding van de Tuchthuispoort, die van 1663, 
welke bij Dapper wordt gevonden, geen bekronende groep, maar een fronton 
te zien, waarop het stadswapen tusschen twee kruipende leeuwen is aangebracht. 
Op de kaart van Balthazar Florisz. van 1625 kan men door de verkorting, 
waarin de huizen aan den Heiligeweg moesten worden geteekend, den toegang 
tot het Tuchthuis slechts onduidelijk als een klein gebouwtje onderscheiden, 
waarvan echter geen onderdeelen zijn waar te nemen. 

Dat de afbeelding van 1663 onjuist zou zijn, schijnt niet wel mogelijk, en 
daarom moeten wij aannemen, dat de groep later is aangebracht. Maar ieder 
deskundig beschouwer ziet, dat die groep niet den stijl van de tweede helft der 
170 eeuw vertoont, en zóó uitmuntend bij het benedendeel past, dat poort en 
bekroning door één meester moeten zijn ontworpen. 

Het meest waarschijnlijk komt het mij voor, dat het geheele ontwerp door 
Hendrik de Keyser in 1607 is gemaakt, en dat deze kunstenaar toen de 
bedoeling had, het gedicht van HOOFT in de fries aan te brengen. De uitvoering 
moet toen echter achterwege gebleven zijn, al waren wellicht reeds modellen 
gemaakt. 



40 HET TUCHTHUIS EN HET SPINHUIS TE AMSTERDAM. 

In 1630 zal Pieter DE Kevser als stadssteenhouwer de poort hebben 
gebouwd, echter met veranderde bekroning. . ; 

Den 25 April 1662 werd Thomas DE Keyser, HENDRIKS meest begaafde 
zoon, (die als steenhouwer opgeleid, tusschen 1620 en locals schilder schitterde 
en na dien tijd weer den beitel in de plaats van het penseel ter hand nam) tot 
stadssteenhouwer aangesteld, 'wat hij tot zijn dood in 1667 gebleven is. Beeld- 
houwwerk van zijn hand kennen wij niet. Doch zou hij niet de man geweest 
zijn, in staat om de groep, die zijn vader op de poort van het Tuchthuis bad' 
willen aanbrengen, en die boven de krachten van Pieter ging, te beitelen? Ifc 
geloof van wel. 

Men heeft soms Bartholomeus Eggers als den beeldhouwer aangezien. 
Doch het werk van dezen Amsterdamschen meester, in den Haag en te Berlijn 
aanwezig, vertoont een geheel anderen stijl dan onze groep. Ook iemand uit dé 
school van QUELUNUS kan de beelden van het Tuchthuis niet hebben vervaar« 
digd. In de Burgerzaal van het Stadhuis is de stedemaagd, ofschoon, zij ook 
zittend werd afgebeeld, een gansch ander type, dan men op den Heiligeweg ziet .« 

Er blijft ondertusschen nog een andere mogelijkheid, en wel, dat de groep, 
reeds door HENPRIK DE Keyser begonnen, onvoltooid in den stads-steentuin 
bewaard is gebleven, en, toen in 1663 deze inrichting wegens de vergrooting 
der stad van de Leidschegracht moest verhuizen, afgemaakt en op de poort r 
waarvoor zij bestemd was, is geplaatst. Dan zou THOMAS DE KEYSER alleen» 
het voltooien voor zijn rekening hebben. 

Welke van deze beide veronderstellingen de juiste is, kan niet uitge- 
maakt worden. I 

Misschien worden later ontdekkingen gedaan, die ons in staat zullen stellen- 
het vraagstuk op te lossen. 





(I 
c 

e 
(I 



< 
fr 



JAN MIENSE MOLENAER. 

Nieuwe gegevens omtrent zijn leven en zijn werk 



DOOR 

A. BRED I US, 




I. 



j OEN ik met BODE in de „Jahrbücher der Preussischen 
Museen" en later in het laatste deel van Obreen's Archief 
een aantal bizonderheden over het leven en het werk van 
dezen merkwaardigen schilder mededeelde, kon ik niet 
vermoeden, dat ik nog eens in staat zou zijn, een minstens 
even groot aantal nieuwe documenten over hem aan het 
licht te brengen. 

De Haarlem'sche Archieven hadden echter hun 
laatste woord nog niet over hem gesproken, en de Inventaris van des schilders 
nalatenschap was een vondst, die ons veel nieuws brengt, zoowel over hem al 
over zijn begaafde wederhelft Judith Leijster. 

Terwijl ik mij voorneem, in een volgende aflevering een reeks van archi- 
valia aftedrukken, wil ik heden alleen een korte toelichting geven bij de drie 
platen naar groote, belangrijke, maar minder bekende werken van den kunstenaar. 
Vele jaren geleden deelde FRANKEN mij mede, dat te Parijs in den handel 
was eene zeer groote schilderij van MOLENAAR, met diens monogram IMR en 
ANNO 1629 gemerkt, 

Er werden pogingen in het werk gesteld, om het door het Museum van 
Haarlem te doen aankoopen, die mislukten. Later kwam deze schilderij in 
Oud-Holland, 1908. 6 



42 JAN M1ENSE MOLENAER. 

veiling te Keulen en werd toen door Freiherr Heyl ZU Hernsheim te Worms 
voor een aanzienlijke som aangekocht. Het stuk werd te Düsseldorf tentoon* 
gesteld (1904). De afbeelding maakt eene beschrijving van dit fraaie doek, dat 
1.08 m. hoog en 1.29 m. breed is, overbodig. 

Meer dan ooit ziet men op deze schilderij, hoe sterk Hals' invloed zich 
in de vroegere werken van Molen AER openbaart. Hij heeft goed van zijn meester 
afgekeken hoe hij het lachen schilderen moet : drie van zijne jongelui lachen 
met open mond. Het is nog wel niet de schaterlach van Hals, maar vooral de 
leuke glimlach van het meisje rechts is uitstekend geslaagd. Een dergelijke 
schilderij met lachende kinderen, die ik ook op een Keulsche veiling zag ver- 
koopen, bevindt zich thans in de Verzameling WiDENER te Philadelphia en draagt 
Molen aer' S monogram. 

In het Museum te Innsbruck hangt (onder N°, 606) als FRANS HALS een 
groot doek (1.05X *-39) dat dien grooten naam ten onrechte draant Dit meende 
ook Dr. Hofstede de Groot, toen hij op een kunsthistorisch congres in die stad 
(1903) het vermoeden opperde, dat deze schilderij van iemand uit de omgeving 
van Hals was, maar die meer gewend was kleine schilderijen te maken. 

Inderdaad is dit m. i. het geval, want Jan Miense MOLENAER moet het 
geschilderd hebben. Het meisje herinnert zeer sterk aan de juffrouw voôr de 
clavecimbel in de verzameling VAN DER Hoop. (Dat stukje komt voor in MOLE- 
NAARS nalatenschap !) Ook de kleur is geheel dezelfde als op het stuk in de Ver- 
zameling Heyl. Men ziet aan alles, dat MOLENAER geen portretschilder was; hij 
is nog ver van de ongedwongenheid, losheid van zijn meester. De details zijn 
even goed en fiksch geschilderd als op de ^yroolijke maaltijd" te Worms; zelfs 
zien wij op beide stukken precies dezelfde tinnen kan. 

Het treft ons bizonder, hoe sterk deze brave Haarlemmers „geposeerd" 
hebben, stuk voor stuk. Later zou Molenaar een grooter gemak verkrijgen in 
zijn schilderen. Maar er is, de jeugdige leeftijd van den schilder in aanmerking 
genomen, al heel wat knaps in deze groep. 

Deze beide stukken behooren tot de grootsten, die MOLENAAR geschilderd 
heeft, en al die omvangrijkere werken stammen uit zijn vroegsten tijd. 

Uit dien tijd, toen hij nog te Haarlem zijne Loterijen hield, en uit zijne 
laatste levensdagen, toen hij zijn buiten te Heemstede en zijn huis te Amsterdam 
bezat, hoop ik weldra allerlei belangrijks mede te deelen. 1 ) 



>) De Heer Kronig maakt er mij opmerkzaam op, dat de schilderij in 's Rijks Museum, vroeger aan den 
jongen Frans Hals toegeschreven, nu : Anoniem meester der Hollandsche School, No. 107 van den Catalogus, 
waarschijnlijk een vroeg werk van Molefaer is. Een der lachende jongens komt bijna precies soo voor op 
het stuk bij den Heer Widener. 




ja 
a. 

•a 

x: 
Gl 

oc 

ÜJ 

z 

O 



ÖD 



E 
ca 

a> 

> 



CL 
LU 

O 

LU 
Q 
2 



3 

2 
LÜ 

-J 

O 

LU 
C/) 

2 
LU 



2 

< 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN 
JAN VAN HOUT 

DOOR 
Dr. PRINSEN J.Lzn. 




éijn onderzoek naar het leven en de werken van Jan YAN 
HOUT bracht er mij yan zelf toe, nu wetswijziging ons 
daartoe de gelegenheid biedt, kennis te maken met 
van HOUTS notarisprotocol. Met de meeste bereid- 
willigheid heeft de Heer Algemeen Rijksarchivaris Jhr. 
M r . van Riemsdijk het gedurende een paar maanden 
in het Nijmeegsch Archief doen deponeeren, waar de Heer 
van Schevichaven mg met zijn gewone welwillend- 
heid in staat stelde de beide deelen, waaruit het bestaat, rustig te onderzoeken. 
Deel I is een perkamenten band Op den rug staat „Johan van Hout 1573 — 
1589." Tusschen de bladen ligt los een strook, waarop „N°. 2674." De bladen liggen 
thans voor het grootste gedeelte los, maar vroeger zijn ze ingebonden geweest; 
ze zijn in later tijd met potlood genummerd van 1 tot en met 530, enkel aan de 
voorzijde. Van deze nummering zal ik bij volgende aanhalingen gebruik maken. 
Bovendien zijn er nog sporen van verschillende oude pagineeringen, zoodat men 
besluiten ynag, dat verschillende folianten later tot één geheel zijn vereenigd. Er 
zijn er stellig twee geweest : één bevattende met duidelijke nette hand door een 

6« 



44 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

klerk geschreven copieên van de verschillende acten uit de eerste jaren van 
VAN Houts notarisschap, in chronologische volgorde, en een ander, bevattende 
oorspronkelijke acten, dikwijls van de hand van VAN HOUT zeit Die copieen 
hebben een afzonderlijke pagineering gehad en de oorspronkelijke acten ook. 
Nu zitten beide bundels door elkaar gebonden, voor zoover er nog van gebonden 
zijn gesproken kan worden. 

De copieen heeft men in VAN HOUTS tijd in strijd met de tegenwoordige 
opvatting, die, naar een deskundige mij meedeelt, juist in de verzameling van 
de oorspronkelijke acten het protocol ziet, als protocol beschouwd. Immers bij 
verschillende oorspronkelijke acten staat met de hand, die de copie maakte, 
9 Es geprotocolleertV 

Wanneer men de oude pagineeringen zoo goed en zoo kwaad als het 
gaat controleert, dan blijkt dat er gedeelten, soms geheele katerns verdwenen zijn. 

Het boek begint met een copie van de „Opene lettere van commissi/ \ 
waarbij Willem van Oranje van Hout op zijn verzoek aanstelt tot notaris, 
dato io Maart 1573 te Delft. 1 ) Daarna volgt een copie van de „Acte van 
admissie van den Hove van Holland?* etc. 

Van Hout deed in handen van „Mr. Adriaen van DER HOUFF, raedt 
ordinaris van den voorsz. hovJ\ den eed aan den Koning van Spanje als graaf 
van Holland, aan den prins, als Zijner Majesteits stadhouder, en aan de raden 
van Holland, Zeeland en Vriesland. De plechtigheid had plaats 28 Maart 1573 
te Delft. Reeds den volgenden dag maakte VAN HOUT zijn eerste testament, 
dat van zekeren Heyman DlRCXzn van Sancten. Zoo loopen de copieën regel- 
matig door over 93 uniforme bladen van 29 Maart 1573 tot 1 September 1573 
de copieën van 20 tot ultimo April over dit jaar ontbreken; deze besloegen een 
geheel katern en zijn er oorspronkelijk wel geweest, want op die plaats springt 
de oude pagineering over van XVI op XXXIII. 

Dan volgen van blad 94 tot 301 een reeks oorspronkelijke stukken in allerlei 
afmetingen. Ze loopen van 3 April 1573 tot 27 October van datzelfde jaar en 
zijn grootendeels daarvóór reeds in copie aanwezig, wat een zegen is, want de 
de hand van van Hout, vooral in deze akten, nadert vaak het onleesbare. 

Tusschen deze reeks van 1573 vond ik echter van blad 189 tot 241 een 
bundel stukken uit veel later tijd van verschillende jaren in de meest wanordelijke 
opeenvolging. Hij zal op deze plaats wel niet oorspronkelijk gebonden zijn geweest. 

Tusschen 205 en 206 zijn weer bladen weg. 

Na f° 301 heerscht verder volkomen wanorde; de stukken gaan niet tot 1589 



1) Zie Jaarboekje voor het Notaris-ambt, zevende jaargang 1874, p. sax, waar J. M. E. Dercksen 
deze aanstelling meedeelt. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 45 

zooals men vermoeden zou, maar er zijn er verscheidene van de jaren 1600 tot 
1609 zelfs en daar tusschen door komen nog soms weer acten van 1573 of 74, 
zoo b.v. fo. 353, fo. 392 vlg. 

Ook komen nog weer herhaaldelijk bladen voor gelijk aan de eerste 91 
van denzelfden copiist, de oorspronkelijke bescheiden volgen dan soms weer later. 
Zie b.v. fo. 396 en 405; 397 en 406; 399 en 410, alle stukken uit de eerste jaren 
van VAN HOUTS notariaat. 

Bij het oorspronkelijke testament van MEES Havicx, ten tijde van het 
beleg na de bekende verwonding gemaakt, 5 Augustus 74 (fo. 408) staat met 
de hand, die de copîeôn maakte: ^In tnieuwe protocolbouck gestehen", terwijl de 
copie op fo. 399 voorafgaat. 

Ook dit steunt ons in het vermoeden, dat deel I in den vorm waarin we 
het thans bezitten niet door VAN HOUT is aangelegd, maar dat het na zijn dood 
in handen van vandalen is gevallen. 

Tusschen fo. 401 en 402 zijn dertien bladen weggesneden. Stukken van 
de jaren 1579 tot l S$9 z Ü n er slechts zeer weinige. Trouwens zoo gauw we 
met het tweede deel van het protocol kennis maken, blijkt nog des te duidelijker, 
dat VAN HOUT alleen in de allereerste jaren van zijn notariaat zijn ambt druk 
vervuld heeft. Dan maakt hij bijna dagelijks acten, later soms één, twee of 
drie per jaar. 

Het karakter van dit tweede deel is geheel anders. Het bestaat uit nog 
behoorlijk bij elkaar gebonden bladen van gelijke grootte; slechts hier en daar 
is een vel tusschengevoegd. Het is bepaald als protocolboek aangelegd en ge- 
leidelijk volgeschreven. Het geheel is ingenaaid in een vel perkament. 

Wanneer een enkele maal eenigszins van de chronologische orde is afge- 
weken, wordt dat behoorlijk genoteerd, zoo b.v. op 88 vo 98 ro etc. 

Op den rug staat „1583 tot 1609" en daar boven „Jan van Hout." Bijna 
het geheele boek is door dezelfde gelijkmatige hand geschreven. Is men er 
eenmaal aan gewend, dan is ze goed leesbaar. Is het de hand van van Hout 
zelf, wat ik niet onwaarschijnlijk acht, dan heeft hij zich hier merkwaardig goed 
tot netheid en regelmaat weten te dwingen. Op de eerste pagina staat een 
definitie van testamentsoorten: „Tria veteribus fuere testamentorum genera" etc. 
daarna komt op 15 bladen een alphabetisch register op het geheele deel, dat 
thans begint met het volgende: 

Hout IIcXLI gequoteerde bladeren. 

Protocolle ter notariale acten verleden voor my Jan van Hout, be- 
gonst dezen XXIIIen Aprilis XVc LXXXIII stylo novo (veroorzaect deur 



46 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

de verminderinge der tien dagen in Januario voorleden geschiet) zedert 
wekken tflt ie mijn voorgaende zegel, twelck ie in wassche dructe, verlaten 
en de instrumenten bezegelt hebbe mit tnaervolgende teyeken, twelck ie zonder 
wassche daer op slae, ende geeynd den 3 Juli 1609." 

Deze datum is later ingevuld. De laatste acte is echter van 13 Juli 1609. 

Het zegel van VAN HOUT, dat volgt, is VAN HoüT's wapen, gevierendeeld, 
1 en 4 met een band, 2 en 3 met een zwaan. Boven het wapen staat een helm 
en daarop een zwaan. 

Verder staat op die pagina het formulier waarmee VAN HOUT zijn acten 
begint en sluit, en zijn officieele handteekening, die aanmerkelijk verschilt met 
die van vóór 1583. Daarna begint van HOUT pas zijn pagineering, in romeinsche 
cijfers. Waar er bladen tusschen gevoegd zijn, dragen die het cijfer van de vooraf- 
gaande pagina en a, b, c etc. Bovendien is het boek nog met potlood op ieder 
blad genummerd in later tijd, te beginnen met het eerste blad. 

Deze laatste pagineering zal ik in het volgende gebruiken. In het boek 
ligt een losse strook met „No. 2452". De meeste stukken uit deel I van na 1583 
komen ook voor in deel II, zooals te verwachten was. Toch niet alle; zoo vind 
ik b.v. in deel II niet de huwelijksvoorwaarden van den bekenden landmeter 
JAN PlETERSZOON DOU en JOSINA DE SADELAER van 16 April 1607, die in 
deel I op fo 333 ro. voorkomen. Ze alle te vergelijken is niet doenlijk door de 
wanorde in deel I. 

In deel II komen maar vier acten voor van 1581, slechts drie van '88, 
één van 1590. Blijkbaar heeft VAN HOUT, als we ten minste aannemen mogen, 
dat deel II het tamelijk volledig protocol over de jaren 1583 — 1609 bevat, in 
later jaren slechts bij hooge uitzondering zijn notarisschap uitgeoefend, een enkele 
acte voor Burgemeesteren of Curatoren, een enkel testament of huwelijksvoor- 
waarden voor goede vrienden of bekenden, als DOUZA en PLANTIN of voor een 
cliënt, waar een stevige duit aan te verdienen was. 

Ruim een derde, misschien de helft van al de stukken is uit het jaar 1573. 
Van HOUT moest toen geld verdienen. In Januari had hij reeds vergeefs om 
het secretarisschap gevraagd, in Augustus werd hij eerst benoemd en op een 
jaargeld van 80 gulden. In dat jaar 73 maakt hij tal van kleine testamentjes 
en inventarissen, regelt allerlei erfeniskwestietjes en — wat van het hoogste 
belang is, — maakt allerlei attestaties op, die voor de vierschaar dienst moes» 
ten doen. 1 ) 

Notaris van der Wuert te Leiden beklaagde zich, dat hem zonder 



l) Vgl. Deroksen in. hét Jaarboekje van het notarisambt, VII, p. 125. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 47 

vacature een concurrent was gegeven. *), maar ORANJE heeft van Hout blijkbaar 
willen beloonen voor zijn diensten in samenwerking met VAN DER Werff 8 ) 
bewezen, toen Leiden aarzelde om VAN Hout in zijn secretarisschap te herstellen. 

En nu de vraag: Wat is wel de waarde van dit protocol? Is het een 
belangrijke bron voor de kennis van personen en toestanden uit het laatste kwart 
der zestiende eeuw? 

Ik moet eerlijk bekennen, dat de inhoud mij tot op zekere hoogte teleur- 
gesteld heeft. 

Er zijn nog zooveel kunstenaars en geleerden, die tusschen de jaren 1573 
en 1609 te Leiden geboren, getrouwd of gestorven zijn, gekocht en verkocht 
hebben of met de vierschaar in aanraking zijn gekomen, waarvan we nog graag 
allerlei kleine leven s bij zonderheden kennen zouden, uit welke we een vast ge- 
raamte kunnen opbouwen, waaromheen zich hun eigenlijke leven in fleurige kracht 
beweegt. Ik had gehoopt, dat VAN Hout door zijn verkeer in den kring dier 
menschen de persoon geweest zou zijn, die als van zelf gekozen werd om al die 
zaakjes des dagelijkschen stoffelijken levens in orde te brengen en dat we daar- 
door in zijn protocol heel wat vinden zouden, dat we met grage hand zouden 
aangrijpen om het als vaste punten te stellen in de levensgeschiedenis van tal 
van belangwekkende figuren in wetenschap en kunst. 

Nu is de oogst op dit punt wel niet geheel tegengevallen, maar er is toch 
veel minder dan ik verwacht had en wat er is, is soms reeds van elders bekend . 

Er is o. a. het testament van Lipsius en Plantin, vijf testamenten van 
JANUS, Douza. Van verschillende andere, minder beroemde tijdgenooten, profes- 
soren, predikanten, dichters, een paar kunstverzamelaars Knotter, van Byler, 
PORRET zijn er testamenten, huwelijksverdragen, inventarissen of andere officieele 
bescheiden, die hierachter het noteeren waard zullen blijken. Van schilders is 
er zoo goed als niets; enkel komen er in den zeer belangwekkenden inventaris 
van den koopman Daniel van DER MEULEN, dien ik uitvoerig hoop te bespreken, 
een paar schilderijen voor met de namen der schilders en de waarde waarop ze 
zijn getaxeerd. De oorzaak van die teleurstelling wees ik hiervoor reeds aan in 
het feit, dat het notariaat na 1574 voor van Hout steeds meer bijzaak wordt. 

Wie echter in de kleinste bijzonderheden van de Leidsche geschiedenis 
over dè jaren 73 en 74 wil afdalen, heeft in het eerste deel van het protocol een 
kostelijke bron. Van tal van helden en heldjes, van tal van lafhartigen en 
tegenwerkers vindt hij daar allerlei kleine bijzonderheden om hunnen maatschap* 
pelijken staat, familiebetrekkingen enz. vast te stellen. 

*) Dbrcksbn, ibidem. 

*) Mijri boek over van Hout, p. ao vlg. 



48 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Maar er is meer. Zooals ik reeds zei, maakte VAN HOUT als notaris ook 
allerlei verklaringen op, die voor de rechtbank moesten dienst doen. En waar 
we in de Vonnisboeken enz. meestal slechts een zeer beknopt, dor verslag, ver- 
dronken in stadhuistermen, vinden, krijgen we juist in die attestaties soms heerlijke 
kleurrijke, geestige teekeningen van allerlei kleine feitjes, die de toestanden dier 
dagen prachtig verluchten. De personen, wien het aangaat, worden sprekend 
ingevoerd, hun eigen woorden krijgen we te hooren, hun eigen voorstelling van 
de zaak krijgen we te zien. Het protocol wordt daardoor als het ware een 
dagblad, waarin we de faits divers van den tijd te lezen krijgen. 

Daardoor is het protocol hoogst belangrijk. In later jaren heeft VAN HOUT 
het opmaken van dergelijke verklaringen blijkbaar geheel buiten zijn praktijk 
gehouden, alleen voor Burgemeesteren deed hij het nog wel eens. Het gebruik 
om dergelijke attestaties voor een notaris op te maken bleef echter nog lang 
bestaan, zooals mij uit stukken uit andere protocollen gebleken. is. 

Ik heb in dit eerste artikel uit die attestaties bij VAN HOUT een keuze 
gedaan van eenige zooveel mogelijk in aard verschillende interessante gevalletjes 
en daaraan heb ik eenige personalia uit de belangwekkende jaren 73 en 74 
toegevoegd. 

Het lag niet op mijn weg om het protocol te behandelen met het oog 
op de speciaal Leidsche geschiedenis. Om dat te kunnen moet men trouwens 
in of bij Leiden wonen. Wie zich echter wel aan de geschiedenis dezer glorie- 
rijke stad geven kan, zij het protocol over de jaren 73 en 74 bijzonder aanbe- 
volen. Hij zal zich over menige vondst kunnen verheugen. Over de Gaels, 

VAN NOORDENS, BaERSDORPEN, BROüCHOVENS, VAN LOO's, BOLCKEN, DUIVEN- 
VOORDES enz. enz. — ik noem maar eenige namen, die me het eerst in het 
geheugen komen, — vindt hij tal van bijzonderheden. 

Wat er uit het protocol te leeren valt over VAN HOUT en zijn familie, 
kon ik nog in mijn boek opnemen: 10. zijn wonen eerst op de Breestraat, 
daarna in de Nieuwe Stege en de Nonnensteeg; 20. het bestaan van den zoon 
Bartholomeus van Hout 1 ); 30. dat van Horn's vader voorspraak wordt 
genoemd 8 ); 40. dat Jacob VAN Hout, waarvan mij nog steeds de betrekking 
tot de familie onbekend is, lijfschut van Z. F. Genade genoemd wordt. 8 ) 

In een volgend artikel hoop ik voornamelijk eenige personalia mee te deelen 



1) II, fo. 39 v . 

2) I, fo. 73 v°. De vader van van Hout heeft, voor by bij zijn zoon inwoonde, nog in een klein huisje 
n de Plaetsteeg gewoond (zie Pleyte, Leiden voor 300 jaar, blz. 81 en kaart Vla). Ik vergat dit in mijn 

boek te noteeren. 

8) I, fo. 397 ro. Zie ook 388 vo. en 389 vo. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 49 

uit de jaren na 1 574 en dan vooral van menschen, die tenminste eenigszins een 
plaats innemen in de algemeene vaderlandsche geschiedenis van wetenschap, 
kunst, handel enz. 

Ik open de rij met een ^Acte van aentastinge van vier coeyen, gedaen by 
Claes MEESzn" van den Vuythoorn, waaruit blijkt, dat alle boeren, die van 
den moedwil der soldaten te lijden hadden, er nog niet zoo hard aan toe waren, 
als BOUWEN AERTVELT uit van Houts tooneelstuk. Maar we zien er tevens 
uit, en waarlijk niet alleen uit deze acte, dat de kunstenaar VAN HOUT door zijn 
notariaat met een werkelijkheid in aanraking kwam, die hem stof te over bood 
voor die soort kunst, welke hem het meest aantrok. 

De acte is te vinden Dl. I blz. 122 r<> en in copie blz. 18 vo. 

Also CLAES MEESzn, buyerman vanden Vuythoorn, seeckeren tydt voor- 
leden by eenige soldaten, leggende onder Joncheer KAEREL VAN Trello, 
ende eenige andere personen, in gheen dienste synde, directelick jegens den 
innehouden vande brieven van saulvegarde by de f. G. van Orangien die 
vanden Vuythoorn verleent, van date den XVden Februarii voorleden, ge- 
vanckelick es genomen ende van alle syne beesten, moblen ende andere 
goeden met onrechte es gespolieert ende beroeft ende het zyne f. G, belieft 
heeft by syne G. missiven, van date den naestleden Martii voorleden, aen 
den voorsz. Joncheer Kaerle van Trello gedresseert, te bevelen, datmen 
den selven Claes Meeszn, aengesien sbriefs, souden ontslaen ende datmen 
hem zyne goeden soude restitueeren ende wederkeren ende de voorsz. Kaerl 
VAN Trello hem Claes MEESzn oversulcx geconsenteert ende geauthoriseert 
heeft zyne goeden, waer ende tot wat plaetsen hy de selven soude connen 
becomen weder aen te tasten ende naer hem te nemen ende de voorsz. 
Claes MEESzn in tseecker wel weet, datter binnen deser stede van Leyden 
in Marendorp vier coebeesten staende syn, hem toebehoorende, gehaert de 
twee root mit witte ruggens ende dander twee root blaert, zo est, dat de 
voorsz. Claes MEESzn aen my Jan van Hout, notario publiek, versocht 
heeft, dat ick met hem souden gaen ter plaetsen, daer de voorsz. beesten 
staen omme kennisse te dragen, dat hy deselve als zyn eygen weder begeert 
aen te slaen. Sulcx zy ick notaris voorsz. metten ondergeschreveh getuygen 
gegaen in Marendorp ten huyse van Symon Jan MoURYNSzn, aldaer de 
voorsz. coebeesten syn bevonden, gehaert als boven, ende heeft de voorn. 
Claes MEESzn de handen op deselve geleyt ende die als syn vry eygen 
aengetast, versouckende aen SYMON Jan MoURYNSzn, aldaer present synde, 
Oud-Holland, 1908. 7 



50 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dat hy gehengen soude, dat hy die naer hem mochte nemen, daer op de 
voorsz. Symon ter antwoorde gaff, dat hy hem een dach ofte twee begeerden 
te beraden om den gheenen te spreken, daer hy die van gecofft hadde, op 
twelck de voorsz. Claes MEESzn weder seyde, dat hy hem gheen beraedt 
en begeerde te geven ende versochten hinc inde acte, die welcke ick hem, 
naer dien myn offitie es publyck niet en hebbe connen weygeren. Aldus 
gedaen binnen Leyden desen den iien Mey xvc drieendetzeventich, in by- 
wesen van Matys DlRCXzn ende Adriaen PlETERSzn VAN DER Werff, 
gelooflicke getuygen, tot kennisse van desen versocht ende gebeden. 

Levendig stelt ons ook het volgende fragment de avonturen van den 
oorlogstijd voor oogen uit een attestatie van «PlETER JANSZN ende CORNELIS 
Maertszn van Alcmaer, ten verzoucke van Anthonis DlERTSZN mede aldaer", 
van 27 Mei 1573, I, f° 39 v°. 

Ze verklaren, 

Ä hoe dat zy deposanten op Maendage voorleden achte dagen, te weten 
den XVIII dcn Mey, snachts omtrent ten XII uren metten anderen offgevaren 
zyn in een schuyte van Scheveninge, omme te trecken naer Alcmaer, ende 
alsulcx gecomen zynde omtrent de Wyck, zyn hem aengecomen de pape- 
knechten. Ende naer zy de selve een wyl tydts ontroeyt hadden, siende, 
dat zy hueren handen niet en consten ontcomen sonder gevangen te zyn, 
zyn zy mit haer schuyte aen sträng geroeyt; ende sulcx mede by den 
vianden vervolcht zynde, hebben zy, deposanten, hem selven gesteh opter 
loope omme haer lichamen te salveren, ende omme tselve te beter te doen, 
Sonderlinge zo den viandt mede dien sträng was geroeyt ende hem naet 
liepen, wierpen wech alle huerlieder swaerte ende tgundt hem tot tloopen 
belettende, sulcx dat sy, deposanten gesien hebben ende midts dien wel 
weten, dat de voorn. Anthonis DiERTZ, onder andere zyne goeden, wech 
wierp een viercandt pacxken swardt wolle laecken, twelck zy verstaen, dat 
by hem gecoflt was voor zes ponden vlaems. 

In het protocol volgt nog een attestatie over deze zaak. 

Een volgend stuk geeft ons een bladzijde uit het leven van LUMEY, den 
woesten vrijbuiter met zijn dubbelzinnige heldhaftigheid, den moordenaar van 
weerlooze geestelijken. Men weet, dat ORANJE, als hij in October 1572 in 
Holland komt, terstond er op uit is aan de wandaden van Lu MEY en consorten 
een einde te maken en ze te bestraffen. 6 Januari '73 wordt LuMEY gevangen 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN IAN VAN HOUT. 51 

genomen, doch na protest, in de laatste helft van Februari weer ontslagen. ') In 
Mei wordt hij op nieuw gevangen gezet. BOR deelt dat aldus mee: „/» Mayo 
daarna, de Grave VAN DER MARCK, weder in vryheid zynde, werd by de Staten 
vernamen als dat hy meende door zyne walse soldaten yet te practiser en tot nadeel 
van de voorsz. Staten, waerom sy hem op eenen morgen vroeg wederom deden 
versekeren en gevangen nemen, doende hem brengen op thuis Honingen buiten 
Rotterdam, dan hy heeft middel gevonden om daer uit te komen en is binnen 
Rotterdam gekomen." *) 

Uit de volgende acte van protest blijkt, dat Lumey 28 Mei wordt gevat 
en eerst naar Leiden is gevoerd, waar hij op 30 Mei met de noodige brutaliteit 
verzet aanteekent. Onmiddellijk daarop, nog denzelfden dag, is zijn overbrenging 
naar Honingen gevolgd. 8 ) 

De acte i? te vinden Dl. I fo. 148 r<>., het origineel van VAN HOUT zelf 
is hier en daar bijna onleesbaar en de gevolgen daarvan schijnen zich zelfs in 
de copie of 40 v . te openbaren. 

Acte van protest van den Grave van der Mark. 

Op huyden den XXXen Mey anno XVcLXXIII compareerde voor my 
Jan VAN HOUT, notarys publyck by de f. G. den Prince van Orangien, 
grave van Nassau etc., stadthouder ende gouverneur over Hollandt etc, 
gestelt ende gecommitteert ende tot bedieninghe van dien by den hove van 
Hollandt geadmitteert, ende voor den getuigen ondergeschr. de edele welge- 
booren Heere, mynen Heere de Grave VANDER Marck, vryheer totLUMYE, 
Sarayn etc, verclarende, hoe dat hy op gisteren namentlicke den XX Villen 
deser lopender maendt Meye, zynde opten huyse van Zweeten, hem selven 
deur last ende expresse commissie van zyne f. G. in bywesen ende jeghen- 
woordicheyt van Joncheer LOURENS DOUBLIOUL ende POUWELS VAN HOVE, 
procureur van den Hove van Hollandt, gestelt heeft in handen van mynen 
Heere van MONTIGNY ende NOYELLES, gouverneur deser stadt Leyden, omme 
de stadt 'van Leyden, sonder vorder te houden voor gevanckenisse of oock 
eenighe wacht meerder te hebben, ter tydt ende wylen toe zyne f. G. in 
saecken van mynen welgeboren Heere de Grave van der Marck recht 
gedaen hadde off andersins int minnelick mit hem waer veraccordeert, mit 
belofte by den Grave VAN DER MARCK in handen off de voorsz. mynen 
G. Heere de macht vande Staten gestelt off gelevert off dat oock de Grave 



l) F RU IN, Verspreide Geschriften II, p. 218 — 320. 
*) Bor, (1679) I, p. 429. 
s ) Orlbrs (1781), p. 617. 



52 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

gedaen van hem vuyter stadt Leyden niet te absenteren, sonder zyne G. 
voorgaende consent, wille ende wetenschap des voorsz. Heeren VAN NOYELLES; 
ende also zyne f. G. den selven Grave VAN DER Marck als nu belast heeft 
mit seeckere getal van schutteren te doen vervoeren, directelick in contrarie 
der voorsz. gedaen beloften ende niet jegenstaende mynen voorsz. G. Heeren 
in geen meyninghe en soude geweest zyn als noch niet en es, tvoorsz. con- 
tract eenichsins te buyten gaen ende tot dien gepresenteert heeft ende pre- 
senteert als noch by desen alhier binnen Leyden (als in een plaetse van 
justitie) te recht te staen ende dat hem tselve geweygert es geweest, so est 
dat de Grave VAN DER Marck midts desen ten aldercrachtichsten daer van 
protesteert van oppressie, geweit ende rechtsweygeringe, begeerende zynder 
G. van my, notaris bovengenomt, hem hiervan gemaeckt ende gelevert te 
werden openbare acte, de welck ick hem, naer dien myn ampt es publyck, 
niet en hebbe connen weygeren. Aldus gedaen binnen der stede van Leyden 
inde huy singe van Lochorst in presentie van de vier burgermeesteren der 
stadt Leyden ende Govert WouTERSzn ende Adriaen ADRiAENSzn, poor- 
ters der voorsz. stede, als gelooflicke getuigen tot kennisse van desen ver- 
socht ende gebeden. 

Al het afwisselende en avontuurlijke dier beroerlijke tijden schijnt toch 
aan de robuste en volbloedige acteurs van het drama onzer revolutie nog den 
tijd gelaten te hebben elkaar het leven zuur te maken, elkaar uit te schelden en 
te lijf te gaan en hun onderlingen haat en nijd lustig bot te vieren. Een aardig 
voorbeeld geeft ons een stelletje acten, waarvan ik het voornaamste hier laat 
volgen. Dl. I, 58 ro. en 173 ro. 

Attestatie van Willem Symonszn Rol, Anthonis Jacobszn 
van Rotterdam ende Jan VAN Teylingen ten vêrsaucke 
van van der Horst. 

Op huyden den XXI Juny anno XVcLXXIII compareerde voor my 
Jan van Hout, notarys publyck, ende den getuygen hier onder geschreven 
de eersame Willem SYMONSzn Rol 1 ) van Hoorn, oudt omtrent XXVI jaren, 
ANTHONIS jACOBSzn van Rotterdam, oudt omtrent XXV jaren, ende Jan 



i) 4 Juli 73 maakt deze Willem Simonszn. Rol van Hoorn bij Jan van Hout rijn testament 
(It 63 vo.). Hij legateert als echte geus aan twee broeders kinderen m tot haeriuyder morgen govt eUx vyftich 
gulden van veer tick grooten\ die hun moeten worden overhandigd op hun huwelijksdag, maar ht] bepaalt er 
uitdrukkelijk bij, dat sijn neven dan moeten staan onder % ObedientU van de {. G, van Orangibn". Gedragen 
se sich ypiantlick jegens *yne f. G." dan krijgen ze niets. Die broer kan de bekende Jan Simonszn Rol 
geweest zijn (Zie over hem Bor, I). 



UIT HET NOTARIS.PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 53 

VAN Teylingen van Alcmaer, oudt omtrent XXII jaren, ende tuychden by 
haerluyder conscientie ende sielen salicheyt in plaetse van eede, ten ver- 
soucke van JAN VAN DER HORST, jegenwoordich in apprehensie sittende 
ten huyse van den provoost van den heer van NOYELLES, binnen deser 
Stadt Leyden, hoe dat sy op huyden eenen Beernt Witte, een vanden 
aenseggers van de voorsz. VAN DER Horst, hebben hooren confesseeren, 
dat de voorsz. VAN DER HORST MARINUM BRANDT den admirael ten selven 
stonde ende tyde als het gepretendeert schelden, daer op de voorsz. 
VAN DER HORST geapprehendecrt es, geschiet soude syn, gelooft ende ge- 
presen souden hebben, als dat hy hem de laetste reyse gedragen hadde, 
als een vroom hopman ende crychsman, presenterende tgundt voors. es in 
cas van recolemente tot allen tyde by haerluyder solempnele eeden te 
stereken, van alle twelck de voorsz. requirant versocht van my Notario, boven 
genomt, hem hiervan gemaect ende gelevert te werden openbare acte, dewelck 
ick hem, naer dien myn ampt es publyck, niet en hebbe connen weygeren. 
Aldus gedaen binnen Leyden, ten huyse vanden provoost, staende aende 
Breedestraat in bywesen van PlETER WERMBOUTS ende GERRIT CORNELISzn 
SLOT, als gelooflicke getuygen, tot kennisse van desen versocht ende 
gerequireert. 

Dan I, f°, 177 r°. (origineel) en de copie op een niet in later tijd genum- 
merde pagina tusschen 59 en 60: 

Also Marinus Brandt, jegenwoordich admirael over de vlote op de 
binnen wateren, Jan van der Horst, jegenwoordelick buyten recht, redene 
ende billicheyt heeft doen gevanckelick setten, ter oorsake dat de voorsz. 
VAN DER HORST hem MARINUM Brandt ende seeckere andere capiteynen 
gescholden souden hebben, tselve fondeerende op seeckere pretense attestatie 
van eenighe paritale ende voluntaire getuijgen, twelck doch inder waerheyt 
sulex niet en es, ende des hem de voorsz. VAN DER HORST onschuldich 
kendt ende hy, VAN DER HORST, verstaet dat de voorsz. Marinus Brandt 
voorgenomen souden hebben, omme hem sonder eenich behoorlick consent 
van Leyden te doen vervoeren naerden veltleger, so est, dat deselve VAN DER 
Horst den voorn. Marinum Brandt midts desen doet insinueren, dat hy 
jegenwoordelick in geenen dienste en es, mer hem binnen deser stadt Leyden 
heeft begeven omme aen syne f. G. seeckere commissie te impetreren, ende 
voorgenomen hadde hem selven willichlicken te employeren ten ontsette 
vande belegerde stadt Haerlem, daertoe hy oock zyn geweer binnen deser 
stadt Leyden hadde doen brengen, inder vougen dat hy, VAN DER HORST, 



54 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

midts desen den Schoudt van den leger hout ende verclaert voor juge in- 
competent, te meer also eenige capiteynen hem VAN DER HORST op 
gisteren beromt hebben gehadt, zo sy hem buyten gecregen hadden, mit 
gelijcker handt doot te slaen, ende dat de voorsz. VAN DER HORST hem 
selven midts desen offereert te sisteren ende hem jegens alle aenseggen 
behoorlick te verantwoorden, tzy voor mynen Heere den gouverneur NOYELLES, 
onder wiens gouvernement ende provoost hy es geapprehendeert, ende soda- 
nige commissaryssen als deselve Heer van NOYELLES ter decisie der voorsz. 
questien gelieven sal te committeren, off oock voorden ordinaryssen rechter 
deser stadt, ten kuere van den voorsz. Marinus BRANDT; ende by refuys 
van desen ende dat hem den voorsz. Brant in contrarie van dien vervor- 
derde, de voorsz. van der Horst te doen transfereren, so protesteert de 
selve midts desen van cracht, geweit ende iniurien, versouckende desen den 
voorsz. Marinus Brandt geinsinueert te werden, ende van desen midts- 
gaders van syne antwoorde hem verleent te werden acte. 

Den volgenden dag heeft Jan van Hout den admiraal Brandt opge- 
zocht in het ^logement van den rentmeester van syne f. G." en heeft hem 
voorgaande acte ter inzage gegeven. „Maar", verklaart de notaris: 

„gaf my daerop ter antwoorde in effecte dese woorden: „Segt Jan 
VAN DER HORST, dat hy valschelick daer aen liecht ende dat hy myn ge- 
vangen niet en es, mer dat ick hem te laste wil leggen, tgeen dat hy my 
naer geseyt heeft. Hy is de gevangen vanden gemeen capiteynen ende ick 
en begeer hem gheen antwoordt te geven." (Dl. I, 177 ro.) 

Dan is er nog een acte van denzelfden 22stenjuni (Dl I, 177 vo. en 60 vo.) f 
waarin „Lodewyck PiETERSZN van BRUGGE, provoost over de XII venlyn voet- 
knechten, leggende onder tooronelschap" van NOYELLES, verklaart öp verzoek 
van Jan van der Horst, dat Marinus Brandt hem, Lodewyk PiETERSzn, 
belast heeft van der Horst goed te bewaren „tselve repeterende tot diversche 
tyden ende plaetsen, ende stondt voor de costen, die hy soude verteeren." 
Verklaart verder, dat hij den dag te voren op verzoek van VAN DER HORST 
vergeefs aan Noyelles verzocht heeft, VAN DER Horst „op cautie" te mogen 
ontslaan. Noyelles verklaarde dit niet te kunnen doen, zonder consent van 
Brandt. Verder: „dat hy deposant op huyden den voorn. Marinum BRANDT 
selffs mede aengesproken heeft omme de voorsz. van der Horst op cautie te 
ontslaen, daer op deselve MARINUS ten antwoorde gaff, dat hy tselve niet en 
begeerde te doen, mer wilde hem mede voeren naer tleger, daer toe hy oock 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 55 

scyde consent te hebben vanden voorz. Heer van NoYELLES om hem aldaer te 
stellen voor het malefits recht." 

Een kleingeloovige, die zijn dierbaar goedje liever niet aan de kansen van 
het dreigend beleg wilde wagen en het op een listige wijze in strijd met de wet 
uit de bedreigde veste trachtte te brengen, vinden we geteekend opfo. 183ro.cn 
66 vo. van hetzelfde deel van het protocol. *) Wie die van Heussen „dienaer 
vande Pr. Ex." geweest is, heb ik in Nijmegen niet kunnen opsporen, *) maar 
dat doet er eigenlijk ook minder toe. Het feit, de methode en de leuke aan- 
schouwelijke manier, waarop het geheele geval is voorgesteld, zijn de hoofdzaak. 

Op huyden den VWen July anno XVcLXXIII compareerde voor my 
JAN VAN HOUT etc. de eersamen FRANS REYERszn, snyder, oudt 'omtrent 
XLII jaren, HOBBE JANSzn, poortier vande Coepoort, oudt omtrent LI jaren 
ende Machtelt CORNELlsdr, huysvrouwe van Vranck JANSzn, voorspraeck 
van Zoetermeer, oudt omtrent Lil jaren, ende tuychden etc. ten versoucke 
van HEYNRICK Gerritszn, glaesschryver, voor hem selven en vuyten name van 
syn rotgesellen, hoe dat op Woonsdage den ien July voorleden smorgens 
ten huyse van de voorsz. MACHTELT CORNELlsdr., déposante alhier by de 
voorn. Heynrick GERRiTSzn mit syn rotgesellen, hebbende de wachte op 
tVlietgadt, innegebracht syn drie toegeslagen ingelsche tonnen, de welcke 
in huerluyder wachte aengehaelt waren ende syn deselve in presentie vande 
soon van Dirck van Heussen, genaemt Gillis, geopent ende daer inne 
bevonden verscheyden meublen, costelik lynwaet, cleederen,zydeendefluwele 
iuwelen ende diergelycke goederen, die sy niet spécifiée en souden connen 
verclaren, ende hoorden alsdoen zy, deposanten, den voorn. Heynrick 
Gerytszn vermanen iegens de voorn. Gillis VAN HEUSSEN: „Waeromdoet 
U vaertgen dit, hy is een dienaer vande Pr. Ex. ende wil hy syn goet 
vluchten; dit sal een groot rumoer inde stadt maecken." Op twelcke de 
voorsz. Gillis VAN HEUSSEN in effecte antwoorde, dat het syn moeders 
schulde was ende dat de vroukens angstvallich waren, off gelycke off equi- 
pollente woorden. Ende werde onder andere by de voorsz. M ACHTELT 
CORNELlsdr. daerop geseyt: „Daer moet swaericheyt in Leyden syn, naer 
dien ghy uwen goeden wilt vluchten." Daer de voorsz. GILLIS VAN HEUSSEN 
weder op ter antwoorde gaff: „tBelieft myn moerken aldus." Ende hoorden 
zy, deposanten, de voorn. Gillis van HEUSSEN onder andere woorden mede 



1) Op 68 vo. een verklaring over dezelfde zaak door een paar andere lui. 

9) Een. Ni co la es van Heussen ia eenigen tijd later royeermeester te Leiden (Orlbrs, 714) en een 
Jacob vak Heussen is tijdens het beleg schepen te Haarlem (Wagenaar VI, 412.) 



56 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

vermanen, dat hy de goeden naer Rotterdam gebracht zouden hebben ende 
zyn de goeden voorsz. weder toegeslagen, in bywesen vande voorsz. Gillis 
VAN Heussen. Verclaerde voorts, dat de voorsz. VAN Heussen ter -selver 
tydt, naer dat de eerste tonne mit het lynwaedt opgeslagen was, in effecte 
jegens den wachters zeyde: „Goe mannen, laet my varen; teen is gelyck 
tander. Est om een drynckpenning te doen, ick wilse U gaerne geven". 
Daer by eenighe vande wachte op geseyt werde: „Zouden wy dat doen, 
zo en waren wy niet waerdich wachters te wesen, mer wy mochten wel int 
eynde een galch beschyten," of gelycke woorden in substantie, presente- 
rende tgundt voorsz. in cas vap recolemente etc." Getuigen Mathys DlRCXzn 
ende Heynrick HARMANSzn scheemaecker, poorters der stede vanLeyden." 

Een geval van bigamie, wat trouwens onder de oude bedeeling niet zoo'n 
zeldzaamheid zal zijn geweest (72 v°. en 242 v°.): 

Op huyden den Xllden July anno XVcLXXIII compareerde voor my 
Jan van Hout etc. de eerbare Barbara Clemens dr. van Vuytrecht, wo- 
nende binnen deser stadt Ley den, oudt omtrent XX jaren ende tuychdeetc. 
ten versoucke van Geryt HEYNRlCXzn SCHAECK, dat zy, déposante, Aechte 
jANSdr. van Hasertswoude tot verscheyden stonden heeft hooren seggen, 
dat Witte PiETERSzn van Ziericzee haer getroude man es voor God, ende 
dat zy oversulcx mit hem als getrout volck heeft geconverseert, houdende 
midtsdien degheen, daer hy jeghenwoordelick by es, voor een overspelighe 
boere, presenterende enz. Getuygen: Adriaen PiETERSzn, secretaris van 
Nieucoop, ende Mathys DlRCXzn. 

En over hetzelfde zaakje nog het volgende (74 r°. en 243 r°.): 

Op huyden den XIII July anno XVcLXXIII compareerde voor my 
Jan van HOUT notarys etc. de eerbare NEELTGEN EGBERTSdr. huysvrouwe 
van Claes FLORlSzn., schipper, oudt omtrent XLVI jaren, AELTGEN 
GERRlTSdr., huysvrouwe van JAN PiETERSzn., schipper, oudt omtrent XL jaren 
ende Tryn CLAESdr., huysvrouwe van Jan VAN Sc HAGEN, molenaer, oudt 
omtrent XLVII jaren, ende tuychden enz. ten versoucke van Gerrit 
HEYNRlCXzn Schaeck, rentmeester van den convente van Leyderdorp ende 
Romenburch, eerst de voorsz. Neelgen EGBERTSdr, hoe dat sy 9 déposante, 
eene Aechte jANsdr. tot verscheyden tyden heeft hooren seggen, dat eenen 
Wisse PiETERzn van Ziericzee haeren getroude man was voor God ende dat 
hy haer al hadde getrout, eer ende al vooren hy syne jegenwoordighe 
troude, daerby vougende, dat deselve syne jegenwoordighe huysvrouwe hem 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 57 

WISSE hadde aengehaelt mit leckere potgens te koocken. Voorts verclaerde 
de voorsz. AELTGEN GERRITSdr., hoe dat omtrent een piaendt geleden zy, 
déposante, zynde mitte voorsz. AECHTE JANSdr. inde Vrouwensteghe binnen 
deser stede, de selve Aechte heeft hooren seggen ende confesseren, dat zy 
van GERRIT HEYNRlCXzn. voorsz. van tgundt zy hem gelevert hadde ende 
tusschen hem beyden voor recht stond, obligatie off schrift van syn handt 
hadde, mer dat sy tselve niet gaerne bekent soude staen, alser luyden by 
souden zyn. Tuychde voorts TRYN CLAESdr. alleen, hoe dat sy, déposante, 
omtrent Alreheyligen lestleden, onbegrepen vanden preficxen dach off tydt, 
de voorn. AECHTE JANSdr. van Hasertswoude heeft hooren seggen ende 
confesseren, dat zy Gerrit HEYNRlCXzn. Schaeck ') voorn, seeckere goeden 
by geleyt hadden om daer medecomanschap te doen tot halff profyt ende 
schade ende dat zy nu gecomen was om tgelt van dien te hebben ende 
nochtans gheen penningen en hadde connen crygen, deurdien dat tselve aen 
waren was gelegen, ende daerom een obligatie van des voorsz. GERRITS hant 
hadde gecregen omme haer daer mede te mogen behelpen. Tuychde voorts, 
dat zy, déposante, de voorsz. Aechte tot verscheyden tyden heeft hooren 
seggen ende confesseren, dat sy de voorn. WISSE PlERERSzn. hielt voor 
haer getroude man voor God ende dat sy de voortrouwe hadde ende over 
sulcx mitten anderen als echte luyden hadden geconverseert, presente- 
rende enz. 

Getuigen: Adriaen PlETERSzn. secretaris van Nieucoop, ende Jan 
VAN SCHOONREWOERDE." 

Aardig is ook het uitvoerige verhaal van eenige baldadigheden door sol- 
daten gepleegd in het logement van een collega met zijn bijzit (f°. 89 r°. en 
264 r .). Monsr. CARLOO, die in het stuk genoemd wordt, zal wel zijn KASPER 
VAN DER NOOT (zie VAN DER Aa, i. V.). 

Informatie, genomen by Adolf van Langeroe, provoost 
myns Heeren van MONTIGNY ende NOYELLES, deur last van 
mynen voorsz. Heere als gouverneur deser stadt Leyden ter 
requisitie van GuiLLAME Stilman, ruyter vande Compa gnye 
van Mons r CARLOO, in bywesen ende ten overstane van my 
notario publycke onderschreven. 
AELTGEN ANDRiESdr. poortersse deser stadt, oudt omtrent XXX VI I 

1) Deze Gerrit Heyndrtcxzii. Schaeck (op denzelfden 12 den Juli stelde de „rectoor der grote 
chole deser stadt Leyden", Mr. Nicolaus Vorstius hem aan om gelden voor hem in ontvangst te nemen, 
fo. 73 vo. en 343 ro.) die blijkbaar dus in deze matrimoniale knoeierijen betrokken was, woonde op den 
hoek van Breestraat en Dief steeg (Pleyte, p. 12) en was quartier meester tijdens het beleg; hij zal wel ver- 
want geweest zijn aan den man van den hutspot (Fruin, Verspr. Geschr. Il, p. 405). 

Oud- Holland, 1908. g 



58 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

jaren, verclaert by haer conscientie ende zielen salicheyt in plaetse van eede, 
dat op Woonsdage voorleden, naerde noene tusschen twaelf ende een uren, 
tot haer, déposants, huyse innegecomen syn drie personen, soldaten of ruy- 
teren, die sy mit namen niet en kent, sulcx sy oock niet en doet, waer 
sy geforiert syn, dan heeft wel hooren seggen, dat den eenen in de Doncker- 
steech ende den anderen tot Beatricx DE BAEXSTER thuys leyt, ende maecten 
seeckere woorden jegens de voorsz. GuiLLAME Stilman, synde ten huyse 
van haer, déposante, gelogeert (de welcke mit syn huysvrouwe over tafel 
sat) sonder dat sy, déposante, deselve woorden, als geschiet synde in een 
vuytheemsche tale, heeft verstaen, ende ging een van den voorsz. drie per- 
sonen terstondt van daer, zonder eenige woorden jegens yemant te maeken, 
ende scheyden daer naer van den anderen, soot scheen mit grammen off 
ontstelden gemoede. Weet mede wel, datter, eer de voorsz. drie personen 
inne quamen, voor de schoorsteen vier corte vuyrroers hingen ende, sywech 
gegaen synde, waren aldaer mer twee vuyrroers van haer, déposante, gesien, 
sonder dat sy oock weet, wie deselve vuyrroers wechgenomen hadde. Ver- 
claert voorts, dat savonts daer naer, dicht omtrent acht uren, weder ten 
huyse van haer, déposante, gecomen syn de voorsz« twee personen, sy, dépo- 
sante, mit haer broeder op de stoup sittende. in absentie van de voorsz. 
Stilman, die binnenshuys was, ende taste een van deselve haer, déposante, 
by de voorschoot, noemende haer een hoere te syn, ende alsoe de selve 
haer déposantes broeder voor haer wilde verantwoorden, dreychden den 
selven te slaen, treckende syn geweer wter scheede, doch deur tusschen- 
spraecke van den anderen en misdede den selven noch oock haer, dépo- 
sante, niet ende ging voorts te buyrhuys, sonder dat sy vorder vander 
saecke weet. 

JACQUES WAELBERGEN, forier vande compangnie van CARLOO, oudt 
omtrent LH jaren, verclaert als boven, dat hy opten voorsz. avondt geweest 
es int logement vande voorn. Stilman, omme hem ter wachte te doen comen, 
die hem claechde van het ongelyck ende geweit hem bejegent, ende bevondt 
midtsdien een glassveynster aen stucken geslagen ende een gat inde earner 
deur gesmeten ende syn vrouw of concubyne een schrabbeken in tvoorhooft 
gequetst te syn, sonder dat hy, deposant, tselve heeft sien doen. 

Adriaen ANDRlESzn., wollewever, poorter deser stede, oudt omtrent 
XLV jaren, verclaert als boven wel te weten, dat de voorsz. STILMAN, die 
tsynen huyse thuys leyt, ten dage voorsz. smiddachs twee vuyrroers heeft 
verloren, sonder te weten, wie tselve heeft gedaen, alsoe hy alsdoen daer 
niet by en was, ende dat, hy savonts mit syn suster voor de deur sittende, hem 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 59 

luyden es bejegent sulcx als boven inde depositie van Aeltgen, syn suster, 
in tlange es genarreert, ende dat hy vorder vander saecke niet en weet, soe 
hy deur vervaertheyt vuyt syn huys was geweecken, anders dan dat hy, thuys 
comende, de glasen en deur aen stucken geslagen heeft bevonden. 

JOOST, trompetter onder de compagnye van CARLOO, oudt omtrent 
XX jaren, verclaert als boven, dat hy naer de middaghe ten dage voorseyt 
mit twee andere trompetters, deen vande bende van CARLOO ende dander 
van MlCHlEL, ten huyse voorsz. es gegaen, sonder dat hy, deposant, wist, 
wat sy daer te doen hadden, ende naer hy, deposant, aldaer een weynich 
vertouft ende van des voorsz. STILMANS vrou een mael gedroncken hadde, 
ging hy van daen, sonder dat hy tgundt de voorsz. twee trompetters seyden, 
als in francboyse tale gesproocken synde, heeft connen verstaen, ende gaende 
twie off drie huysen van daer heeft hy, deposant, wat verwacht ende over 
sulcx onlangs daer naer de voorn, twee trompetters voorby sien gaen mit 
twee vuyrroers onder den arm, die sy voorgaende niet mit hem gebracht en 
hadden, sonder dat hy vorder van de saecke weet. 

CLAESGEN STOFFELSdr., geboren van Reynsburch, jegenwoordich woo- 
nende binnen deser stede, oudt omtrent XX jaren, verclaert als boven, dat 
opten voorsz. dach savonts, zy, déposante, de voorsz. twee trompetters veel 
woorden heeft hooren maecken jegens de voorsz. Stilmans vrou, die sy 
seer qualicken toespraecken, ende nomden haer een hoere te syn, begeerende 
sy mit hem luyden soude gaen ende naer sy deselve genomen hadden om 
mit haer wech te gaen, quam de voorsz. Stilman vuyt mit zyn bloot geweer 
om haer te ontsetten, midts twelck syn voorsz. vrou wech liep ende haer 
berchde ten huyse van haer, déposante, als woonende naest den voorsz. 
AdriaeN ANDRIESzn., aldaer sy over de heyning viel ende weet mede wel 
dat deselve vrou voorgaende was gequetst ende quamen daer naer de voorsz. 
trompetters haer soucken ten huyse van haer, déposante, ende deur dien sy 
de selve daer niet en vonden, gingen syluyden ter poorten vuyt. Verclaert 
voorts gehoort te hebben, dat ter selver tydt de glasen ten huyse vanden 
voorsz. ADRIAEN ANDRIESzn. vuytgeslagen werde, sonder dat sy weet wie 
tselve deede ende dat sy mede terselver tydt seer heeft hooren doppen, 
bonsen ende smyten sonder als vooren te weten van wien off dat sy yet 
meer van der saecke weet. 

Anna CLAEsdr., huysvrouwe van Gerrit Corneliszh., zeemtouwer, 
oudt omtrent XXX jaren, verclaert als boven tvoorsz. gerucht, geschiet 
savonts ten dage voorsz. wel gehoort te hebben, te weten tcloppen, stooten, 
bonsen, tslaen inde glasen ende diergelycke sonder tselve gesien te hebben 

8* 



GO UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

ende dat de voorsz. Adriaen ANDRiESzn. ende syn suster hem selven ten 
huyse van haer, déposante, berchden ende claechden, dat deselve smid- 
daechs te vooren aldaer ten buyse mede hadden geweest ende dat sy ver- 
duchten, datter tot heurluyder huyse alle dingen aen stucken geslagen souden 
werden, ende en weet verder van de saecke niet. 

DlRCK .BAERNTSzn. smidt, poorter deser stede, oudt omtrent XXXVI 
jaren, verclaert als boven, dat hy ten daghe voorsz. inden avondt alle tvoorsz. 
rumoer, deurdien by mer twee huysen van daer en woont, wel gehoort heeft 
ende dat de voorn. Stilman hem selven berchde int Abcouwen-clooster 
ende dat hy ter selver tydt gegaen es ten huyse vande voorsz. Adriaen 
ANDRiESzn. aldaer trumoer geschiedde, ende waeren de voorsz. twee ruyteren 
buyten den huyse, dan siende hem, deposant, keerden weder te rugge ende 
alsoe hy, deposant, hoorde roupen, dat hy hem bergen soude, sprang hy 
een muyr over ende hoorde alsdoen daer ten huyse de glasen vuyt slaen, 
sonder vorder vande saecke te weten. 

Actum desen XXIX Augusti 1573 toorconde deses geteykent. 

Een hoogst belangrijk stuk vond ik over den Haarlemschen burgemeester 
Claes VAN der Laen. Overal wordt hij met eere genoemd, ook om zijn gedrag 
na het beleg en hier wordt hij van het schandelijkste verraad tijdens het 
beleg beschuldigd. Men weet, dat in 1572 Marnix in naam van ORANJE te 
Haarlem de wet verzet ') en Jan van Vliet, Nicolaas van derLaen, Gerrit 
Stuiver en Pieter Kies als vier volkomen betrouwbare mannen tot burgemeesters 
aanstelt En nu zou VAN DER Laen de boel verraden hebben en uit eigenbelang 
voor het beleg zijn bezittingen uit de stad hebben doen voeren, in strijd met de 
wet. Dit verraad zou ontdekt zijn en toch kiest de prins hem uit om zitting 
te nemen in de commissie, die in '75 orde moest stellen op de regeering in 
Holland en Zeeland en komt hij later in den Landraad. *) 

Ik ben hier niet in de gelegenheid de zaak geheel te onderzoeken, maar 
wil toch even op de volgende feiten wijzen, die het vermoeden, dat het niet 
geheel pluis moet geweest zijn met Claes van der Laen misschien slechts 
toevallig steunen. 

Als Haarlem zich heeft overgegeven, sluit Al VA bij zijn pardon, gegeven 
27 Juli 1573, 57 borgeren, die met name genoemd worden, uit. Onder die uit- 
geslotenen behooren Kies, van Vliet en Stuiver. ■) Waarom niet van der Laen ? 



l) Zie o. a. Wagenaab, VI, p. 413. 

*) Wagenaar VII, p. 16, Kroniek van het Hist. Gen. IX (1853) p. 160. 

») Bor (1679) I, p. 443. Hooft (Ed. 1677) p. 3*5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 61 

Onder de uitgestotenen komt wel voor „Claes Verlaen sijn soon", maar als 
BOR de lotgevallen van die $7 meedeelt, vernemen we: „de soon van CLAES 
VERLAEN is uitgegaen tegens de twee dochterkens van Sebastiaen Craenhals" 1 ). 
Hij schijnt de eenige te zijn, wien een dergelijke ruil werd veroorloofd. Hoe 
kwam dat zoo? JOHAN VAN DUIVENVOORDE, bailliu, dijkgraaf en rentmeester 
van het land van Voorne, wordt door de Spanjaarden na het beleg gevangen 
gehouden, eerst op het stadhuis, daarna op de hofstede van burgemeester 
VAN DER Laen, alwaar de Graaf van BOSSU gelogeerd was. *) Was die hofstede 
eenvoudig door den vijand bezet of had men er om zekere relaties de voorkeur 
aan gegeven? 

Van DER Laen's optreden bij de mislukte verrassing van Enkhuizen wordt 
geprezen, maar de eer daarvan komt m. i. toe aan CoORNHERT. 8 ) 

De vraag rijst: Wie waren de aanklagers? De aanklager moet, dunkt me, 
CORNELIS VAN Everdingen geweest zijn. Op diens verzoek wordt de getuigenis 
afgelegd. Dit zal wel de bekende geus CORNELIS LOüSzn VAN EVERDINGEN*) 
zijn geweest, die tot zijn dood op het slagveld de zaak onzer revolutie trouw is 
gebleven en in 1572 tot hulp van Haarlem werd afgezonden. Ik vond geen grond 
om dezen aanklager te wantrouwen. En Mr. WlGGER ALLERTS, die in het stuk 
„chirurgyn van Haerlem" heet? In 1566 was een. WlGGER ALLERTSZ burge- 
meester van Medemblik; in Maart '67 wordt een bevel tot executie van een 
vonnis tegen dezen gegeven ; Nov. y 6j schijnt hij daartegen te protesteeren ; 
25 Februari '69 weer een bevel tot executie. *) Als dit dezelfde WlGGER is, 
die de getuigenis aflegt, schijnt dat wel een heer geweest te zijn, wiens eigen 
leitje niet geheel schoon was. 

Ziedaar een paar punten, die ons echter nog niet de minste zekerheid 
geven. Het origineele stuk is te vinden bij VAN HOUT, I, 277 r°. Een copie 
ervan vond ik niet. 

Op huyden den XVIIIen September 1573 compareerde voor my, Jan 
VAN HOUT, notario publyck etc., ende voor den getuygen hier onderschreven 
de eersame Mr. WlGGER ALLERTSzn., chirurgyn, van Haerlem, out omtrent 
XL VI jaren, ende verclaerde ende tuychde etc ten versoucke van CORNELIS 
VAN EVERDINGEN, hoe dat hem, deposant, zeer wel es bewust ende kennelick, 
dat, weynich dagen voor en aleer de stadt Haerlem werde belegert, NlCLAES 



*) 


Bok, t. a. p. 




») 


Kroniek van het Hist. Gen. 


V (1849), p. 144. 


8) 


Wagen a ar, VII, p. 464. 




«) 


Zie 0. a. tan der Aa, i.v. 




•) 


Kroniek van tet Hist. Gen. 


V (1849), p. 36 en 37. 



62 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

van DER Laen, burgermeester aldaer, zyne moeblen bedectelicken ende in 
engelse tonnen vuyter stadt dede voeren l ) in allen schyn of tselve Engels 
bier hadde geweest*) ende weet mede wel, dat de selve tonnen by den 
schutters, de wacht aldaer aen de poorten hebbende, opgeslagen ende aen(?) 
gehaelt syn geweest Weet mede wel, dat geen borgeren heur goeden in 
tgeheim(?) of in topenbaer als doen hebben mogen vuytvoeren ende dat 
tselve ooc verboden es geweest, op verbeurte van de goeden ende dat, dien 
niet jeghenstaende, de voorsz. VAN der Laen zyne goeden zoe maer(?) 
wechgecregen ende vuytgevoert heeft gebadt, datter naulycx tsynen huyse 
een stoel immers geen moeblen, de pyne waert zynde, gebleven es geweest. 
Verclaert voorts hy, deposant, dat hy Jan van Vliet, mede burgermeester 
der voorsz. stadt, wel heeft hooren verclaeren, dat VAN DER Laen, zynen 
medebroeder, hoewel hy alle de stercten ende alle de gelegentheden vande 
stadt wel wist, ende hoe weynich die geprovideert was, noyt soe veel als 
eene missyf hadde gescreven of yet hadde ontboden, of sy yet van bederf 
hadden. Verclaert voorts, dat hy, deposant, te zeeckeren tyt, zedert tovergaen 
van Haerlem inde stadt heeft geweest en de ooc zyn winckel heeft opge- 
heven (?) ende dat hy deurdien Adriaen(?) slotemaecker met PETER ZwiER # 
zwager van den pastoor van Zassem, opelycken in hem, déposants winckel 
heeft hooren seggen, dat de voorsz. Claes VAN DER Laen, daech(lick(?) in 
papenleger plach te scryven ende dat de vianden dicwylen van hem scryvens 
ende tydingen creech, twelc zy zegden vuyt monden vanden voorsz. pastoor 
zulcx gehoort ende verstaen te hebben. Verclaert voorts, dat de voorsz. 
VAN DER LAEN binnen Haerlem zeer quade fame heeft ende dat hem open- 
licken alsnoch naer gaet, dat hy een verrader, eerloos ende ontrou mensch 
es, die de saecke van zyne f. G. niet en favoriseert (?) ende dat hy veele 

vrome borgeren ende (?) binnen Haerlem zynde ende secretelick 

houdende de pertien Zyner f. G. heeft horen zeggen, dat zy, indien zy hem 
consten bekomen, hem hangen, verworgen, jae doppen •) zouden. Presente- 
rende enz. Actum in de herberge de Meerminne binnen deser stede omtrent 
de crane, in by wesen van Jan DlRCXzn houtcoper ende FRANS CORNELlSzn, 
backer, burgers deser stede, gelooflicke getuygen, tot kennisse van desen 
versocht. 

In zijn tooneelstuk gaf VAN HOUT de prachtige teekening van den „banckier", 



1) In margin« : „tot de w (?) opt Vue." 

9) In m argine: „ende dat opte selve tonnen geschreven stont: „Dit es Engels bier. Ghy suit de tonnen 

geven voor V. of (?) onbegrepen vande pry s." 

») Zie over dit woord: Tijdschrift der Mij. van Ned. Letterk. Dl. XXVI. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 63 

den houder der bank van leening, het huis van verkoop met recht van weder- 
inkoop. 

Elc pocht en blaest in thoochste en toont de beurs vol geit, 
Twelc hem uyt myn casse die es angetelt, 
. Mer hoet in teantoor es gesteh, dat wil ie cort maecken ; 
Wat hebbe ie ooe ziWere messe, slotelraexen en schorthaecken enz. 

En wat de interest betreft 

ie geryfse elc vooren cleyne penning, 

De gulden een doyt ter weec, dats een elyene schenning. 

Dat VAN HOUT ook voor een dergelijke figuur de voorstudie in de uit- 
oefening van zijn notariaat heeft kunnen maken, blijkt uit de volgende acte (de 
oorspronkelijke op fo. 406 ro # en de copie 396 v .). 't Geval speelt dezen keer 
te Dordrecht. De zaak zal wel geweest zijn, dat de goudsmid toch die hooge 
rente van de „goede luyden" genomen heeft en dat zal aanleiding gegeven hebben 
tot een procesje. 

Op huyden den XXVIIcn Aprilis XVCLXXIIII compareerde voor my 
Jan van Hout, notario publyc etc. midtsgaders voor den getuigen hier 
onderschreven de eerbare Lysken Tyssen, oudt omtrent XLV jaren, ende 
tuychde by haer conscientie ende zielen zalicheyt in plaetse van eede ten 
versoucke van CORNELIS MOELEN als man ende voocht van Truytgen 
CORNELlsdr. zyne huysvrouwe, hoe dat seeckeren tyt geleden, by haer 
déposante, niet precise onthouden, zy by gevalle gecomen es by de persone 
ende ten huyse vande voorsz. TrüYTGEN, al waer sy vertoonde seeckere 
silverwerek, te weten een silver vergulde nap off schael, een half dousyn 
silveren lepelen boven verguit ende een gouden ketting mit een bagetgen 
daer onder aen hangende, seggende dat haer, déposante, tselve was gelevert 
om daer penningen op te leenen ende staet haer, déposante, als noch wel 
voor, dat de voorsz. TrüYTGEN daer op antwoordde: „Wis lieve Heer, die 
luyden sullen mogelicken mitte penningen, die sy bier op te leen versoucken 
de schattinge betalen." Daer by haer, déposante, weder jegens geseyt werde: 
„Dat is wel mogelicken ende ick gelooft wel, dat het sulex es, want de 
de schoudt gaet omme." Waer deur de voorsz. TrüYTGEN mit medelyden 
bewegen synde, seyde: „Wil ick U daer tien ponden Vlaems op doen?" 
Daer zy, déposante, op ter antwoorde gaff: „TrüYTGEN, wilt gby dat doen, 
ghy suit my ende de goede luyden daer grote vruntschappe aen doen, ick 
soude anders tselve verzet hebben ende de goede luyden souden van tpont 
groot wel een halve stuyver ter weeck hebben willen geven." Twelck byde 
voorsz. TrüYTGEN gehoort, seyde daerop: „Wat soude men dat doen, dat 



64 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

waer conscientie werck; ick wil de goede luyden wel geryven, mer ick en 
hebbe daertoe niet dan ongeclopt gelt, twelck den goeden luyden, soe sy 
haer schattinge daer mede willen betalen, alleens sal doen", ende soe zy 9 
déposante, tselve niet verseeckert en was, oock sulcx niet) over haer en wilde 
nemen. En sy weder gegaen ten huyse van GuiLLAME de goudsmidt, die 
haer, déposante, tvoorsz. silver ten eynde voorsz. hadde gegeven ende naer 
sy hem sulcx als boven voorgehouden hadde, gaf! hy daerop ten antwoorde, 
dat het geit tot betalinge vande schattinge soude gaen ende dat de goede 
luyden mit het ongeclopt geit wel geryft souden zyn ende haer gaerne van 
tpondt vlaems een halve stuiver ter weecke soude geven, twelck sy, dépo- 
sante, offslouch, seggende, dat de luyden (designerende de voorsz. Truytgen) 
sulcx niet en waeren die eenich onbehoorlicke winst begeerden ende was 
sulcx zy, déposante, weder ten huyse vande voorsz. TRUYTGEN gegaen alwaer 
zy oversulcx op tvoorsz. goet in leeninge ontfing tien ponden vlaems ende 
twee schellingen aen ongeclopte penningen van acht stuvers, mit expresse 
conditie, dat de luyden tselve mit gelycke penningen binnen den tyt van twee 
maenden ten langste souden mogen lossen, ende bedong de voorsz. TRUYTGEN, 
dat soemen tselve silver begeerde te vercopen, datmen haer de voorkeure 
soude geven, mits haer daer voren betalende soe veel als een ander soude 
willen geven ende ver(claerde ?) de voorsz. TRUYTGEN, dat sy in tlossen wel 
weder mit gel(eende?) geit te vreden soude begeeren te syn ende soe haer de 
goede luyden alsdan daervoren yet begeerde te schencken, dat mochten sy doen 
ende steldet selve tot haer discretie, al sonder dat voorsz. TRUYTGEN, doende 
tgeent voorsz. es, eenich onredelicke winst of profyt h(ebbe?) gesocht of 
begeert, presenterende etc. Aldus gedaen binnen Dordrecht ten huyse voorsz. 
VAN DE MOELEN, staende op de Rietdyck, in bywesen van MATHYS THEUSzn. 
brouwer inde verloren arbeyt, ende JACOB VAN HOUT Lyfschut van zyne 
f. G. gelooflicke getuygen. 

Laat ik U ten minste één officieel stuk overleggen van een der dapperen 
van het beleg (fo. 408 en 399). 't Is van den man die het memorable woord 
gesproken zou hebben : een arm om te strijden en een om op te eten, van Mees 
HAVlCXzn. „cranck van de quetsuyre" na den aanval op de schansen der Span- 
jaarden langs den Rijndijk, aan het hoofd van zijn Schutters. ^ Het is een codicil 
bij zijn testament, dat hij reeds een goed jaar van te voren, zeker beseffende, 
welke gevaren hem dreigden, voor van Hout had gemaakt. Dit testament heb 



i) Zie Fruin, Verspreide Geschriften, II, p. 404 en 405. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 65 

ik echter niet in den bundel aangetroffen. Uit het codicil blijkt, dat hij een 
zwager was van DlRC DiRCXzn. Steen, den vleeschhouwer ! ) en dus waarschijn- 
lijk verwant aan de familie van onzen schilder. 

Op huyden den vyften Augusti XVcLXXIII heeft Mees HAVlCXzn. 
cranck vande quetsuyre te bedde leggende, verclaert voor my notario publyck 
ende den getuygen hier ondergeschreven, dat hy als noch persisteert byde 
testamentaire dispositie, die hy opten vierden July LXXIII voor my notario 
heeft gepasseert ende verleden ende dien onvermindert heeft noch gelegateert 
ende besproocken de kinderen ende erffgenamen van Duyfgen HAVlCXdr. 
syn za. suster, gewonnen by DiRCK DiRCXzn. STEEN, te samen de somme 
van vierhundert gulden van veertich groten, die hy wilt, dat sterven sullen 
vanden eenen opten anderen, te weten vanden geenen die geen kinderen noch 
'descendenten achter en laet ende dat by aflivicheyt vande laetste sonder 
descendenten de selve somme van vierhundert gulden weder keeren sal aen 
hem testatoris erffgenamen ende aen niemant anders, al sonder eenich aftreck 
van trebellianica of andere portien in rechte bekent. Legateert noch jonge 
DiRCK DiRCXzn. STEEN synen besten mantel ende CATRYN MAERTENSdr. 
syn huysvrouwe de besten gouden ring, die hy in synen boel naerlaten sal, tot 
haeren keure. Legateert noch Jan jASPERSzn. tinnegieter, syn dienaer, de 
actie, die hy spreeckende heeft op CLAERTGEN syn moeder, daer van een 
schepenen brieff inden boedel es, midtgaders noch tien gulden van veertich 
groten aen gelde, die hy wilt, dat hem naer synen overlyden mit sodanige 
penningen, als hy hem schuldich es, vuytgekeert ende betaelt sullen werden, 
soe drae tselve eenichsins doenlicken sal syn. Legateert noch SYTGEN 
CLAESdr. syn bewaerster een somme van drie gulden, voor dat sy hem heeft 
bewaert ende gedient ende MEYNSGEN CORNELlsdr. syn jongwyff een somme 
van twee gulden, die hy wilt, dat by de voorsz. SYTGEN betaelt sullen worden 
van de somme van achtalve gulden, die sy hem, testant, van huyshuyr schuldich 
es; willende voorts dat de reste vande selve huyshuyr by de voorsz. SYTGEN 
den armen om Gods willen zal gegeven werden ter plaetse daert haer goetdunct. 
Ende legateert noch den armen een somme van tien gulden van veertich 
groten, die hy wilt, dat inde drie kercken om Godtswillen gegeven sullen 
werden. Actum voor Havick JOOSTENSzn. ende Jan CLAESzn. ten huyse 
vanden voorsz. testant aen den Nieuwen Ryn naer noen ten een uren. 



l) Hij woonde op de Hoogstraat ao; een Jan Dircxzü. Stbbv woonde aan de Boommarkt (rie Pleytb, 
Leyden voor 300 jaar en thans, p. 6 en 41). In den inventaris van van Hout, dien ik hier spoedig hoop 
te bespreken, komt nog een custingbrief op de familie Steen voor. 

Oud- Holland, 1908. 9 



6« UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Ten slotte copieer ik nog volledig een stuk, dat bewijst, hoe men ook in de 
dagen van onzen opstand reeds knoeide met de leveranties aan het leger, Het 
is te vinden f°. 448 r<>. geschreven door van Hout; een copie vond ik niet. 
Het is wel van 1 575, maar past toch geheel in het kader der in dit artikel mee- 
gedeelde bescheiden. 

Op huyden den XXII'ten Juny 1575 compareerden voor my Jan 
van Hout, notaris etc. ende voor den getuygen ondergeschreven de eersame 
Jan jACOBSzn. cuyper inwoonder dezer stede, out omtrent XL jaeren ende 
Jan GoossENSzn. VAN Flory van Haerlem, out omtrent XXIII jaeren ende 
tuychden by haer conscientie etc. ten versoucke van HenricK van Brouc- 
HOVEN *), Bailly van Wassenaer, Noortwyck ende Rhynsburch, hoe dat zy, 
getuygen, doer laste van voorsz. Brouchoven hebben doen openen zeeckere 
dertich tonnen gesoutten vleysch, leggende in tprovianthuys binnen deser 
stede ende dat zy in verscheyden vande selve tonnen tusschen de twee 
onderste en de twee bovenste laegen bevonden hebben eenige stucken bocken- 
vleysch, twelck, by den voorsz. Jan JACOBSzn. uytgeschoten zynde, bevonden 
es in als tot twee tonnen te beloopen, dat hy 9 ) getuyge voor tvoorsz. vleysch 
te gesouten omtrent 8 dagen besieh es geweest ende dat ten waer saecke 
tselve vleysch in tyts gesouten waer geweest, tselve ter oorsaecke van tvoorsz. 
bockenvleysch altemael bedorven soude hebben, presenterende tgeent voorsz. 
es tallen tyden by eede solemneel te bevestigen daer(?) de voorsz. Brouc- 
hoven van versocht acte, die ie hem, naerdien myn ampt es publyc, niet en 
hebbe connen weygeren. Gedaen in tprovianthuys binnen de voorsz. stede 
opt tsteenschuyr in bywesen van Claes SYMONSzn. van Soeterwoude ende 
DlRC HENRlXzn. borger van Leyden als gelooflycke getuygen hiertoe versocht. 

{Wordt vervolgd.) 



l) Hbndrick van Brouckhoven was de proviant meester-generaal, zooals uit verschillende acten in 
van Houts protocol blijkt en ook uit zijn testament Tan 30 Juni 1576, bij tav Hout fo. 461. 

*) Doorgehaald: behalve tselve bockenvleysch noch inde tonnen gelaeten heelt seeckere blaeu ende 
eensdeels zwert (?) vleysch, twelc. (?) 





DE HOLLANDSCHE AFKOMST 
DER COLLECTIE MANSI TE LUCCA. 



MEDEGEDEELD DOOR 

E. W. MOES. 




E afkomst der Hollandsche schilderijen in de collectie Mansi te 
Lucca werd op p. 92 van DL XIV van dit tijdschrift teruggevoerd 
op het huwelijk van een zekeren Parensi, voorvader der Mar- 
kiezen Mansi met een juffrouw van Diemen uit Amsterdam. 
Toevallig vond ik in den lijvigen bundel ^Rytnwerken" van 
Dirk Schelte, uitgegeven in 17 14 door Hendrik Schelte, op p. 594 een 
bevestiging van deze veronderstelling. Daar toch staat een gedicht: ^Ter bruilof t 
van den Wel-Edelen Heer H. Jeronimo Parensi, en de Ed. Juffrouw Mejuffr. 
Anna Maria van Diemen, vereenigd deu 1 September 1675". 

Uit het vers blijkt alleen, dat Jeronimo Parensi te Amsterdam als 
koopman gevestigd was: 

„Daar moet hy Beurs , en Bank, en Waag, een zuil- styl strekken". 
De VAN DlEMEN's waren aan de Schelte's verwant. 28 Maart 1684 
rijmde Dirk Schelte tenminste een vers „Op de jjste Verjaar -dag, van myn 
Oom, de Heer en Mr. Gysbertus van Diemen, den 28 Maart 1684" (p. 537). 
Deze oom was gehuwd met Maria BACKER, overleden in Aug. 1649 °P 65- 
arigen leeftijd (p. 765). 




Een schilderij van Rembrandt ? op de kermis 

te Leiden 1641 

MEDEGEDEELD DOOR 

A. B R E D I U S. 




f IT de volgende acte kan men opmaken, dat men omstreeks 1641 
schilderijen van Rembrandt op de kermis te Leiden ventte. Ik 
heb er verder niets over gevonden; het vermoeden ligt voor de 
hand, dat de schilderij echter niet van REMBRANDT was, en dat 
de kooper wilde doen constateeren dat de kunsthandelaar het 
het stuk voor zeker echt wilde laten doorgaan. 

12 Juny 1641. CORNELIS Pietersz. van THOORNWYCK, Burger binnen 
der stadt Leyden, out omtrent 50 jaren, heeft by syne manne ware woorden 

in plaetse van eede ten versoucke van de E. BartholoMEUS Buys 

VAN Woeringen, Brouwer in de Roscam binnen Leyden verclaert wacr- 

achtig te wesen, dat in de laetste Meytsche kermis binnen de voorsz. Stede hy 
deposant geweest is ten huyse van den Reqt voornoemt alwaer denselve in han- 
delinge off reuylinge was met seeckren schilder die alsdoen met sijne schilderijen 
en coopmanschappen voorgestaen heeft opt Raethuys aen de deur van der voorsz. 
Stede Weescamer nopende eenige stucken schilderijs jegens een stuck twelck den 
schilder voornoemt verclaerde by Mr. Rembrant gedaen te sijn ende selffs aen 
den voorsz. Mr. Rembrant besteet te hebben, soodat hy deposant verstaen heeft, 
dat desdve reuylinge naederhant zyn vortgangh heeft gehadt. Wyders niet enz. l ) 



l ) Prot. Not. J. ta« Vesanevblt, Leiden. 



VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

zoo te Alkmaar als door Alkmaar elders geschonken, 



DOOR 



P. J. GLASZ. 




E volgende opgave der geschilderde glazen te Alkmaar 
of door deze stad hoofdzakelijk in de 16de e n 17de eeuw 
geschonken — zij is hoofdzakelijk samengesteld uit de 
resolution der vroedschap en de thesauriersrekeningen — 
kan dienen 

ie om te doen zien, dat de glasschilderkunst 
een belangrijker plaats in het godsdienstige leven dier 
eeuwen heeft ingenomen dan wel wordt gedacht. Immers 
het blijkt, dat zelfs de kerken der kleinste dorpjes van geschilderde glazen 
waren voorzien; 

2e om aan te toonen, dat het protestantisme dier dagen geenszins afkeerig 
was om de kerkgebouwen te versieren en ze vol stemming te maken door het 
licht, dat door het geschilderde glas binnenvalt; 

3e tot een bewijs, dat Alkmaar in dien tijd een stad van aanzien was en 
zich ook zoo gevoelde; 

4e om te laten zien hoeveel moois er voor altijd verloren is gegaan. Een 
aansporing om zorgvuldig te bewaren wat er nog is. 

Oud-Hollandy 1908. 10 



70 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

I. MEDEMBLIK. 

Toen in April 1555 een hevige brand een groot gedeelte der stad 
Medemblik verwoestte, werd daardoor tevens de kerk in asch gelegd *). Kerk- 
meesters besloten haar te herbouwen en zoo mogelijk in haar vroegeren luister 
te herstellen. Zij richtten daartoe ook aan Alkmaar het verzoek om een ge- 
schilderd glas. Burgemeesters brachten dit verzoek in de vroedschap, en deze 
besloot 28 Maart 1558 „dat die stede vernemen zaL ande kerkmrn. van medem- 
blick, wattet glas kosten soude dat zij versouckende zijn omme alsdan geconsenteert 
te worden nae goetduncken vande vroetscap". Wanneer in 1560 de bouw der 
kerk zoo ver is gevorderd, dat het dak gereed is, wordt 4 November besloten, 
dat men „dye stede van Medemblyck tot behout van hare verbrande kerke 
scenken sullen een glas tot discretie van burgermren." 

Het ontbreken der thesauriersrekeningen laat ons in het onzekere aan wièn 
de levering van dit glas is opgedragen en welke prijs er voor is besteed. 

IL 's-GRAVENHAGE. 

's-Gravenhage was in 1565 een nieuw stadhuis rijker geworden 2 ). Zeker 
om een bewijs te geven van vriendschappelijke gezindheid jegens- de plaats 
waarheen zij ter dagvaart optrokken, hadden verschillende steden aan de nieuwe 
vergaderplaats van 's-Gravenhage's vroedschap glazen geschonken. Ook Alkmaar 
wilde van die zelfde gezindheid getuigenis afleggen, en den 3en November 1567 
lezen wij als resolutie van de vroedschap: „soe is eendrachtelicken geaccordeert, 
als dat dye stede zal scenken upt nyeuwe stadthuys inden Haege twee glaesen, 
gelijk andere cleyne ende groote steden gedaen hebben, daer dije andere cleyne 
steden voer betaelt hebben XI gulden' 1 . 

Ook hier laat het ontbreken der thesauriersrekening ons in onwetendheid 
omtrent den schilder en den prijs dezer glazen. 

III. OÜDEWATER. 

Waren, toen in 157,5 de stad Oudewater door de Spanjaarden was ingenomen 
en de stad grootendeels door hen was verbrand — al werd de oude parochiekerk 
ook gespaard — misschien de geschilderde glazen gesprongen of beschadigd? 
Of hadden andere omstandigheden het noodzakelijk gemaakt, dat zij werden 
vernieuwd ? 

In ieder geval de steden Delft en Rotterdam hadden aan Oudewaters kerk 



l) Dirk Burger tan Schoorel, Chronyk van de Stad Medenblik. Hoorn, 1728, in 80. bis. ax. 
3) Mr. Jacob de Riemer, Beschrijving van 's-Gravenhage, bl. 583. 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 71 

een nieuw glas geschonken en aan Alkmaar werd hetzelfde verzocht. Voordat 
de vroedschap evenwel daarvoor de toestemming gaf, werden burgemeesters 
uitgenoodigd eerst eens te informeeren hoeveel het kosten moest. Daarom richtten 
zij 4 Sept. 1578 een schrijven aan Claes Heynricxsz. en Mr. Nanning van 
FOREEST gedeputeerden ter dagvaart, waarin zij hun opdroegen bij de afgevaar- 
digden van Delft en Rotterdam te onderzoeken „hoeveel 't glas by haer inde 
kerke van Ouwater gegeuen gecost heeft ende de stadt daarvan verwittigen". 

Kwam de door Rotterdam en Delft besteedde prijs Alkmaars vroede vaderen 
wat hoog voor, toch hebben zij er geen aanleiding in gevonden het te weigeren, 
alleen werd by het consent 31 Jan. 1579, „dat Burgermn. van stadtswegen die 
van Oudewater een glas sullen geuen in haer kercke" den uitvoerders op het 
hart gedrukt „dat Burgermn. tselue zullen besteden, zo na doenlick es". 

Naam van den schilder en prijs van het glas zijn om de zoo even genoemde 
reden mij onbekend gebleven. 

De vraag kan worden gesteld waarom Delft en Alkmaar aan Oudewater 
een glas schonken. En het antwoord moet dan aldus luiden. Volgens Boomkamp ') 
zou in 1420 tusschen burgemeesters van Alkmaar, Oudewater en Delft een over- 
eenkomst zijn gesloten, waarbij bepaald werd, dat men elkanders burgers weder- 
keerig als ingeborenen het burgerrecht zou gunnen. Een overeenkomst die, zegt 
BOOMKAMP, „tot op heden nog standt grijpt" (1747)- Vandaar vindt men te 
Alkmaar aan het waaggebouw en aan het geschilderd gewelf van de consistorie- 
kamer der Groote kerk nog de wapens van Delft en Oudewater, welke steden 
eveneens hare openbare gebouwen met die harer bondgenooten versierden. Zoo 
zal het ook uit deze nauwe relatie tusschen de steden zijn voortgekomen, dat 
Alkmaar aan Oudewaters kerk een geschilderd glas gaf. 

IV. St. PANCRAS. 

14 Dec. 1594 werd door de vroedschap besloten, „dat die stede een glas 
mettet wapen van de stadt sal geven en laten maken in St. Pancraser kerk". 
Schilder en prijs van het glas zijn onbekend. 

V. EDAM. 

Op een der opschriftborden in de St. Nicolaaskerk te Edam leest men: 
Alsmen schreef 1600 twee: geschied ons hier ter ste groot lee : In February 

den 24 dach: Men dese kerek, veel huysen me, verbranden sach: Door shemels 

vier, en Donders bliexsems slagen: Gedenkt dees plagen. 



1) Boomkamp, Alkmaer en datelf s geschiedenissen, bid. 11. 

11 



72 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

Toen nu reeds in Augustus van dat zelfde jaar de herbouw ter hand werd 
genomen, hebben de kerkmeesters niet te vergeefs een beroep gedaan op de 
groote en kleine stemhebbende steden van Noord- en Zuid-Holland, de Gedepu- 
teerde Staten van Westfriesland en het Noorderkwartier en andere macht- 
hebbenden, om de 34 vensters van geschilderde glazen te voorzien. 

Ook Alkmaar schonk het gevraagde en burgemeesters werden 29 Sept. 1605 
„geauthoriseert om die van Edam een glas in haer kerke te geven, mits dattet 
selve gesteld zal worden, op zijn behoorelycke plaetse en ordre", . 

In 1606 was dit glas gesteld en had een plaats gevonden in het midden- 
pand der koorsluiting. Alkmaar kon tevreden zijn. Het had de eer ontvangen, 
op welke het meende aanspraak te mogen maken. 

VI. MARQUETTE. 

Daniël de Hertaing, luitenant-generaal der ruiterij, in dienst derVeree- 
nigde Nederlanden, Heer van Marquette, nabij de stad Bouchain, in Henegouwen 
gelegen, had van Karel van Ligne ii Jan. 161 1 diens goederen te Heemskerk 
gekocht. Deze goederen bestonden in een huis, [een oud slot, landen etc. en 
droegen toen den naam „Zevenbergen". Op verzoek van Hertaing, 16 Nov. 
161 1, bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland 24 Maart 161 2, dat hij, 
wijl hij „alle sijne Heerlyckheden ende Goederen aen de ander zijde onder de 
Eerts-Hertogen gelegen hadde verkocht, onder anderen oock sijn Huys ende 
Heerlijckheydt van Marquette" daarom „in consideratie van de lange getrouwe 
dienste sijns Vaderlants, den name van zijne voorschreve gekochte Huyse ende 
Heerlijcke Goederen van Heemskerck mochte veranderen in Marquette". 

Alkmaar heeft er zeker prijs op gesteld goede betrekkingen met den Heer 
van Marquette te onderhouden, en eveneens deze. Zoo gaan 161 3, toen op Marquette 
een zoon was geboren, Alkmaars burgemeesters, Mr. Jan van Wittendel en 
PlETER VAN Teylingen, naar Marquette, om getuige te zijn bij de doopplechtig- 
heid, en schenken zij als pillegift voor den jonggeborene een zilveren kop, ter 
waarde van 235 gld. In 16 14 gaan de burgemeesters Adri AEN M aertsz. Coeten- 
BURGH en PlETER JACOBSZ. van Teylingen wederom naar den Heer van Marquette 
en brengen hem „een nieuwe duytsge bybel", waarvoor zij 14 gld. 1 st. hebben 
betaald. 

In dat zelfde jaar vermeldt de thesauriersrekening „betaelt aan Reynier 
Jansz., bode van Burgermn. der stadt Haerlem, de somma van 53 gld. 18 st. 
over vier glazen mette wapene deser stede by hem gemaect en gelevert opt huys 
ter Marquette." 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 78 

VII. Mr. NICOLAES CROMHOUT TE 's GRAVENHAGE. 

In dat zelfde jaar werd aan Willem Jansz. Molenvliet gegeven 50 gld. 
„om daer mede te betalen Vincent Heijndrix in den Hage de glasen, daermede 
Mr. NICOLAES CROMHOUT, raet in de provinciale rade, bij dese stede es vereert". 

Het is mij niet mogen gelukken op te sporen waardoor hij deze schenking 
der stad heeft verdiend. 

VIII. JOHAN COLTERMAN TE HAARLEM. 

De Heer Johan COLTERMAN, rentmeester der domeinen van Kennemerland 
en Westfriesland, had van Alkmaar ten geschenke gekregen „in syne huysinge 
[te Haarlem] een glas met het wapen deser stede neffens andere steden van desen 
Quartier 91 . Lang mocht hij niet van deze schenking genieten. Want — volgens 
vriendelijke mededeeling van den Heer Archivaris van Haarlem — werd tusschen 
27 Maart en 3 April 16 16 in de Groote kerk te Haarlem begraven de Heer 
Burgemeester Johan Colterm an. De Thesaurier van Alkmaar betaalde in 1616 
aan zijne weduwe, Susanna Danielsdr. van Vlierden, 36 gld. voor de onkosten 
van dat glas, 

IX, OUDE DOELEN TE ALKMAAR. 

Aan den bekenden Haarlemschen glasschilder Claes Abrahamsz ") 
werd 6 December 161 8 besteed het afbeelden der Hollandsche graven op de 
glazen der groote zaal in de Oude Doelen. Twee-en-twintig personen, zoo uit den 
krijgsraad als uit de regeering, verbonden zich ieder 15 gld. te betalen. Evenwel 
behoefde de som, waarvoor zij zich hadden verbonden, niet geheel te worden 
betaald, wijl het werk 264 gld. kostte. 

X. OOST-ZAANDAM. 

Zonder daartoe door de vroedschap te zijn gemachtigd — de resolution 
bevatten althans zulk een machtiging niet — hebben burgemeesters aan de kerk 
van Oost-Zaandam glazen geschonken. In 1624 werd aan „Cornelis JACOBSZ., 
glasemaker, de zomme van 65 gld. 6 st. betaalt overt maken ende schrijven van 
de glasen der kercke tot Saenredam van wege dese Stadt vereert. 9 ' 

XL DE BEEMSTER. 

Evenzoo vermelden de resolution der vroedschap niets van een glas, dat 
door de stad aan de kerk in de Beemster is gegeven. Toch is dit geschonken. 



l ) Zie over hem A. r. d. Willigen, Lts artistes dt H ar Um y pag. 66. 



74 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

In de thesauriersrekening van 1625 staat: „noch heeft de voornoemde rendant door 
last als vooren getelt aan David van Os, van wege kerkmeesteren van de 
Beemster, de somme van hondert gulden, in voldoeninge van een glas bij de 
heeren Burgemeesteren van wege dese stadt in de voorsz. kercke gegeven." 

David van Os was kerkmeester van de Beemster, de zoon van den 
bekenden Dirck van Os. 

Dit glas moest dienen tot versiering van het nieuwe kerkgebouw, dat in 
den zomer van 1623 reeds zoover gereed was, dat het den 30 Juli door 
Ds. HüisingiüS kon worden ingewijd. 

Behalve door Alkmaar werden ook door den Prins van Oranje en door 
verschillende steden geschilderde glazen aan de Beemster kerk geschonken '). 

XIL ZUNDERDORP. 

Evenzoo schonken burgemeesters, zonder er toe gemachtigd te zijn, op 
een daartoe gedaan verzoek een glas aan de kerk te Zunderdorp in Waterland. 
In 1627 betaalt de thesaurier „aen PlETER Harmens, glasemaker uit Monickendam, 
de somme van twee ende veertich gulden, overt maecken ende schrijven van het 
glas bij de magistraten deser stede in de kercke van Sunderdorp in Watertandt 
vereert". 

XIII. HEEMSKERK. 

De kerk te Heemskerk was in 1628 in die gedaante gebracht, welke zij 
nu nog heeft. Tot hare versiering vroegen de regeerders van dat dorp geschilderde 
glazen, ook een van Alkmaar. 5 Februari 1629 besloot de vroedschap dit te 
geven. Evenwel schijnt de plaats, die de kerkmeesters aan het Alkmaarsche glas 
wilden toekennen, naar het oordeel der burgemeesters niet overeenkomstig de 
waardigheid der stad te zijn geweest. 23 April berichtte men dan ook aan 
Heemskerk, „dat men de plaats van 't glas in de kercke soude moeten hebben, 
na de plaetse van Haerlem, oft dat men anders geen glas van wegen de stadt 
sal geven". 

Heemskerk heeft zeker het verzoek van Alkmaar niet ingewilligd, en als 
gevolg daarvan bevat de thesauriersrekening geen post die betaald is voor een 
glas aan de kerk te Heemskerk. 



1) J. BOUMAN, Bedijkimg, opkomst en bloei v. d. Beemster, bid. 32, 197—201. Ds. ADBIANU8 Wolff 
zegt in de # Aentekeningen" achter zijn gedicht De Bedyking van de Beemster, bl. 40: „Indien my bekent 
waeren de Gevers en Geschenken ten dienste in en tot Yei siering der Kerke, ik zoude beide vermelden". 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 75 

XIV. EGMOND AAN DEN HOEF. 

In dezelfde vroedschaps vergadering, waarin men het vooraf medegedeelde 
besluit ten opzichte van Heemskerk nam, werd op een request van den baljuw, 
de magistraten en gemeente van Egmond a, d. Hoef om subsidie voor den opbouw 
der kapel, d. i. voor de herstelling der vroegere kapel, nabij de bouwvallen van 
het slot, besloten: „deselve te subsidieeren met een somme van 500 gld., te 
betalen de eene helft als 't werk bij de hant genomen es, ende d'ander helft 
als 't werck volmaeckt es; mits dat uyt de leste paye bekostigt sal worden een 
glas in de capelle op een plaets, die na de qualiteyt van de stadt eerlick ende 
convenabel es". 

En waar Egmond a. d. Hoef tegen het laatste geen bezwaar had, versierde 
naast de twaalfandere gebrande glazen ook dat van Alkmaar de in 1633 voltooide kerk. 

Het ontbreken der thesauriersrekening doet ons niet weten hoeveel dit 
glas aan Alkmaar heeft gekost. 

Uit het zeer geschonden glas, dat zich nog in de kerk bevindt, schijnt, 
volgens v. Arkel en Weissman te blijken, dat de schilders zijn geweest (J.) M. 
Eng(elsman) en Clae(S) van (der Heck); maar het stukje glas, waarop laatst- 
genoemde letters voorkomen, is kennelijk van elders afkomstig en gebruikt als 
aanvulling van een verloren gegaan gedeelte. 

XV. OOSTZAAN. 

„Toen 't oude Godshuys dat hier stond 
was afgebroken tot den grond, 
is deerste steen aan deeze Kerk 
ten dienste der Godheyd toebereyd 
int LXst jaar vant XVIIIde eeuw 
door Jacob Aartszoon speciaal geley^* 

Voor dat oude afgebroken kerkgebouw vragen de magistraten van Oost- 
zaan een glas aan Alkmaars burgemeesters. Op hun voorstel werden zij 20 Juli 
1632 door de vroedschap geauthoriseerd „om hen eerst te informeeren op de 
gelegentheyt van de plaetze, mitsgaders van de costen, ende ingevalle hen daerinne 
ten eenen ende ten anderen contentement kan worden gedaen, daer inne alsdan 
te mogen disponeren, soo hare E. bevinden sullen te behoiren." 

De thesauriersrekening ontbreekt en daardoor verkeeren wij in het onzekere 
of Oostzaan het glas heeft gekregen en weten wij ook niet wie — indien het 
geschonken is — het glas heeft geschilderd. 

XVI. OTERLEEK. 

In de ankers van den westelijken gevel der kerk te Oterleek leest men 
het jaartal 1633. Hoogstwaarschijnlijk het jaar der voltooiing. 



76 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

Voor deze kerk werd ook van Alkmaar een glas gevraagd en de vroedschap 
stond dit verzoek 8 Juli 1634 toe „mits dat dese stadt gegeven worde de 
behoirlyke plaetse." 

Aan PlETER HOLSTEYN 1 ), den bekenden Haarlemschen glasschilder, aan wien 
de beschildering van zoovele kerkglazen werd opgedragen, werd ook door Alkmaar 
de beschildering van het glas voor de kerk te Oterleek toevertrouwd. 

Het werd in 1635 geplaatst en versierde met de door andere steden 
geschonken glazen het kerkgebouw. 

In een door G. Boomkamp geschreven boek: De Stadt Alkmaer met 
haare Dorpen *), de waarnemingen bevattende door hem en zijne vrienden 
op verschillende plaatsen van Noordholland in 1740 gedaan, worden als door 
J. VAN DEN BERG te Oterleek aangetroffen geschilderde glazen vermeld, geschonken 
door 1 Westvriesland en Noorderquartier, 2 Alkmaer 163$, 3 Enkhuizen 1634, 
4 Hoorn 1635, 5 Amsterdam 1635, 6 Uit liefde dan geeft de stat Monnikendam 
dit glas 1635, 7 Tot Gods Eere verheven heeft de stadt Purmerendt dit glas 
gegeven 1635, 8 de Heer Huigowaert, 9 Regenten van Oterleek, 10 't Koninglijk 
Medemblik dit glas hier heeft gegeven, om niet naer schijn, maar zijn den Heer 
te helpen leven 1634, 11 Tot opbouwing van Gods plaets en Kerk geeft de stad 
Edam dit glas en werk 1635. 

XVII. SCHERMERHORN. 

1 

De eerste steen voor de nieuwe kerk te Schermerhorn werd gelegd 
12 Juni 1624. Het is een der zeer weinige kerken die, hoewel bestemd voor 
den prote5tantschen eeredienst, gebouwd zijn met een koor, terwijl het schip 
zijbeuken heeft 

Verschillende Noord- Holland sehe steden schonken aan deze kerk glazen en 
ook Alkmaar besloot een te geven, „mits dat des stads glas een behoirlijke 
plaetse sal worden gereserveert." 

Het oostelijke koorvenster werd Alkmaar aangewezen, en aan PlETER 
HOLSTEYN de opdracht gegeven het glas te schilderen. Hij ontving volgens de 
thesauriersrekening van 1635 „voor de twee geschreven glasen, door Burgermn. 
gegeven aen die Kercken te Schermerhorn en Oterleek", de som van 225 gld. 

XVIII. BLOEMENDAAL. 

De predikanten der classis Haarlem deden, toen een kerk te Bloemendaal 
moest worden gebouwd, een beroep op Alkmaar om subsidie. En goedgeefsch 



*) Y. D. WlLLIGBV, bid. I77. 

2) Met teekeningen door Boomkamp, In Alkmaars gemeente-archief. 



ZOO TE ALKMAAR AL3 DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 77 

als immer, werden door de vroedschap «bürgern n. geauthoriseert om deselve in 
redelickheyt te subsidieeren" i Sept. 1635. 

Het is wel eigenaardig, dat in geen thesauriersrekening melding wordt 
gemaakt van de verstrekte subsidie voor den opbouw der kerk, evenmin van de 
som die besteed is voor het glas dat in 1636 door Alkmaar aan die kerk is 
geschonken. 

Behalve door Alkmaar werden geschilderde [glazen gegeven door Dordrecht, 
Leiden, Hoorn en Beverwijk, de Staten van Holland en West-Friesland, Haarlem, 
den Heer en Vrouwe van Brederode, de familie van Valkenburg. 

Deze beschilderde glazen zijn in 1869 verkocht. De vier laatstgenoemde 
glazen zijn toen voor het raadhuis te Haarlem gekocht. 

XIX. BUIKSLOOT. 

Minder gelukkig dan Bloemendaal was Buiksloot. Want de resolution der 
vroedschap van 30 Mei 1637 vermelden „'t versoek van kerkmeesteren van 
Buyksloot om te hebben vereert een glas in de kerke aldaer te bouwen es 
gehouden in .bedenken". Een bedenken dat het verzochte glas niet in de kerk 
heeft gebracht. 

XX. ETERSHEM. 

In 1638 had de gemeente te Etershem bij Oosthuizen, besloten een kerk 
te bouwen. Zelf niet in staat uit eigen middelen geheel dien opbouw te bekostigen, 
werd ook aan Alkmaar een subsidie verzocht en deze toegestaan. Ze was groot 
115 gld., te betalen „de eene helft als 't werk by den hant werd genomen, en 
de wederhelft na dat 't selve opgemaect sal wesen." Maar behalve subsidie voor 
den opbouw, gaf Alkmaar ook nog een geschilderd glas. De schilder was 
Jan Mz. Engelsman. 

XXI. BROEK IN WATERLAND. 

Aan J. Mz. ENGELSMAN werd ook opgedragen de beschildering van een 
glas, dat geschonken werd aan de in 1639 voltooide kerk te Broek in Waterland. 
Den schilder werd voor de glazen in de kerken te Broek in Waterland en Etershem 
uitbetaald ƒ 229 : 10 : — . 

Deze waren evenwel niet de eenige glazen, die in dat jaar door ENGELSMAN 
voor Alkmaar aan verschillende kerken werden afgeleverd. 

Oud-Holland, 1908. 11 



78 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

Hij plaatste toen ook een glas in de kerken te 

XXII. DE RIJP. 

XXIII. WORMERVEER. 

XXIV. KROMMENIE. 

Hem werd voor deze 3 glazen in 1640 betaald ƒ 246: 10: — 

XXV. ZUID-SCHERMER. 

Terwijl Engelsman daarmede bezig was, kreeg hij opnieuw een opdracht 
van Alkmaars burgemeesters. Toen namelijk Zuid-(Groot)Schermer voor haar 
kerk een glas vroeg, werd dit bij besluit van 13 Nov. 1640 toegestaan. 
Engelsman ontving daarvoor 102 gld. 

XXVI. PURMERLAND. 

Had ENGELSMAN het misschien te druk met het vervaardigen van ver- 
schillende glazen, die hem waren opgedragen, om ook nog op zich te nemen het 
schilderen en branden van het glas, dat burgemeesters gemachtigd werden — 
13 Nov. 1641 — te schenken aan de kerk te Purmerland ? Of was de afstand te ver? 

De uitvoering van dit werk werd althans opgedragen aan Hendrik 
SCHUURMAN, glazenmaker te Oostzaan, wien voor dit werk in 1642 werd uitbe- 
taald 112 gld. 

XXVII. GROOTE OF SINT-LAURENSKERK TE ALKMAAR. 

In 1642 werd aan ENGELSMAN een zeer belangrijk werk opgedragen. Hij 
moest het glas schilderen in het raam van den zuid er-kruis gevel der St. Laurens- 
kerk. Wat de stadsregeering er toe gebracht heeft om dat raam der kerk met 
een glas te versieren is wel te vermoeden. 

Hoewel VAN BUCHEL, die in 1591 Alkmaar bezocht, enkel melding maakt 
van het geschilderde glas, dat op last van den Hertog van Saksen, nevens der- 
gelijk glas te Haarlem, ten koste van beide steden en onderhoorige dorpen, in 
de kerk was geplaatst als boeteglas voor de vermoording van den schout 
NlCOLAAS VAN Ruyven te Haarlem door het verwoede Kaas-en-broodvolk — 
en waarop was afgebeeld 1 ) „een geknielde krijgsman, waarom heen vier gekleurde 
wapens en met het onderschrift „Anno 1492 drie dagen in Mei sloegen de 
Casenbroots de poorten van Haerlem op ende Claes van Ruwen van Haerlem 



*) Zie de gravure in De stad Haarlem en haare geschiedenissen , door v. OOSTEN de Bruyn, bl. 316. 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 79 

doot. In memorien deze glasen gemaeckt zijn" — zullen er in dat jaar wel meer 
geschilderde glazen aanwezig zijn geweest. Indien er niet waren het in 1505 door 
den vice-cureit PELT gegeven glasraam, voorstellende CHRISTUS als hovenier, met 
MARIA Magdalena in den hof, of dat in de CORF's-kapel, waarvan nog in 1572 
door Willem Tijbout, glasschrijver te Haarlem, een uitgeworpen ruit, God den 
Vader voorstellende, voor 32 st. werd hersteld — zeer zeker moet er aanwezig 
zijn geweest het kolossale glas in den noorderkruisgevel. 

Dit glas was in 1516 door Foy Jacobs te Leiden geleverd en hij had er 
voor uit handen van VAN Teylingen, den kerkmeester, ontvangen de niet onbelang- 
rije som van ƒ 275:14. 

In 1688 was het nog in goeden toestand en werd het door Adriaen 
Westphalen in dezer voege beschreven: 

„Omhoog was, op last van kerkmeesters en uit de opbrengst van het 
offergeld, voorgesteld de geschiedenis van de beide beschermheiligen der kerk 
S.S. Laurens en Matthias, waarbij ook de marteling van den eersten op den 
rooster, alles levensgroot; daaronder waren, eveneens ter levensgrootte, afgebeeld 
Keizer Maximiliaan en 7 Keurvorsten, deels in wapenrok, deels in geestelijk 
gewaad, ieder staande boven zijn wapen ; en beneden deze wapenrij de heiligen 
Laurens, Matthias, Benedicta en Clara, de laatste met de ciborie en hostie 
in hare hand; ter weerszijden CLAES Corf en zijne vrouw Geertruid, die bij 
hun leven dit alles zouden bekostigd hebben, gekleed in bonte tabbaarten en 
geknield voor een schabel, met hunne wapens nevens zich; en nog lager (hetgeen 
dan voor rekening der erfgenamen moet zijn gemaakt) hun zoon Dirk Sijmonsz., 
overleden in 1510, en 3 schoonzoons: mr. Jacob Pijnsz., Reinier de Jonge, 
Heer van Baardwijk, en Jan, Heer van Liesveld, Heemstede en Zijlhof, met 
hunne vrouwen Gerarda, Wendelmoet en Marie Corf, blootshoofds en met 
gevouwen handen, mede op rood fluweelen kussens knielende, ieder boven zijn 
wapen' 1 . 

Door de regeering werden al spoedig pogingen in het werk gesteld om 
het zuiderkruisraam van een dergelijk mooi glas te voorzien. Burgemeester Jan 
Gherijtsz. en Barthout Gherijts deden daartoe in 1519 een reis naar Brussel. 
Den kanselier, den Heer VAN AUGI, werd in Augustus een vereering toegelegd 
van 30 rijnsgulden om de belangen der stad in deze te dienen, en in October 
werden 67 rijns-guldens betaald voor wagenschot aan den Heer VAN MONTIGNIJ, 
graaf van Hoogstraten, gezonden uit erkentelijkheid dat hij zijn best had gedaan 
voor de verwerving van het glas. Evenwel de hulp, die men van den Koning 
hoopte te erlangen, verkreeg men niet, en zoo duurde het tot 1642 voor een 
begin werd gemaakt met de versiering van het zuiderkruisraam. 

]!• 



80 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

We vinden in de resolution geen enkel besluit om tot de uitvoering van 
dat werk, dat toch geen geringe som zou kosten, over te gaan« 

In de thesauriersrekening van 1642 treffen we in verband met het maken 
en schilderen van dat glas de volgende posten aan: 

Aen Jan Maerts Engelsman, glasschrijver, in minderinge ende ter goeder 
reeckenirge van 't geënt deselve zal verdienen aent scrijven vant groote glas in 

de parochiekerk ƒ 200 

Aen deselve w 150 

Aen Gerrit v. d. Schuer, glasemaeker n 50 

Aen deselve „ 40 

Aen Heyndrik Jans, glasemaeker „ 50 

Aen deselve „ 40 

In 1643 werd betaald : 

Aen Jan Maerts Engelsman te Hoorn ter goede reecke- 

ning van het scrijven vant nieuwe glas „ 250 

Aen deselve „ 500 

Aen Gerrit v. d. Schuer en Heyndrik Jans .... „ 495 : 12 : — 

zoodat in deze twee jaren was betaald de som van ...... / 1775 : 12: — 

In 1644 werd den 11 April het besluit genomen „de beeren burgemees- 
teren en out-burgemn. te authoriseeren om te accorderen met den glaseschryver 

absolutelyk en met de presenten te sluijten." 

Ik vermoed — in verband met de thesauriersrekening — dat men toen, 

met Engelsman een contract heeft afgesloten om het raam ook nog te versieren 

met de wapenen der 24 vroedschappen. 

De thesauriersrelcening van 1644 vermeldt de volgende posten: 

Aen J. Mz. Engelsman over en in betaelinge van de wapenen van de 

vroetschappen der stede gestelt int nieuwe glas. . ƒ 300 

Aen deselve ........*... „ 516 

Aen deselve in volle betaling „ 579:10: — 

Aen Jan Scheltis, waert in 't nieuwe Huys van Gemack, 

voor verteerde kosten ten sijnen huyse door J. Mz. ENGELSMAN w 36; 10: — 
.... verstrekt aan de taxateurs van 't groote glas tot 

dien eynde van Amsterdam en Haerlem ontboden „ 50 

ƒ1542 
In 1645 vinden wij nog de volgende post: 

.... wegens 't restoor 't welck hem is toegeleyt voor het nieuwe 

glas ƒ 100. 

Zoodat het geheele glas heeft gekost / 3417 : 12 : — . 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 81 

Nu is het zeer zeker jammer, dat Westphalen ons wel gegeven heeft de 
beschrijving van het glas in het noorderkruis, en over dat in het zuiderkruis 
zwijgt, te meer waar, gegeven de bekwaamheid van Engelsman, dit glas toch 
ongetwijfeld een waardig pendant van het glas in het noorderkruis zal zijn geweest. 

De eenige, die melding van het glas maakt, is V. D. WOUDE in zijn 
Kronijck Van Alcmaer, met sijn dorpen, Alkmaar 1645 in 120, als hij, sprekende 
over de St. Laurenskerk, „'t Ciraet van onse stad, het pronksel der gebouwen 1 ' 
en roemend de „frayigheyt, doorluchtigheyt en kunst" die daar in te vinden zijn, 
van het nieuwe glas zegt: 

„Het nieu gebakken glas, doet konst, en eer uytbrallen: 
Voornaem'lijck daer, daer Mars aenrand' ons zegewallen". 

Mij dunkt dat het aan geen twijfel onderhevig is, of het middengedeelte 
van het glas zal een voorstelling hebben gegeven van de vruchtelooze bestorming 
van Alkmaar door de Spanjaarden in 1573. Een tafreel uitnemend passend in 
dat gebouw, waarheen de vaderen zoo menigmaal waren gegaan om de zege 
af te smeeken en dat tevens tot het nageslacht sprak van een roemrijk gedeelte 
van Alkmaars geschiedenis. 

XXVIII. AVENHORN. 

Terwijl ENGELSMAN dit groote werk in de jaren 1642 — 44 onder handen 
had, vervaardigde hij in 1643 een glas, dat door de stad geschonken was aan 
de nieuwe kerk te Avenhorn. Hendrik Jansz. ontving voor het leveren van glas 
33 gld.; aan ENGELSMAN werd uitbetaald 66 gld. 

XXIX. WATERGANG. 

Voor de in 1642 te Watergang gebouwde kerk was de levering van het 
door Alkmaar gegeven glas opgedragen aan den hiervoor genoemden Oostzaner 
glasschrijver HENDRIK SCHUURMAN, die daarvoor in 1643 ontving 63 gld. 

XXX. NIEUWENDAM. 

In 1644 werd een nieuwe kerk gebouwd. Aan Alkmaar werd nu niet 
alleen een glas, doch tevens subsidie gevraagd. Het eerste werd 11 Juni 1644 
gegeven, het tweede geweigerd. 

Jan Bijster, die 8 Oct. 1644 te Alkmaar als glasschrijver lid van het 
schildersgild was geworden, schilderde het glas en ontving daarvoor 100 gld. 



82 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN 4 

XXXI. WESTZAAN. 

Aan J. Bijster werd ook toevertrouwd het schrijven van het glas, dat 
door de vroedschap 7 April 1646 aan de kerk van Westzaan werd vereerd, „mits 
ettende op de rang en mesnagie." Den schilder werd in 1647 uitbetaald 72 gld. 

XXXII. EGMOND AAN ZEE. 

Over de fundamenten der kerk, die in 1745 voor het laatst werd gebruikt, 
spoelt nu de zee. Toen Boomkamp haar in 1740 bezocht, was zij reeds in zeer 
bouwvalligen staat. Zij had toen nog maar een half dak. In die kerk vond hij 
op een bord: 

„Versierders van des Heeren Kerk, en voedster beeren van het werk, 
't Welk tot 's volks stigting hier omgaet, versiersels van den staet en raedt. 
Men ziet hier in godsvruchtigheidt, het hemelshuis u zij bereidt 
Daer Gods gemeenten wezen zal: Bij God die alles is in al/' 
I664. H. BRUNO. 

Evenwel moet vóór 1664 reeds het werk der versiering ter hand zijn 
genomen. Want in 1648 schonk Alkmaar aan die kerk een geschilderd glas, dat 
door JAN BIJSTER werd vervaardigd en waarvoor hem in 1648 werd betaald 
80 gld. en in 1649 nog 14 gld. 

XXXIII. LISSE. 

Wie het glas heeft gemaakt, dat in 1649 de kerk van Lisse tot versiering 
werd geschonken, weten wij niet. We vinden van dit glas alleen dit vermeld: 
„29 Mei 1649 es toegestaen 60 gld. te betalen tot het glas bij die van Lis in 
haer kerke gestelt, met het wapen van Alcmaer." 

XXXIV. OUDENDIJK. 

Voor de kerk te Oudendijk, waarvan de eerste steen werd gelegd 2 Juni 
1649, werd ook aan Alkmaar een glas gevraagd. Toen nu dit werd toegestaan, 
mits men lette op de plaatsing naar rang, werd aan PlETER HOLSTEYN de ver- 
vaardiging opgedragen. 

De thesaurier betaalde hem voor zijn arbeid f 107 : 15 : — . 

XXXV. WEST-GRAFTDIJK. 

De steen boven den ingang der kerk te West-Graftdijk vermeldt nog, dat 
zij is gesticht 165 1. De deur van het doophek draagt naast het wapen van 
Graft, dat van Alkmaar tusschen twee dolfijnen. Het is zeer zeker wel als uiting 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 88 

van dankbaarheid voor den steun dien Alkmaar had gegeven, dat men dat wapen 
daar heeft gemaakt. Nu was Alkmaar dan ook niet karig geweest De vroed- 
schap besloot 28 Oct. 165 1 aan de kerk op de Westerbuurt te Graftdijk toe 
te staan 100 gld. en een glas. 

Elbert Ockense, glasschrijver te Amsterdam, ontving daarvoor in 1652 
de som van 60 gld. 

Boomkamp zegt in het meer aangehaalde werkje „in dese kerk zijn veel 
geschilderde glasen, waer in het VQlgende te lezen: 

ie. Johannes Jacobus Brouwer in de witte klok tot Haerlem. 

2e. Dit glas is hier gesteh met dat oogmerk 

Om daer door het ligt te ontvangen in Godes kerk. 

Maer wille wij met God in vreugde leven 

Zoo moeten wij de zonne der geregtigheyd aenkleven. 

3e. uyt Liefde verheven 

hebben Schout, Schepenen, Vroedschappen en Secretaris 

dit in dese kerk ter eerc Gods gegeven. 1652. 

4e. als men 1652 heeft geschreven 

hebben Regeerders in de Rijp ter eere Gods 
in dese kerk dit glas gegeven. 

Het glas door Alkmaar geschonken, moet zonder eenig op- of onderschrift 
zijn geweest, anders had Boomkamp het wel vermeld. Of was het misschien in 
1740 niet meer aanwezig? 

XXXVI. NIEUWE NIEDORP. 

C. van Houten, een van Boomkamp's gezellen, heeft nog gezien het 
glas, dat 17 Mei 1653 aan de kerk te Nieuwe Niedorp werd vereerd. Hij zegt 
van deze kerk zij is „versiert met 2 kopere kroonen, en een orgel, dog ontbloot 
van zijn beste cieraet, de pijpen, die men zeyd gestoolen te zijn door landt- 
loopers; daer hangen twee vendelstokken, alsmede een trommel. In de glaesen 
staen de steden van het Noorderquartier." 

De Amsterdammer Elbert Ockense was de schilder van het Alkmaarsche 
glas. Hem werd in 1653 hiervoor betaald 102 gld. 

XXXVII. ZIJDEWIND. 

Elbert Ockense was ook de schilder van het glas, dat bij het zelfde 
vroedschapsbesluit, waarbij aan Nieuwe Niedorp een glas was toegestaan, werd 
geschonken aan de in 1652 gestichte kerk te Zijdewind. Hem werd daarvoor 
betaald 60 gld. 



84 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

De acht ramen van het kerkje waren, volgens J. DE WlT, een ander 
gezel van Boomkamp, versierd met geschilderde glazen, geschonken door Gecom- 
mitteerde Raden en de 7 steden van West-Friesland. 

XXXVIII. DE RIJP. 

Het is bekend, dat 7 Jan. 1654 een hevige brand het dorp de Rijp 
teisterde; 430 huizen en 150 pakhuizen werden vernield. Ook de kerk en het 
weeshuis werden een prooi der vlammen. 

Hulp werd ook aan Alkmaar gevraagd en deze niet geweigerd. Een der 
godshuizen werd goedgunstig opengesteld om daarin 20 weeskinderen op te 
nemen ten koste van de armerilade. En. toen men bij den herbouw der kerk het 
verzoek deed om, waar de afgebrande kerk met een glas van Alkmaar was ver- 
sierd, ook aan het nieuwe kerkgebouw een glas te schenken, werd dit toegestaan. 
# Den Alkmaarschen glasschilder CORNELIS JANSZ. SPARREBOÖM — in het 

schildersgild gekomen 26 April 1655; gehuwd 25 Augustus 1658 met Trijn 
Claesdr., 24 April 1689 met Ariaentje Jacobs Haerlaey; overleden 13 Juni 
171 3 — werd de uitvoering opgedragen. 

Hij ontving voor dit glas, dat in het koor de eereplaats verkreeg, nevens 
de glazen der 6 andere Noord-Hollandsche steden, van de Uitwaterende Sluizen, 
de Beemster en een makelaar te Amsterdam, 150 gld. 

In 1657 kwamen weer drie verzoeken bij de stadsregeering in om geschil- 
derde glazen. De verzoeken werden gedaan door : 

XXXIX. ILPENDAM, 

door de vroedschap toegestaan den 2 Mei en in hetzelfde jaar vervaardigd door 
Claes JASPERSZ., die in 1665 als glasschrijver in het schildersgild trad en in 
1669 overleed, voor / 131. 

XL. KROMMENIE èn 

XLI. HENSBROEK. 

Tot beider vereering werden burgemeesteren den 27 October gemachtigd 
„met de meeste mesnagie". Voor het eerste werd aan Claes JASPERSZ. in 1658 
betaald ƒ 105; voor het tweede in 1659 aan CORNELIS JANSZ. SparreBOOM/ioo. 

XLII. DE VUURSCHE. 

Gerardt van Rhede, raad der Admiraliteit van Amsterdam, heer van 
Drakenstein en de Vuursche, was 15 Jan. 1645 gehuwd met Catharina VAN 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 85 

Teylingen, geboren 1619, overleden 1653, dochter /an Mr. Floris van 
Teijlingen te Alkmaar en zijne tweede vrouw Eleonora de VIVIEN. Toen 
hij aan de Vuursche een kerk bouwde, verzocht hij aan Amsterdam en Alk- 
maar een glas voor die kerk. De vroedschap van Alkmaar willigde 18 Maart 
1658 zijn verzoek in. Vermoedelijk is dit glas geschilderd door Claes Jaspersz. 
Hem werd althans in 1658 voor het maken vaneenige glazen betaald ƒ 197:16: — . 
Het glas aan de Vuursche zal wel hieronder begrepen zijn. 

XLIII. GRAFT. 

Minder welwillend was de vroedschap ten opzichte van het verzoek der 
magistraten van Graft. Zij besloot 21 Juni 1659 het verzochte glas niet te geven 
„om de consequentie". Deze consequentie zal voor de vroedschap zijn voort- 
gevloeid uit het besluit, da* zij 26 Oct. 1658 had genomen, en waarbij zij na 
rijpe deleberatie geweigerd had subsidie te geven voor den opbouw der kerk te 
Schermer aan de Alkmaarsche vaart. Toch heeft de kerk te Graft, ondanks 
Alkmaars weigering, hare geschilderde glazen gekregen. 

BOOMKAMP vond in 1740 op verschillende glazen nog versjes: 

1. Ziet Jacob en zijn worstel perk 2% 1673. Hebben D ijkgr 

Het sinnebeeld van Godes kerk en Secretaris der Uytwaterende Sluysen 

Die in 't strijdgeloof den Heer verwindt in Kennemerlandt en Westvrieslandt dit 

Hem waerlijk al genoegsaam vindt. glas gegeven. 

3. Den Arck van Noach toebereidt 
Heeft eerst den Oceaen beweidt 
Maar nu zoo wort in dezen tijdt 
deselve van ons volk »eer wijdt 
en breet besaylt aen alle kandt 
tot welvaert van het Vaderlandt. 
Deez segen, maekt ons schippers koen 
Aen Godes huys deez gift te doen. 1659. 

XLIV. URSEM. 

Doch deze consequentie duurde niet lang. Want reeds den 7 Dec. 1659 
„is die van Ursem geconsenteert een glas voor haer kerk tot laste deser stede, 
mits hebbende de behoirlijke rang." 

Het glas werd gemaakt door OUTGER Jansz. Hem werd in 166 1 daarvoor 
betaald 110 gld. 

OUTGER JANSZ. werd 1652 lid van het schildersgild. 

Deze kerk moet verschillende geschilderde glazen hebben gehad. BOOM- 
KAMP's genoot J. V. D. BERG deelde daarvan mede „aen het oosteinde ieder 
der 7 noordhollandsche steden, int zuiderkruis de Uitwaterende Sluizen van 
Oud-Holland, 1908. 12 



86 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, 

Kennemerland en Westvrieslandt. Int noorderkruis Westvriesland ent Noorder- 
qwartier. Op een der glazen in ovael : 

Laten wij met Lot uit Sodoma gaen 

Opdat wij haer plagen niet ontfaen. 

Doen men 1659 heeft geschreven 

Heeft Lambert Gerrits baas ter eere van Gods 

Huis dit glas gegeeven. 

De overige glazen zijn alle met bij bels che historiën in ovalen beschildert. 
Ook heeft men in een der glazen de vorige kerk." 

XLV. GROET. 

Aan Outger Jansz. werd ook toevertrouwd de beschildering van het 
glas, dat 4 Oct. ,1661 werd bewilligd voor de kerk te Groet. Hij ontving 
hiervoor 70 gld. 

Boomkamp's vriend Jan Bruinvis zegt ook van deze kerk: „daer zyn 
mooye geschilderde glaesen. Op een van de glaesen staet: 

O Heer wij bidden u van herten goet 

Dat gij u zegen tot ons doet, 

En over ons landwerck gemeyn 

En over ons beesten groot en kleyn, 

O Heer zijt ons genadigh en laat u aanschijn 

Over ons ligtend zijn. 1662" 

XLVI. BERGEN. 

Het in 1597 voor den hervormden eeredienst herstelde koor der in 1574 
verbrande kerk te Bergen werd versierd met een glas, dat door Alkmaar 13 Mei 
1662 daaraan werd geschonken, natuurlijk onder voorbehoud van rang.- 

Al bestaat er geen zekerheid, toch ligt het vermoeden voor de hand, dat 
dit glas is geschilderd door Class Jaspersz., wien door den thesaurier voor 
het maken van glazen werd uitbetaald 203 gld. 

Boomkamp roemt ten zeerste de fraaie glazen, die in deze kerk worden 
gevonden. 

XLVII. MAASDAM. 

Jonkheer Frederik van Dorp, Ridder, Heer van Maasdam, was gehuwd 
met Aegidia van Teylingen. Waar nu zijn zwager een glas voor de door 
hem gebouwde kerk aan de Vuursche van Alkmaar had gekregen, meende hij 
hetzelfde voor de kerk te Maasdam te mogen vragen. 

Den 17 Oct. 1662 werd dit verzoek door de vroedschap ingewilligd en 
hem het volgende jaar hiervoor ter hand gesteld 75 gld. 



ZOO TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 87 

Men was zeker van oordeel, dat, met het oog op den inderdaad niet al 
te rooskleurigen toestand der geldmiddelen, er eenige beperking moest worden 
gemaakt in de sommen die men voor de geschilderde glazen betaalde. Daarom 
besloot de vroedschap 21 Nov. 1662 „dat de Stadt een glas gevende in eenige 
kerke, ten hoogstens niet meer als 50 gld. sal geven, ende in cleyne kerken nog 
minder, mits dat de Stadt in rang ende aensienlijkheyt van 't glas, contentement 
sal werden gedaen." 

XLVIII. SCHERMER (Stompetoren) 

Toen evenwel nog niet eens een jaar later „de commissarissen totten 
kerkbouw in de polder van de Schermer", waarvoor in 1658 subsidie geweigerd 
was, een glas vroegen, werd dit toegestaan en hield men zich niet wat de prijs 
betreft aan het besluit van 21 Nov. 1662. 

CORN. Jansz. SPARREBOOM was de schilder van het glas, wien voor het 
maken van dit glas en het aanstonds te noemen 120 gld. werd uitbetaald. 

Aan Outger Jansz. werd „voor de twee glasen dien hij heeft aangenomen 
te maecken den eenen in de Schermer' ende den anderen in de kerck van 
Grosthuysen" betaald 82 gld. 

Behalve door Alkmaar werden glazen geschonken door de andere steden 
van Westfriesland en Waterland, door de Zype, Heerhugo waard en Noordschermer; 
door Hensbroek met het opschrift „Hensbroek geeft dit glas ten dienste van 
Gods huysgezin, uit ijver voor den Heer en liefde tot de reine leer 1667"; door 
Schermerhorn en Zuidschermer die „verheven hebben dit glas aen deze kerk 
gegeven"; door schepenen en vroedschappen van Zuidschermer die „uit liefde 
verheven dit glas ter eere Gods hebben gegeven." 1666. 

LXIX. GROSTHÜIZEN. 

Denzelfden dag, waarop men aan de kerk te Schermer een glas schonk 
„es op de requeste van die van Grosthuyzen om in haer kerk een glas te 
hebben vereert, 't welk begroot en op 30 gld, goet gevonden een eerlijk glas 
aen de voorsz. kerk te vereeren' 9 . 

L. OBDAM. 

Corn. ]z. Sparreboom vervaardigde ook het glas van de kerk te Obdam, 
dat de vroedschap 4 Aug. 1664 aan haar vereerde. 
Hem werd hiervoor betaald 70 gld. 

12* 



S8 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN. 



LI. WARDER. 



Tevens maakte hij ook het glas, dat in 1671 werd geschonken aan de 
kerk te Warder, en waarvoor hij 50 gld. ontving. 

We vinden in de thesauriersrekeningen na 1671 wel verschillende posten 
voor opbouw en herstel van kerken — zoo in 1676 voor den opbouw der kerk 
te Wieringen 50 gld. en in 1679 voor den opbouw der kerk te den Helder 
175 gld., — en al is nu de mogelijkheid volstrekt niet uitgesloten dat daarvoor 
geschilderde glazen in de kerken zijn gemaakt — wij maken van die posten 
geen melding, omdat er geen zekerheid bestaat dat dit is geschied. 

In het jaar 1689 komt nog een post voor die vermeld moet worden. 

LIL KOOG AAN DE ZAAN. 

„Aan Claas V. d. Meulen wegens het maaken en schilderen van een 
glas in de [in 1686 gebouwde] kerck op de Coogh 96 gld." 

Klaas Pietersz. v. d. Meulen, geboren te Alkmaar 10 Nov. 1642, werd 
23 Oct. 1660 als glasschrijver lid van het schildersgild. 

Deze schilder, die in 1673 het glas in de kerk te Graft vervaardigde, 
voor den extra-buidel aldaar, was volgens Houbraken een ijverig man, wiens 
werk waard was geroemd te worden. 

LUI. KAPEL TE ALKMAAR. 

De toestand der glazen in de Kapel was zoo geworden, dat herstel meer 
dan noodig was. Daarom werd door burgemeesters in 1705 besloten de 7 zuider- 
glazen te vernieuwen, terwijl zij 8 Dec. besloten „den glazenmaker aan te zeggen, 
dat hij er voor moest zorgen, op het middelste glas te maken het wapen der 
stad en in de 2 naaste glazen aan elke zijde de wapens van hun edelachtbaren 
[Hendrik Brand, Floris van Teylingen, Leonard Ras, Mr. JohanBaert]. 

Vermoedelijk zijn deze glazen gemaakt door LAURENS V. d. Meulen, die 
in het schildersgild kwam 31 Oct. 1695, overleden 18 Juli 171 1, wien in 1706 
behalve verschillende kleine posten werd uitbetaald een post groot ƒ 410 : 10:4. 

Op een teekening, berustende in de Prentverzameling van Alkmaars 
Museum, die een goede voorstelling geeft van de ruïne der 21 Aug. 1 760 
verbrande Kapel, is nog zichtbaar het glas met Alkmaars wapen. 



ZOO. TE ALKMAAR ALS DOOR ALKMAAR ELDERS GESCHONKEN. 89 

LIV. REMONSTRANTSCHE KERK TE ALKMAAR. 

In 1767 leverde Abraham Washuizen, — kwam in het gild 12 Dec. 1769, 
verliet het gild en de stad 1782, — aan de remonstrantsche kerk 2 door hem 
geschilderde glazen en eischte daarvoor ƒ 485, o.a. zeggende dat hij daartoe een 
oven had moeten bouwen. Men accordeerde met hem voor ƒ 200 en voor ieder 
zijner 3 kinderen een ducaat. 

Van al deze glazen zijn nu nog maar zeer enkele gespaard gebleven. Voor 
zoover ik weet zijn het de volgende: 

io. Het zeer beschadigd glas in de kerk te Egmond a. d. Hoef. 

De schilder van dit glas J. M. ENGELSMAN woonde oorspronkelijk te 
Hoorn, doch vestigde zich later in Alkmaar, waar hij in April 1654 is overleden. 

Het geheel is beschreven door v. ARKEL en WEISSMAN, Noord-Holland- 
sehe Oudheden, 2e stuk, ie gedeelte, bl. 13, en zeer zeker, zooals meer glazen 
in de kerk, de herstelling overwaard. Het kerkbestuur tracht reeds sedert lang 
de daarvoor benoodigde penningen bijeen te brengen en heeft, om verder verval 
te verhoeden, glasramen buiten de geschilderde laten plaatsen, 

20, Het glas dat in 1635 door Alkmaar aan de kerk te Schermhorn is 
geschonken. 

Het is met behulp van provinciale en gemeentelijke subsidie, zooals ook 
de andere glazen in dit kerkgebouw, gerestaureerd. Alkmaar schonk volgens 
raadsbesluit van 18 Oct. 1893 daarvoor 50 gld. 

Het bevat het in kleuren bewerkt wapen van Alkmaar, dat door twee 
leeuwen wordt vastgehouden die op een cartouche staan, waarin ALCMAER. 
Nog lager staat in een cartouche het jaartal 1635. 

30. Het glas door de stad aan de kerk te de Rijp geschonken en dat 
ook gerestaureerd is. 

Het vertoont het wapen van Alkmaar in kleuren uitgevoerd. Het wapen 
wordt gehouden door twee leeuwen. Boven de leeuwen zijn festoenen; boven 
het wapen een engelfiguur, de faam. Onder het wapen staat in een cartouche 
jALKMAER 1657." Om deze cartouche zijn twee dolfijnen in grisaille. Onder 
den linkschen leeuw staat de naam van den vervaardiger C. J. Sparreboom. 

Het benedenste gedeelte is een in zeer fijne kleuren uitgevoerd gezicht 
op Alkmaar van uit het Zeglis. 

Het geheel spreekt duidelijk van de bekwaamheid van den vervaardiger 
en de hoogte waarop de glasschilderkunst in de 17de eeuw stond. 



90 VOORMALIGE GLASSCHILDERINGEN, ENZ. 

40. Het glas aan de kerk te Edam geschonken, voorstellende het wapen 
van Alkmaar, door twee leeuwen gehouden. In een daaronder staande cartouche, 
die beschadigd is, het opschrift „ALCKMAER Ao. DNI 1606." 

50. Nog bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam, door het Kon. Oudh. 
Genootschap daaraan in bruikleen afgestaan, een geschilderd glas, dat, blijkens het 
wapen (met den burg overeenkomstig het in 1582 vernieuwde stads-zegel), de lauwer- 
krans er boven en de wapenspreuk er onder, op Alkmaar moet betrekking hebben . 
In dèn Catalogus van het Museum van genoemd genootschap, 1876, wordt het vermeld 
als pendant van een glas afkomstig uit de kerk te Hoorn. In de resolutie- en 
thesauriersboeken van Alkmaar wordt niets gevonden over eene glasvereering 
aan <3e zusterstad, waarmede de vriendschap nooit groot was. Misschien behoorde 
dit glas tot de twee, die volgens Abbing 1 ) in 1764 uit de Oosterkerk zijn 
verwijderd toen het orgel daarin werd geplaatst, en waarvan het eene in 1703 
geschonken was door de Ed.*Mog. Heeren Gee. Raden van West-Friesland en 
het Noorderkwartier. 

Inderdaad het is niet veel dat bewaard is gebleven van alles wat 
geschonken is. Laten wij hopen dat gemeente, provincie en rijk door subsidies 
te schenken het mogelijk maken, om wat nu nog bestaat en niet is gerestau- 
reerd, te herstellen door bekwame hand, en zoo te bewaren voortbrengselen van 
schoonheidszin, vroom gemoed en schilderkunst. 

Alkmaar. 



1) Geschiedenis der Stad Hoorn door C. A. Abbing (Hoorn 1841) bid. 195, 38a. 







m 


Ê£ 


imr« 




fl?8B Ml 35 





IM 
IIA 


II 


trat 

ira* 


m 




rn 




b ,x t t 


PI 


V*H 


■Bj 





GLASRAAM VAN ALKMAAR, 

toebehoorende aan het Kon. Oudheidkundig Genootschap, 

in 's Rijks Museum te Amsterdam. 



<*~»-M0liand t 1908. 



*<*\L-,toiÄV f*YLiÄ^itao»^ 



JAN BUESEM, 



DOOR 

A. BREDIUS. 




OOR korten tijd kwam er in de rijke verzameling Schloss 
te Parijs een klein schilderijtje, waarvan men hiernaast 
eene afbeelding ziet, en dat bij eene nadere beschouwing 
veel doet denken aan de vroegste werken van Adriaan 
Brouwer. Zeker heeft de schilder van dit stukje zulke 
werken gezien, want ook de kleur is er mede verwant. 
Zelfs het vrijende paartje dat bij de onderdeur — of 
bij de half geopende deur der herberg staat, is zeer BROUWER-achtig. 

Op de stoof draagt dit schilderijtje de ha ndteekening : Jan BvêSEM. Nog 
eens, jaren lang geleden — op een in 1888 gehouden veiling der firma ROOS 
te Amsterdam zag ik een groote schilderij waarop precies dezelfde handteekening 
en het jaartal 1627. 

Maar welk een verschil ! Hier was het het inwendige eener gothische kerk, 
met goede figuren gestoffeerd ; een werk dat aan Van Bassen en Van Baden 
herinnerde, maar ruwer, harder geschilderd was. Men kan haast niet begrijpen, 
dat deze beide schilderijen door dezelfde hand gepenseeld zijn. De kleuren op 
het stukje bij den Heer SCHLOSS zijn warm, bruinachtig; de man, met zijn mg 
naar U toe, met den mooien hoed op, is in datzelfde transparante rose — licht 
carmijn — gekleed, waarvan de jonge BROUWER zoo'n handig gebruik maakte. 
De olie domme boer rechts is geheel in een bruinachtig oranje gekleed. Onder 
een buffelleeren wambuis draagt de man links een donkergroene broek én mouwen. 



92 JAN BUESEM. 

BROUWER' achtig is ook het schreeuwende kind links, is de heele compositie. 

BUESEM of Besem, zooals men zijn naam het meest geschreven vindt, 
schijnt tot Brouwer in een dergelijke verhouding gestaan te hebben als PlETER 
QUAST, aan wfen men ook wel denkt bij dit stuk. 

Te Amsterdam, waar Besem woonde en denkelijk eerst kerkschilder was, 
heeft hij BROUWER ± 1626 — 1628 leeren kennen, en is hij zijn navolger geworden. 
Wie weet of hier en daar niet een nog beter werk van hem onder Brouwer's 
vlag vaart! 

20 Augustus 1637 teekent Jan Buesem, schilder, te Amsterdam als getuige. 

14 Dec. 1646 wordt in een Acte Elsgen Goverts, huysvrouw van Jan 
BEESEM, Schilder, genoemd.*) 

1 April 1645 geeft Joost J00STEN, herbergier te Amsterdam, in onder- 
pand : een boeregeselschap van Jan BESEM : ƒ 12. — een dito synde een koek 
in een keucken van raeu vleys affbeeldende hem comparant ƒ 70. — een tempel 
daerin een priester voor 't autaer staet, gedaen van Jan BESEM f 25. — , een 
schooltje van Jan Besem f 5. — , twee boeregeselschappies van Jan Besem f 8. — . 

15 January transporteert JULIUS LEFEVRE aan den schilder CAREL VAN 
Houten te Amsterdam: twee boeren van Jan Besem, 1658. Inboedel Wed. van 
Corn. Bartelsz. Veris te Amsterdam: een cleyn schilderytje van Besemer 
synde een boerekroegh, een dito van een bloempot van JAN BESEMER (zeker BESEM) 

1659 taxeeren de schilders van DEN Eeckhout en Jan LOOTEN: een 
boereschuyrtge van Jan Besem f 12. — . 

1671. Inventaris Elisabeth Dommer, huysvrouw van PlETER Jansz. 
Swelingh : een schildery van Jan Besem. Een boerengelach van Jan Besem. 

In een Amsterdamschen inboedel van 1661 : een historieschildery van Besem. 

Inventaris van Joris van Hasselt, 1680 te Amsterdam overleden (hij 
was chirurgyn): twee bortjes van patiënten, gedaen door Besem. 

Dit is tot nu toe alles wat ik over dezen aardigen meester heb kunnen 
opsporen. Misschien komt er nog wel meer werk van hem te voorschijn. Hij 
behoort tot de goede schilders uit Brouwer's school. 



*) Prot. Not F. Bruyningh, Amsterdam. 

9) , 9 J. tan der Hoetbn, Amsterdam. 




W 

W 
O 
CO 

w 
w 

W 
CL, 
CO 

< 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN 
JAN VAN HOUT 



DOOR 

Dr. PRINSEN J.Lzn. 
II. 




IE zich rekenschap wenscht te geven van de beteekenis van 
Janus Dousa in onze geschiedenis, moet zich voor de levens- 
bijzonderheden nog steeds tevreden stellen met wat VAN DER Aa 
meedeelt. l ) Het wekt onze verbazing, dat iemand, die als krijgsman, 
magistraat, diplomaat en dichter in een zoo gewichtige periode 
een plaats van beteekenis inneemt, niet meer den speurlust onzer historici heeft 
wakker gemaakt. Wie om te beginnen in het Leidsch archief een onderzoek 
aanvangt, zal zeer zeker niet vergeefs werken. 

Ik vestig de aandacht van Dousa's toekomstigen biograaf ook op VAN Hout's 
protocol, dat eenige documenten van Dousa bevat, o.a. vijf testamenten, waarvan 
ik hier het laatste, dat al de voorgaande vernietigt, met bekorting van eenige 
formules laat afdrukken. 

In deel II van het protocol, f°. XV v°. (36) komt voor l\pt testament van 
JONCHEER Johan van DER Does, Heer tot Noortwijc, van 4 November 1584, 
met Justus Lipsius en Christophorus Plantinus als getuigen. Op f°. XXXVII 
vo. (58) volgt het testament van Elysabeth van Zuylen van 16 December 1587, 
sedert 26 September 1566 Dousa's echtgenoote. 



l ) Zie o. a. dr. G. Kalff, Gesch. der Ned. Letterk. III, p. 433 vlg. en 507. 
Oud-Hoüand, 1908. 



13 



94 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Eerst vijftien jaar later hebben de Dousa's een nieuwen uitersten wil opgesteld. 
Een paar van hun zoons, de veelbelovende litterator Janus Dousa Jr., hun 
oudste, in 1 597 '), de ondernemende - en oudheidlievende reiziger GEORGE van 
DER DOES, in 1599, waren hun vroegtijdig door den dood ontnomen. 

Als dit derde testament, thans door hen beiden in 1602 17 Juni (f°. CLII 
r°. (187) bij VAN HOUT) wordt gemaakt, leven echter nog zeven kinderen, Steven, 
Anna, Frans, Warnaer, Johanna, Dirc en Jacob. Binnen een jaar tijd moeten 
hiervan evenwel Warnaer, Johanna en Jacob overleden zijn. In het vierde 
testament van 15 Augustus 1603 (fo. CLIX r*. 203), dat het vorige annuleert, 
is slechts van de overige vier kinderen sprake. Ten slotte vinden we dat van 
7 Oct. 1604 (f* CLXII r<>. 208), eenige dagen voor DOUS A's dood, dat aldus luidt : 

3 Bij den innehouden van den jegenwoordigen instrument zij elc eenen 
kennelick, dat op huyden den zevenden Octobris des jaers XVIc vier voor 

den middage omtrent te acht uyren, regnerende RODOLPHO de iide 

voor my Jan van Hout, openbaer notarys etc. mitsgaders voor de getuygen 
hier onder geschreven, gecomen ende verschenen es de edele, erntfeste, hoochge- 
leerde joncheer JOHAN VAN DER DOES, heer tot Noortwijc, Cattendijc enz. 
raet in den hogen rade, registermeester van Hollandt, my notario wel bekendt, 
zieckelicken van lichame te bedde leggende, doch zijne redene, memorie en 
verstand wel machtich ende gebruyckende, alst uytwendich scheen ende ie niet 
anders en const bemereken, verclaerende van wille ende meeninge te zijn te 

maecken zijn testament ende uyterste wille etc , wederriep zulx alle voorgaende 

niaeckinge etc. 

Eerst beval zijn ziele etc. 

Omme nu voorts te gaen ter dispositie van zijn goeden, verclaerde hij, 
comparant ende testant, te willen gebruyeken de cracht ende werkinge van den 
octroye, hem verleent omme van zijn naer te laeten goeden, zo wel leenen als eygen, 
te mogen testeren, wesende vanden daatte den XII«n Octobris XVcLXIIII, 
hebbende de origineele my notarys in handen gestelt, wesende vanden innehouden 
hier volgende: Philips etc. f ) 

Ende zulx desponerende in erachte van het hem hier boven vergonde octroy, 
heeft hij, comparant ende testant, joncvrouwe ELISABETH VAN Zuylen, zijn lieve, 
beminde huy s vrouwe, gemaect, gegeven etc. de lijftocht ende vruchtgebruyc van 
alle de goeden, die hij zal comen te ontruymen ende naer te laten, haer leven 
lang geduyrende, mit last dat zij terstond naer zijnen overlijden sal maecken 

l) Bij het testament van 1584: De wettige kinderen zijn erfgenamen, in „zulcken verstande dat 
' Joncheer Joh an van df.r Does, zijnen outsten] ende eerstgeboren zoon, in alle de voors. goeden, bij hem 
testateur naer te laten, met twee handen innetaste ende zulx double portie ende twee gedeelten zal hebber 
ende genieten jegens elcken kinde een." 

a) Komt reeds voor bij het eerste testament op fo. 37 en kan hier wel achterwege blijven. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 95 

eenen perfecten staet of inventarys van alle de goederen by hem naer te laten, 
niet willende, dat de voorn, zyne huysvrouw eenige borchtochte gehouden zal 
syn te stellen voor tweder opbrengen vande verlijftochte goeden, daer van hy, 
comparant ende testant, zyne voors. huysvrouwe mits dezen ontslaet ende vrystelt. 

In tvorder heeft hy, comparant ende testant, tot syn erfgenamen gemaect, 
genomt etc. mits desen zijn vier kinderen als Joncheer Steven van der Does, 
Joncvrouwe Anna van der Does, Vrou van Nieuwen oord t, Joncheer Frans 
van der Does ende Joncheer DiRC van der Does, ende dat in sodanige 
gedeelten, porcyen ende goeden, als hier naer breder zal werden verclaert. 

Eerst ten opsicht van Joncheer Steven van der Does heeft dezelve, 
behalven de goeden mit hem ten huwelicke belooft, tot erfgenaem gesteh in de 
heerlicheyt van Noortwyc, mit den gevolge van dien, als tbaillyschap, schoutampt, 
tsecretaryschap, de wint, de vijverwech, de pacht van drie gulden tsiaers, die 
JONAS GERYTSzn. uytkeert, ende de zuytmolencroft, vorder in beyde de huysen 
tot Noortwyc, te weten tgroote huys ende tcleyne huys, l ) noch in de dertien 
morgen ende vijf morgen landts bij Woerden, dewelcke gebruyct werden bij 
JAN ADRlAENSzn. ende DiRC GERYTSzn.; noch in de achtentwintich morgen 
landts, gelegen in 't landt van Woerden, in Cromwyc ende Bulwyc^ dewelcke 
gebruyct werden by Huych PlETERSzn. ende noch in de rente van negen gulden 
zeven stuvers acht pen. tsjaers, losbaer mit hondert vyftich gulden, spreeckende 
op dezelve Huych PlETERSzn. a ) ende noch in vier partyekens losrenten eerst 
van zes gulden tsjaers spreeckende op Jan ADRlAENSzn. tot Noortwyk, van 
twee gulden tsjaers, spreeckende op Aernt BAERNTSzn. van drie gulden tsjaers, 
spreeckende op Marytgen Adriaens ende van noch drie gulden tsjaers, 
spreeckende op Jan Willems tot Noortwyc, alle welcke goeden, hy testant, 
den voorn. Joncheer Steven van DER Does zijn zoon mitsdezen assigneert 
voor ende in voldoeninge van de vierhondert guldens jaerlix, mit hem ten huwelicke 
belooft. 

Ten opsicht van de voors. joncvrouwe Anna van der Does, vrouwe 
van Nieuwenoordt, heeft verclaert, dat hij, testant, wilt, dat zij haer vergènouge 
ende te vreden houde mit zodanige goeden, als mit haer in huwelicke zijn belooft 
ende gegeven 8 ) Ende daer en boven heeft de zelve zyn dochter tot zyn erfge- 
naem geinstitueert in een losrente van hondert gulden tsjaers, spreeckende opt 
comptoir van den ontfanger MlEROP, vallende jaersdach, noch in een losrente 



1) Bjj het vorige testament kreeg Steten enkel het grote hnys. 

2) Wat hier verder volgt, komt niet in het vorig testament, wel nog een zilveren lampet naar keure 
uit den boedel. 

s) Blijkens dit „gegeven" is Anna dos reeds getrouwd met Casper van Eussum, wiens raster de 
vrouw van Steven worden zal. 

13 # 



96 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

van een en vijftich guldens jaerlix, mit twee verscheyden brieven, deen van XXXVI 
gulden, dander van XV gulden jaerlix, spreeckende opte vijf grote steden van 
Holland, verschijnende, deene sinct Jansmisse, dander kersmisse, ende in een 
losrente van XXV gulden tsjaers op Jan jACOBSzn. van Assendelff. 1 ) 

Ten opsicht van joncheer Frans Van der Does, zijn zoon, heeft de zelve 
(regardt nemende, dat hij voersien es mit een prebende tot Oudemunster a ) tot 
erfgenaem gestelt eerst in zijn gedeelde van de heerlicheyt van Cattendyc (mitten 
ancleven ende gevolge van dien 8 ), noch inde rente van twintich gulden tsjaers 
op Huybert van Reenen, noch in de vier partyekens losrente van de stadt 
van Wyc bij Duerstede, tsamen uytbrengehde achtien gulden, vijftien stuyvers 
tsiaers, noch inde rente, van zeven gulden tien stuyvers tsjaers opten Otter, 
tUytrecht bij de Vischmarct, noch inde losrente vah vijf guldens tsiaers ter 
losse den penning twintich op Amerongen, mits dat de voorn. Joncheer FRANS VAN 
der DOES daerjegens alleen dragen ende zijnen boedel bevrijden zal vande 
hooftsomme van twee partyen renten, elc van XXV gulden jaerlix, de. welcke 
voor hem, joncheer Frans, genomen ende tot betalinge van zijn schulden gegaen zijn. *) 

Ende ten opsicht van joncheer DlRC van DER Does, zijn zoon, heeft de 
zelve tot erfgenaem gestelt eerst van zijn hofstede tot Bergensteyn *), gelegen omtrent 
Wyc bij Duerstede, groot anderhalve houve, te weten XXIX mergen landtsende 
noch twee maelen vierdehalve mergen uyterwaert daer aen gecoft, noch inde 
houve bij thuys te Haer, groot XII morgen, die jegenwoordelicken in htiyr wert 
gebruyet bij Bart jANSZn, noch in vijf en twintich mergen lants aen den 
Brendyc ende in Haer wyc, die gebruyet wert bij MARYTGEN TONIS ende NYS 
CORNELlSzn, noch in de Gulden houve, tientvrij ende. . . . . .(?), gelegen inOtter- 

spoerbrouc, noch in de losrente van twee en vijftich gulden ende tien stuyvers 
tsiaers op Wouter van Wee, tUytrecht ende in een lijfrçntgen van drie guldens 
tsiaers, tzijnen lijve ende spreeckende opte stat van Leyden, mits dat de voorn, 
joncheer DlRC van der Does daer en tegens dragen ende zijnen boedel bevrijden 
zal vande rente van elf hondert gulden, ancomende van Rodenburch tot Uytrecht, 



l) Bij het vorig testament krijgt Anna nog eenig zilverwerk, een tafellaken, kleeren enz, 

9) Deze woorden in margine. Frans werd na zijn litterarische studiën en buitenlandsche reis 
in 1601 kanunnik van den St. Maarten in Utrecht 

8) In margine. Bij het vorig testament kreeg Frans bovendien de hofstede Bergensteyn, die nu aan 
zijn jongeren broer gaat 

*) Bij het vorig testament ook nog voor Frans: Een verdecten vergulden cop, daer Uytrecht op staet", 
beddegoed enz. 

5) In het vorig testament komt aan Dirc de heerlijkheid Cattendyc en de 15 morgen landts in 
Byemerbrouc, gebruyet bij Jacob Jansz. De verschillende losrenten zijn tusschen Dirc en Frans wat anders 
verdeeld. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 97 

mitsgaders van de hooftsomme van dien. Vorder heeft hij, testant ende comparant, 
de voorn, joncheer DlRC VAN DER DOES zijn zoon geprelegateert ende vooruyt- 
gemaect zijn biblioteecque, boucken en geschriften ') 

Belangende de vijftien morgen landts in Bylmerbrouc, nu gebruyct bij JACOP 
JANSZN, de zelve wilt hij, testant ende comparant, dat bij zijn voorn, huysvrouwe 
zal werden vercoft, omme mit de penningen daervan de schulden van haren 
gemeenen boedel te werden betaelt, ende van de reste ende overschot van alle 
de goeden, die hij, comparant ende testant, mitter doot zal comen te laeten, 
zowel tgoet tot Heemskerc als alle zijne vordere goeden, roerende ende onroerende, 
renten, actiën, ende inneschulden heeft hij, testant -ende comparant, behoudens 
ende unvermindert zyn voorn, huysvrouwe haer lyftocht ende vruchtgebruyc 
alsvoren tot zyn erfgenaem gemaect etc. mits desen de voorn, zyn vier kinderen, 
elc in een gelyc gedeelte f ). 

In t vorder heeft hy, comparant ende testant voorn, gewilt ende zyne 
voorn, kinderen ende geïnstitueerde erfgenamen uyt, mit ende doer de macht, 
hem als vader toecomende, belast ende bevolen, wilt etc., mitsdesen zich mit 
de goeden, zulx ende in der vougen hy dezelve elc in den zynen hier voren 
heeft aengewesen ende geassigneert, te vergenougen ende tevreden te houden op 
peene dat de geene, die hem onderstaet yet te doen of voor te nemen jegens 
de jegenwoordige zyne uyterste wille, tzy in rechten of daer buyten, dat de zelve 
onwillige uyt de goeden van hem, testant ende comparant, niet meer en zal mogen 
hebben of profyteeren, dan zyn of hare legittieme portie zulx als naer rechten, 
daerinne hy dezelve voor alsdan institueert tot zyn ergenamen, mitsdesen mit 
een wil ende meeninge, dat toverschot comen ende toewassen 7al aen de andere 
kinderen ende goetwilligen erfgenamen, hooft voor hooft ende elc even veel. 

Ten laetste begeerde ende wilde hij, testant ende comparant, mit wettige 
stipulatie aen mynen handen als een openbaer persoon gedaen, dat de jegenwoordige 
zyne uyterste wille bondich zyn ende geachtervolcht werden zoude, tzij in 
erachte van testament, codicille, legaet of besprec, gifte uijt zaecke des doot s 



ij Bij het vorig testament krijgt Dirc niet de bibliotheek, wel „de vergulden cop, daer tveen op gedreven 
staet, mit wapen van Nienroede, noch de trouring van de voorst, joncviouwe Elisabeth tav Züylkn mit 
de poinct van een diamant, een ledicant mit root cermosyn behangen" etc. 

S) In het vorig testament krijgt Jozyna, de dochter van Steven, nog een losrente van 15 gld. 13 st. 
en Anna aal niet in de schulden hebben te betalen. Tevens stond daar op desc hoogte: „Verclaerden voorts 
zy, testanten en comparanten voorn., dat alsoe de voorn. Joncheer Frans tam der Does, haerluyder soon^ 
nutertijd in qualité als fendrich in garnisoen legt binnen de belegerde Stadt van Oostende, in vougen dat zijn 
leven onzeecker es, so hebben zij gewilt ende willen mits desen, dat in gevalle den zelven airede eenich 
menschelic ongeval overcomen mocht zijn of voor het afsterven van deerste van hem beyden noch overquame. 
in vougen dat hij niet en wäret, dat de goeden daerinne de voorn, joncheer Frahs hier voorn, tot hae r 
erfTgenaem es gemaect ende innegestelt, comen ende vermeerderen zullen gelijc hier volcht, te weten": 

De hofstede van Berceksteyn met de 29 en $H morgen gaan aan Dire, de losrenten aan Steven* 



98 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

of van eenige andere uyterste wille, zulx de zelve naer vermoge des goeder tieren 
geestelicken of waerlicken rechten of gewoonten deser landen alderbest staende 
gehouden zal connen werden, niet jegenstaande alle of eenige solemnityten van 
desen niet en waren onderhouden of naergevolcht, gesamentlic dat ie hem hier 
van maecken en verleenen zoude eenof meer openbaer instrument van behoorlicker 
gestaltenisse, twelc ie, notarys boven genomt, ten insichte mgns ampts, dat 
publyc es, niet en hebbe connen, begeren noch behoren te weygeren. 

Dit geschiede in 's-Gravenhage ten huyse des meergemelten Heeren van 
Noortwijc, staende aldaar aan de Noortzijde van tVoorhout, ten bijzijn ende 
overstaen van D. EverardüS VORSTIUS, doctor en professor der medicijnen in de 
Universiteyt tot Leyden, ende Daniel VAN BOUCHORST, mynen clerek, als gelooflicke 
getuygen, hier toe mit mij bij monde van voors. testant ende comparant versocht 
ende gebeden. 

Des ten oorconde es tjegenwoordige bewerp ondergeteykent. 

Jan van der Does 
ende van Noortwijck 
Jan van Hout, Not. Pub. 

EVERARDÜS VORSTIUS. 
D. VAN BOUCHORST. 

Jan van Hout noteerde onder dit testament: 

„Joncheer Johan VAN DER Does, heer tot Noortwijc, Cattendijc enz. 
Registermeester van Hollandt, Raedt in de hogen Raedt, was geboren St. Niclaes 
avondt den Vden Decembris des jaers XVcXLV. Starf den Villen Octobris XVIc 

vier, smergens ten acht uyren, geleett hebbende LVIII jaren iiicVI dagen 

uyren ende in huwelicken staet mit Joncvrouwe Elysabeth van Suylen, zijn 
hem overlevende huysvrouwe jaren dagen uyren. l ) 

De eenige Dousa-oorkonde die verder in het protocol voorkomt, is te 
vinden in deel I, fo. 216. Op zich zelf leert ze ons weinig belangrijks, maar ze 
prikkelt eenigszins onze nieuwsgierigheid : in welke zaak kan het Hof van 
Holland wel den edelen erntfesten jonker in het ongelijk gesteld hebben tegenover 
een Haarlemsche poorteres? Dat zal wel een gewoon kwestietje van eigendoms- 
recht geweest zijn, maar onmogelijk is het niet dat dit document een schakel 
is uit een geheel, dat ons het karakter van Jan van DER DOES beter kan leeren 
kennen. 

Opten XlXen Decembris XVcLXXXI es voor my Jan van Hout, open- 
baer notaris etc, mitsgaders voor de ondergeschreven getuygen, gecomen ènde 



l ) In margine: Trouden anno 1566 den 26 Septembris. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 9& 

verschenen de edele erntfeste Joncheer Johan VAN DER DUES, heer tot Noortwijc, 
ende heeft, volgende tgewysde van den Hove van Hollant van den XXVen 
Octobris voorleeden gewezen tot voordeele van de wedue ende boelhoutster 
van Jan MATTHYSzn. de Gulickenaer, poortersse tot Haerlem, ende hem com- 
parants achterdele, ten behoeve van de voorsz. wedue ende boelhoutster (in Mar- 
gine\ Van wiens wege ie als een publyc persoon tzelve mit wettelicke stipulatie 
aen myne handen gedaen, aennam) opgedragen ende opgegeven zodanigen actie, 
recht ende anzeggen, als hy comparant heeft tot een somme van hondert vyf en 
twintich gulden, omme dezelve somme by de voorsz. wedue ende boelhoutster 
ontfangen te werden uyte eerste penningen, die comen zullen van zyn comparants 
wooninge ende landen tot Velsen, die mittertyt by eenen CORNELIS ENGELSzn. 
werden gebruyet, auctorizerende ende bevelende mits desen de voorn. CORNELIS 
ENGELSzn. ende die indertyt pachter ende bruyeker van voorsz. wooninge ende landen 
zal zyn, de jaerlycke pachten ter somme voorz. toe uyt te reyeken aen handen van 
voorn, wedue ende boelhoutster of aan de geen, die van haren wegen last, macht 
ende bevel zal hebben, belovende, dat tzelve jegens hem comparant zal strecken 
betalinge, mits nemende van de zelve wedue behoorlicken blije, dat zij zodanige 
penningen in mindering van voorsz. somme zal hebben genoten ende doen 
betalen, van tlaetste volcomen quytende. Ende versocht hem hiervan gemaect 
ende de voorn, wedue gele vert te werden acte, hem in its desen verleent. Aldus 
gedaen ten huyze van voorsz. VAN NOORTWIJC op d'Oosterlingplaets ten bijzijn 
van Theodore de Lafuelt ende Salomon van Dulbaerhorst(?) DAViTSzn, 
gelooflicke getuygen, hier toe versocht. 

Jan van der Does 

ende VAN NOORTWIJCK. 

Jan van Hout, Not. Pub. 

Theodore de Lafuelt. 

Salomon DAViDTszn. 

Deel II, 39 Vo. biedt ons het testament door Christoffel Plantin en 
zijn vrouw dame Jehanne Riviere met DOUSA en LlPSlUS als getuigen, 19 
November 1584 voor van Hout gemaakt. De inhoud van dit testament is echter 
bekend en wordt bovendien geannuleerd door een later voor GILLES VAN DEN 
Bossche te Antwerpen van 14 Mei 1588. *) 

Toch vinden we in het protocol nog een enkel document, dat waarde 
hebben kan voor den Plantyn-vorscher en dat we daarom hier zullen overnemen. 

Een boezemvriend van PLANTIN was PIERRE PORRET. f ) PORRET, aa*y 

1) Zie Max Rooses, Chr. Plantin, Antw. 1883, p. 368 «n 4»7- *" : 

2) Rooses, p. 5, ix, et passim. 



100 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

vankelijk apotheker, werd in 1 567 door Plantyn aan het hoofd van den boekwinkel te 
Parijs gesteld; in 1588 legateerde hij aanzienlijke sommen aan Plantin, maar 
deze overleed nog voor hem. Chrétien Porret was een onechte zoon van 
Pierre, geboren te Parijs in 1554. *) 

Nog voor Plantin zich als drukker der Universiteit, te Leiden vestigt, 
is Chrétien reeds naar Leiden gezonden. Plantin had daar zijngeheele instal- 
latie als apotheker bekostigd. 2 ) Blijkens dé kaarten van DULMANHORST staan 
de nummers 6 — 10 der Vestsloot en No. 7 van de Maersmansteech 8 ) op naam 
van PORRET. Het huis in de Maersmansteech was dat van den vroegeren drukker 
SlLVlüS en werd in 1585 door PORRET en PLANTIN gekocht. Van uit dat huis 
werd in 1628 de merkwaardige collectie rariteiten van CHRÉTIEN PORRET verkocht. 

Chrétien Porret geeft de volmacht aan Pierre de Le Haye en Louis 
DE Vienne om in zijn naam de zaken af te wikkelen vrij lang voor den dood 
zijns vaders. 

A tous soyt notoire et manifest que Tan mil cinq cens huictante quatre le 
unziesme jour du mois de Octobre par devant moy Jehan van Hout, secretaire 
de ceste ville de Ley den, au compté de Hollande, et notaire juré par la court 
de Hollande à la nomination de Messrs du Magistrat de la dicte ville admis 
et par devant les tesmoings dessoubs nommez, sest personellement comparu 
honneste Christien PORRET, apotecaire et bourgeois de ceste dicte ville, lequel 
en son privé et propre nom, sachant et bien advisé de son bon gré, a faict, 
constitué, député, ordonné et estably ses vrays legittimes et indubitables procureurs 
spéciaulx et généraulx, de sorte que la généralité ne dérogue à la spécialité ni 
au contraire, cest asschavoir Monsr Pierre de la Haye, docteur en medicine 
à Vairon *) en Dauphiné et Monsr LOUIS DE Vienne, chastelin de St. Jehan 
de Ambouriay, combien quilz soyent absents aultaut comme syls estoyent 
présents et ung chascun deulx seul pour le tout spéciallement et expressément 
pour au nom dudict Chrestien PORRET, constituant, après lé trespas de PIERRE 
PORRET, père dudict constituant, prendre la possession de tous et quelconques 
héritages et biens, tant fiefs que allodiales, apartenants audict PIERRE PORRET 
son père, et den faire tout aynsy que si le diet Chrestien PORRET, constituant, 
y estoit en propre personne, donnant en oultre le diet constituant comme il donne 
par les présentes aus diets procureurs et à chascun deulx plein pouvoir, puissance 



Zie o.a. Tiele in Le Bibliophile belge IV (1869), p. 1x3. 

s ) RoosEs, p. 382. Zie ook Fkkderiks in Bijdragen tot de gesch. van den Ned. boekhandel, V. p. 274» 

*) Pleyte, Leyden voor 300 jaar en thans, p. 80 en 94, 

4) Martin en Louis Perez, bekende handelsagenten van Plantin, kwamen ook uit Varon (Rooses, 370). 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 101 

et mandement spécial de sa personne représenter en tous court et pardevant 
tous Srs de justice et illecq former toutes demandes, requestes, sommations; 
contester plaid(?), eslire domicile, de tous torts et griefs appeller lappel ou appeaulx 
relever, introduire et poursuivre jusques au diffinitive ou y renoncer, si faire se 
doibt, et que les diets procureurs trouveront cela estre à faire par rayson, les 
despens qui ad juges seront, faire taxer, iceulx recepvoir et du receu bailler 
acquict ou remectre les taxes, avecq puissance pour les diets procureurs de substituer 
un ou plusieurs aultres procureurs, qui ayent telle au limité puyssance que les 
diets procureurs, constituer quant aulx causes et faict de playderye seulement et 
générallement par les diets procureurs et substituez faire dire, procurer et aultrement 
négotier, tout aynsy que le diet constituant faire poulroit, sy présent y estoit 
jaçoit(?) le cas requist mandement plus spécial, avecq promesse, soubs lobligation de 
tous et chascuns ses biens, d'avoir le tout agre et tenir ferme et stable que par 
ses diets procureurs et leurs substituez sera faict, sans poinct y contravenir en 
jugement, ny de hors; aussy de recevoir les diets procureurs et substituez de 
toutes charges, renominations et clausules requises. Faict à Ley den en ma mayson, 
situé en la rue quon appelle la Bredestrate, présents honestes S r Christophle 
Plantin, imprimeur de luniversité de Leyden, et BARTOLOMY van Hout, tes- 
moings dignes de foy, estants aveçq moy à ce requis. 
En tesmoing est ceste minuyte subsigné 

C; PORRET. 

C. Plantin. 

J. van Hout, Not. Publ. 

Bartholomeus van Hout. 

Kort voor zijn vertrek uit Leiden, „aensiende diese reise, die ie op 
handen hebbe", heeft JUSTUS LlPSlUS zijn testament, verzegeld, ter hand gesteld 
aan zijn vriend Jan van Hout. ! ) Als deze „zeeckere tydinge" van LlPSlUS 
overlijden heeft bekomen, opent hij op 12 April 1606 dat testement in tegen- 
woordigheid van zijn collega, den notaris SALOMON LENAERTSzn. van der 
Wuert, Pieter Pauw en Petrus Bertius, copieert het stuk in deel II, 226 v<> 
Van zijn protocol en laat zijn ambtgenoot daarbij verslag uit brengen van de 
opening en den toetand, waarin zich het testament bevond. Dit was niet de eerste 
maal, dat LlPSlUS zijn uiterste wil aan een notaris had toevertrouwd. 9 Sept. 1584 
neemt hij van Van Hout een testament terug van 20 December 1579 en 11 
Sept. 1584 vervangt hij het door een ander (Prot. II, 34), terwijl hij „ziekelijk 



i) Over de verhouding van Upsius tot Van Hout o.a. Tijdschrift van de Mij. van Ned. Letterk. 
XXV, p. 28. 

Oud-Holland, 1908. 14 



102 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

van lichaam en te bed liggende 1 ' is. 3 Nov. 1587 komt daarbij een codicil 
(Prot. II, 60) Beide zijn vervangen door het testament van 9 Maart 1591, kort 
voor L's vertrek. Zijne erfgenamen worden blijkens dit stuk de kinderen, 
Francoyse en Joh an Baptista, van zijn zuster Marie Lips, gehuwd met Johannes 
Cornelis Back. Lipsius heeft maar één zuster gehad ') en geen broers ; deze 
Maria Lipsius was reeds in 1584 overleden. *) Back zal wel in Brabant thuis 
hebben gehoord en aan den landbouw gedaan hebben. Dit maak ik op uit het feit, 
dat de sommen, die Anna van den Calstere aan de kinderen Back moet 
uitbetalen, zijn uitgedrukt in guldens „tot twintich St. Brabands" en dat BAPTISTA 
zijn som krijgt, „als hij syn pachthoff zal houden", 't Is niet onwaarschijnlijk, 
dat de ouders van Lipsius op hun goederen te Isch ook aan de boerderij hebben 
gedaan. Bovendien Back en Bax is een echt Brabantsche familie. *) De Musae 
errantes van LlPlUS 4 ) worden geopend met een lofdicht van „FRATER NiCASIUS 
BaxiuS Augustinianus Antverp." 

Van Hout heeft het oorspronkelijke testament van 1591 aan de weduwe 
LlPS te Leuven verzonden ; maar zooals te verwachten was, daar kon het geen dienst 
meer doen. Er was sedert aan Lipsius zoo veel veranderd; ook zijn uiterste wil. 
De laatste was van 1603. *) Zijn bibliotheek gaat nu naar een neefje van dertien 
jaar Willem Grevius, „fils de sa soeur", zegt NlSARD ten onrechte. Dit moet 
een zoon van Françoise Back zijn geweest, wat met het latijnsche „e sorore 
nepoti" ook vereenigbaar is. Grevius was een achterneef; van de familie Back 
is verder in het testament geen sprake meer. Hier volgt thans de copie van het 
laatste Leidsche testament uit VAN Houts protocol: 

In den name des Heeren Jhu Christi onsen saeligmaecker, Amen. 

Ick onderschreven, aensiende myn swackheyt ende oick diese reyse die 
ick op handen hebbe, ordonere ende maecke dit voer mynen vuytersten wille, 
begeerende dit selve vast ende bondich te weesen by allen rechteren. In den 
eersten ick maecke ende instituere tot erffgenaemen die kinderen wylen jouffrouwe 
Marie Lips ende Jo Cornelis Back, namentlyck Francoyse Back ende Johan 
Baptista Back, beyde myn nichte ende neve ende dat op sulcken conditie, dat 
sy in alle myn onroerlycke goeden, hoedanich die syn ende van wat conditie, 



*) Aiiibl, Un publiciste du XVIme siècle, Juste-Ldpse, p. ai. 

S) Amiel, U a. p., p. 39. 

8) Zie kroniek van het Hist. Gen. over 1859 (XV), p. 173 vlg. over i860 (XVI), p. 220 vlg. 

4) Apud Keerëergium, Antverpiae, p. 9. 

5 ) De inhoud van dit testament is te vinden in de Vita Lipsii van Aubertus Mirabus, en in excerpt . 
bij Melchior Adam, Vitae philosophorum (Ed. 1706), p. 221 en N isard, Un triumvirat littéraire au XVI 
siècle, p. 121. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 103 

gelyckelyck ende eenparich sullen erven, sonder dat den voorseyden Baptista 
Back eenige prerogative off voordeel sal pretendeeren. Ende ingeval dat den 
selven Back oick inde goeden van saliger syne moeder dieper oft breeder wilde 
succederen, soo begeere ick ende ordoneere dat Francoyse Back alleene myn 
erffgenaem sal weesen ende laete den selven Baptista Back niet naer als thien 
gulden erffelyck. 

Item ick laete ende maecke myn bemende huysvrouw Anna VAN DEN 
CALSTERE alle myne roerlycke goeden, geit, haeve, juweelen, hoedanich die 
mogen weesen, oick haer laetende naer recht van Brabandt die tocht ende by- 
leven van alle myne goeden, op sulcke conditie nochtans, dat sy geen schulden 
oft eysch op myn erffgenaemen pretendeeren sal van eenige renten die my (?), 
staende ons huwelyek, van haeren twegen syn afgeleyt. Item op conditie datsy 
wuytreycken sal ende geven Franchoyse Back, wanneer sy compt te huwen 
óft anders wanneer sy compt tot haer dertich iaeren, die somme van vyfhondert 
gulden, elcken gulden tot twintich st. Brabands ende dat l ) om haer op te helpen 
ende ter eere te brengen. 

Dergelycken begeere ick, dat sy oick sal geven ende wuytreycken aen 
BAPTISTA Back dryhondert gulden ende dat, als hy syn pachthoff sal houden 
off gekomen sal weesen tot synen vyfentwintich iaren, ende niet eer. 

Item laete ende maecke voer een legaat Anna van Sevenberg, myn 
maerte ende dienstbode, om haeren langen ende goeden dienste hondert gulden 
eens, die haer myn voorsz. huysvrouw sal geven tot haerder begeerte. 

Eenige andere kleyn legaten hope ick hier op in een andere schedulle te 
setten ende begeere insgelycke die van werden gehouden te worden. Adieu vrienden, 
ende houdt vrede ende bidt voor den testateur, die u alt saemen bemendt heeft . 

Dit is myn wuyterste wille ende ordonnancie tsy testament oft codicil, et 
rogo vos, judices, ut valeat sine omni mala argutia aut cavillatione ; ita vobis 
benefaciat supremus ille Judex. Geschreven deesen IX«n Martii 1591. Onder 
staet geteyckent 

Aéterne Deus conditor et Justus Lipsius. 

redemptor noster, misere mei. 

Dese uyterste wille hebbe ie hier overgeschreven van woorde te woorde 
ende van regel tot regel uyt zynen boven geroerde originelen desen Uien Mey 
XVICzes. 

Jan van Hout. 
. 3. 5. 6. 

*) In Margine : eynde vande iste zyde, begin van de zie zyde. 

14 # 



104 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Van alle twelc de voors. van Hout versochte acte, omme hem te streeleen 
tot zynder ontlastinge, daer ende sulx des zal behooren, de welcke ick, notaris 
voorn, hem, VAN HOUT, myn medebroeder ten opsichte myns ampts, twelck 
openbaer is, nyet hebbe connen, begeren noch behooren te weygeren, mer hem 
gaerne verleent hebbe. Ita esse atestor, ende es get. 

S. Lenaertsz van der Wuert, Notarius publ. 

Hieronder volgt de brief van VAN HOUT aan LlPSlUS* weduwe ter bege- 
leiding van het testament. 

Eerbaren deuchtsamen voorsienige ende zeer 
discreten joufirouwe Anna VAN DEN Calster, wedue 
van den Heer D, JUSTUS LlPSlUS, 

tot Loeven. 

Eerbare, deuchtsame, voorsienige ende zeer discrete joufvrouwe naermyne 
dienstwillige anbiedingen. De drouve tydingen van des heeren LlPSü, uwes L« 
mans ende mynes zonderlingen goeden vrunts afsterven ontfangen hebbende, 
hebbe ie zyne gesloten uyterste wille, de welcke in dier vougen tot noch toe 
onder my berust heeft, volgende den innehouden van dien voor notarys ende 
getuygen geopent; ende omme my zelven van de vorder bewaringe ter goeder 
trouwen tontlasten, zeynde ie de zelve uwer E. mitsdesen gesloten over mit acte 
daer beneffens, daarby blyct, dat ie my daer inne dienvolgende gedragen hebbe, 
omme alle tzelve te gebruyeken daer ende zulx u E. te rade zal vinden. Ie 
hadde wel gehoopt, dat de gelegentheyt zich zulx zoude hebben geopent, dat wy 
den anderen noch een mael hadden mogen zien, spreecken ende vernieuwen onse 
oude vruntschap, de welcke noch ons afscheyden, noch de lancheyt, noch de 
veranderinge des tyts en gemoets in my niet en heeft vermindert, mer de wyle 
het de Heer Almachtich in wiens handen wy altsamen staen, anders gelieft heeft, 
moeten ende willen wy zulx van zyn vaderlicke handt mit gedult opnemen, gelyc 
ie my verseeckere, dat uwer E. in den haren als een cloucmoedige vrouwe doet. 
Ende desen mit myne dienstwillige anbiedingen eyndende, bidde den almogende 
u, eerbare, deuchtsame, voorsienige ende zeer discrete joufvrouw, te nemen in zyn 
heylige hoede, schut ende scherm ter zalicheyt. In Leyden desen VenMeyXVlc 
ende zes, nieuwen styls. 

Uwer E. dienstwillige oude vrundt 
J. van Hout. 

Hoe mooi treedt de figuur van VAN Hout hier weer naar voren. In zijn 
omgeving zal natuurlijk genoeg den spot zijn gedreven met LlPSlUS 1 later werk, 
met de Diva virgo Hallensis en de Diva virgo Sichemensis en met de zilveren 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 105 

pen, aan Maria gewijd ; ook het gemoed van van Hout zelf moet vreemd aan 
dergelijke dingen zijn geweest, maar zijn vriendschap blijft onveranderlijk. Geen 
koel ambtelijk schrijver, maar een hartelijk briefje aan de vrouw, die hij in een 
moeilijken tijd te Leiden ter zijde heeft gestaan ter wille van zijn vriend. 
„Mirarer si aliter ille qui mihi et cui ego semper quasi frater", schrijft LlPSius 
daaromtrent kort na zijn vertrek uit Leiden. Dat dit geen frase was, bewijst het 
bovenstaand briefje van VAN HOUT, vijftien jaar later onder zoo geheel veranderde 
omstandigheden geschreven. 

Ik laat thans eenige korte mededeelingen volgen uit stukken, die om het 
een of andçr meer dan de overige mijn aandacht trokken. 

i. Het testament en machtiging om te Londen gelden in ontvangst te 
nemen door Sr. Philips Asseliers van 4 Juni 1573 (I, fo. 44 r°. en 151 ro.vlg.) 
Uit het testament blijkt, dat hij de broer is JAN en PAUWELS ASSELIERS te 
Antwerpen en met hen een vrij aanzienlijken handel drijft. Jan is secretaris van 
Antwerpen en later griffier van de Algemeene Staten geweest (van der Aa, i.V.). 
Phillips is misschien de Asseliers, die deel neemt aan het ontzet van 
Leiden (Fruin, Verspr. geschr. II, 461). 

2. In den inventaris van de „goederen, dewelcke gevonden zijn in de 
huysinge van joncvrouwe Marie IJswoütsdr, weduwe van Mr. Alewyn van 
LEEUWEN, staende in de Nonnensteech", van 17 Juni 1573 komen de volgende 
schilderijen voor zonder eenige verdere aanduiding (I, fo. 55 vo. en 170 ro.): 

„Een tavereel vande wassinghe der voeten, 

Zeven stucken op douck geberdt vande zeven deuchden, 

Een tavereel van Lucretia op douck". 

3. „Acte van ontsegelinghe by Joncheer ARENT van DuVENVOORDE (die 
een belangrijk aandeel in den opstand nam en te Leiden aangezet zou hebben 
tot den beeldenstorm; zie v. D. Aa en Wagenaar) „gedaen in zijn ooms sterfhuys," 
van 13 Mei 1573 (I, 21 v<> r ) De oom heet Adriaen van Duven voorde en diens 
inventaris van 11 Juli 1573 volgt op 69 vo. Op dezen inventaris vestig ik de 
aandacht van hen, die belang stellen in een mooie collectie linnengoed. Over 
ARENT VAN DuVEN VOORDE komen verder nog verschillende stukken voor, 32 vo. f 
33 vo. etc In Dl. II, 68 v . de huwelijksvoorwaarden van WILLEM VAN DuVENVOORDE 
en Maria van Brouchoven, 19 Feb. 1589. 

4. Taling is de Leidsche predikant, die zijn stoutigheden op den kansel 
naar het verhaal van PETRUS SCRIVERIUS door de opbruisende verontwaardiging 
van van Hout met den dood had kunnen bekoopen. ! ) Daardoor wordt de man 

l ) Prinsen, De Ned. Ren.-dichter Jan van Hout, p. 49. 



106 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

min of meer interessant Ik vermeld daarom hier, wat in het protocol van hem 
voorkomt, te meer daar van DER Aa hem niet noemt. 

In een attestatie van 29 Sept. 1573 (I fo. 285) heet hij „Adriaen jANSzn. 
Taling, dienaer des godlicken woorts der gereformeerde gemeente deser stadt 
Leyden, out omtrent XXXVII jaeren." Hy verklaert daar, „hoe hy, deposant» 
over de zeven of acht jaren, zynde pastoer van den dorpe van Hegemade, goede 
kennisse ende conversatie metten requirant" (zekeren CORNELIS BAEMENzn, 
gearresteerde ten huyse van den substituut van den bailliu) „heeft gehadt deurdien 
de zelve requirant aldaer ter kercke pleecht te comen, vermits hy niet wijt van 
daer en was woonachtich, ende dat hy, deposant, de zelve altyts bevonden heeft 
de gereformeerde religie mitter harte toegedaen te wesen ; voorts in alle politique 
zaecke hem gedragen hebbende als een vroom, eerlyck buyrman toebehoort en 
dat hy van gelycken geduyrende de persecutie vanden hertoge van Al va hem, deposant, 
ende meer andere personen hulp, hantreyckinge, faveur ende assistentie heeft 
gedaen ende bewesen." 

TALING schijnt dus een pastoor geweest te zijn, die eenvoudig maar de 
gereformeerde leer was gaan preeken, wat meer voorkwam. 

Het lot heeft gewild, dat VAN HOUT in Januari 1575 nog zijn inventaris 
mee heeft moeten opmaken (I 360 vo). Uit dien inventaris blijkt, dat Taling 
aanvankelijk werkelijk katholiek geestelijke moet geweest zijn. Onder het koperwerk 
komt een j,wywatersvaetgen" voor. En ook de bibliotheek bewijst dat. Naast 
reformatorische werken als van LüTHER, Melanchton, HyperiüS, BucerüS komen 
de Institutiones en de Catechismus Petri Canisii en werk van Fr. Nausea voor. 
Verder werken van Bullengereüs, Musculus, Titelmannus in psalmos, Opera 
Adami Sasbout, ook Thomas de Kempis en Chrisostomus, Ambrosius, 
Anselmus, Athonius Sabellicus, Volatarranus. Hij had dus gelegenheid 
genoeg om de zaak vàn verschillende kanten te bekijken. 

De drie Leidsche predikanten NlCLAES JANSzn. VERSTRAET, PlETER 
CORNELlSzn. 1 ) en Casparus JANSzn. Coolhaes hebben den inventaris opgemaakt. 

5. Bij Van Mander komt Knotter te Leiden eenige malen voor als 
bezitter van merkwaardige schilderijen 2 ), soms eenvoudig als „de heer KNOTTER" 1 ) 
soms als Jan ADRlAENSzn. KNOTTER 4 ), en de smaak voor kunst schijnt in de 



1) Deze Pibtbr CORNELisz. zal wel dezelfde zijn als de secretaris der synode van Alkmaar in 1573. 
Zie Fruin, Verspr. Geschr. II, 241). Het testament van Pieter Corneliszn. (predicant te Leiden) van 3 April 
2573 is te vinden in het protocol, I, 97. r*. 

2) Grève, Bronnen van C. v. Mander, p. 297. 
•) van Mahder, ed. x6i8, p. 136 ro, 213 ro. 
*) Ibidem, fo. 139 v©., 157 vo. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 107 

Knotter's gezeten te hebben, tenminste in 1697 neemt nog een JOHAN Knotter 
de plateelbakkerij „de Porceleine flescn' over 1 ). Dit wekt eenige belangstelling 
voor de familie. Ik kan hier niet voldoende nagaan, of er van den KNOTTER 
bij Van Mander iets naders bekend is, maar vermeld eenvoudig, wat ik vond 
over Adriaen jANSzn. Knotter, die dus zeer waarschijnlijk de vader was van 
Jan ADRiAENSzn., tenzij van Mander zich vergiste in de volgorde der namen 
en dan kan Adriaen JANSzn., zelfs de gelukkige bezitter van een Lucas en een 
Aertgen van Leyden zijn geweest. Fo. 300: Attestatie over ongeregeldheden van 
soldaten ten huize van „Adriaen JANSzn. Knotter, woonende binnen deser 
stede op Steenschuyr" 2 ), 16 Oct. 1573. Fo. 434: Acte over zekere onmondige kin- 
deren, „gedaen opte Weeskamer der Stadt Leyden in bijwesen van Adriaen 
JANSzn. Knotter en Hendrik JoosTENzn., 27 Jan. 1575", wat ons doet ver- 
moeden, dat KNOTTER weesmeester was 8 ); bij Orlers vind ik echter alleen zijn 
broer Claes onder de vaders van de arme weezen. Fo. 485 : Acte van Adriaen 
JANSzn. KNOTTER, waarin hij erkent, dat hij de huur van 3 morgen lands van 
zijn broer Claes JANSzn. heeft overgenomen, 8 Juni 1577. Fo. 486 : Acte over het 
recht van koeien in zekere wei te laten loopen van ADRIAEN JANSzn. KNOTTER 
contra CORNELIS CORNELlSzn, Schuut van Leyerdorp, 12 Juni 1577. 

Op fo. 487, 493, 498 en 500 komen nog eenige dergelijke zaakjes voor, 
waaruit blijkt, dat de Knotters veehandel gedreven hebben. 

6. Fo. 389 vo. komt voor het testament van Lysbeth REYERSdr., vogel- 
coopster, weduwe van Adriaen Baerntsen, beeldesnijder, Nov. 1573. Ik noteer 
dit niet alleen om het beroep van haar overleden man, maar ook in verband met 
het huwelijk van MARYTGEN BAERNTSdr. „mit haer gevuucht zynde BAERNT 
LAMBRECHTSzn., haer vader, en CORNELIS VAN AECKEN CLAESzn." (d.i. Van 
Horn's buurman op de Breestraat, waard in De Wissel en tevens goudsmid en 
graveur) „haer oom ende voocht" ter eener en CORNELIS CLAESzn., geboren 
van Haarlem, bruidegom, ter anderer zijde (10 Febr. 1577, folo. 483 ro.). Dit 
MARYTGEN is niet onwaarschijnlijk een zuster van den beeldsnijder en de bruidegom 
kan zeer wel de CORNELIS CLAESzn. van Haarlem zijn, waarover VAN Mander 
spreekt 4 ). In ieder geval bestaat er dan onder de familie zekere affiniteit in 
smaak voor de kunst. Maar er is ook een admiraal CORNELIS CLAESzn. en een 
uitgever en boekhandelaar te Amsterdam in die dagen. Met den laatsten was 
van HOUT goed bekend; hij deed Orlers bij hem in de leer. Uit de stukken 



1) Oud-Holland, XIX, p. 118. 

*) Zie ook Pleytb, Ltiden voor 300 jaar, p. 27, 81 en 98. 

*) Zie ook Orlers (1781), p. 142, 743, 750. 

*) Ed. 1Ö18, fo. 2x3 ro. 



108 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

zelf blijkt niets naders aangaande het beroep, 't Waren blijkbaar welgestelde 
menschen. 

7. Pro memorie noteer ik hier het testament van Hendrick ADRlAENSzn.» 
die zich „schilder, inwoonder deser Stadt" noemt, van Dec. 1573 (fo. 392 ro.) # 
Men herinnere zich, dat Orlers te Leiden een Jan ADRlAENSzn. gekend heeft, 
die een „geestig Landschap-schilder" was *). Dit kunnen broers geweest zijn. 

8. Toen van Hout tusschen de beide belegeringen in, 27 April 1574 te 
Dordrecht was, heeft hij een schuldbekentenis opgemaakt (en juist daarvoor 
vooral was hij misschien wel in Dordrecht), waarin Joncheer OLIVIER VAN 
DEN TEMPEL, heere tot Corbeecke, „bekent schuldich te zyn aen HENRICK 
VAN BROUCHOVEN, schoudt der stede van Leyden 420 gld. van 40 grt. tstuck 
ter cause van coopmanscappe van paerden, hem, comparant, bij den voorn. 
BROUCHOVEN vercoft ende gelevert, ende oock eensdeels van geleende pen- 
ningen". Van den Tempel zal daarvoor jaarlijks een losrente van 26 gld. 
uitkeeren. „Gedaen tot Dordrecht in tlogement van de voorsz. heere VAN DEN 
Tempel, te weten van Claes BLASiuszn de Bol" (I, f°. 396 v°. en 405). 
Dit kan de dichter OLIVIER VAN DEN Tempel zijn, die volgens VAN DER Aa 
„bloeide in het begin der zeventiende eeuw". 

9. Op fo. 413 vlg. van dl. I. „Staet van de stucken, registers en charters" 
welke Jan van ; Hout gevonden heeft op 22 July 1574 op het cantoor van 
DlRCK van Kessel, rentmeester van Rynsburch. Deze staet werd opgemaakt op 
verzoek van VAN KESSEL en beslaat twaalf pagina's. 

10. Op 411 vlg. van dl. I, een lijst van goederen van kolonel CHESTER 8 ), 
achtergelaten door zijn dienaar RlTSARD Lasenbe bij Reyer JANSSEN, „waert in de 
Meerminne". Die lijst werd gemaakt door VAN HOUT op bevel van Mr. DlDERiC 
van Bronchorst, raedt ordinaris inden provincialen hove van Hollandt ende 
commissaris van wegen zyn Ex. binnen der stede van Leyden, — - om deselve 
goeden zoo vele des mogelicken es in wesen te houden ende te bewaren ende 
ten eynde dezelve niet en verloren gaen noch verduystert werden, mer op dat 
de voorsz. Heere de coronel de zelve in tyden ende wylen 8 ) weder sal mogen 
becomen." Wie er belang in stelt, wat zoo'n Engelsch overste wel meenam op 
expeditie, vindt hier een aardig document. Daar is „een slootjen mit letteren, een 
wit satynen wamboys sonder mouwen, een ront doosgen mit noesdoecken, een 
berbiers coker, een scheermes, twe kammen, twe wasballen, een deursneden 



i) Orlers (1781), p. 395- 

2) Zie Fruin, Verspr, Geschr. II, p. 440 en Wagen A ar. 

8) In raargine: % Naer dese stede by de genade Godts geopent tal wesen,* 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 109 

Spaensen colder, een roden mantel mit wit baey gevoert, een out hemde", ver- 
scheidene stukken linnen enz. enz. 

il. Deel I, fo. 34 vo. Acte van overleveringhe van penninghen gedaen by 
Otte Schade, overste wachtmeyster, aen Cornelis PrETERSzn., glaesschryver 
in den Hage, 23 Mei 1573. 

12. In deel I van het protocol komen verschillende VAN Rhyn's voor. 
Geen echter, die ik met het materiaal in HOFSTEDE DE GROOT*s oorkonden-boek 
in verband kan brengen. Pour acquit de conscience noteer ik hier echter toch 
even de stukken: I, 389 komt een Nelletgen PlETERSdochter VAN Rhyn, 
poortersse van Leiden, oud 50 jaar, voor, in een acte van 10 Nov. 1573. Ze is 
weduwe van Jan PlETERSzn." en getuigt, dat Jan CLAESzn. een zekere hoeveelheid 
hooi heeft geoogst en dat dit hooi uit den „barch op de Groenhasengrait" door 
ruiters is gestolen. 

I, 464 ro. komt JOOST jANSzn. van Rhyn, klerk van Jan van Hout, 
als getuige bij een testament voor (15 Juli 1576). 

I, 484. Joost JANSzn. van Rhyn en Pieternelleken jANSdr. van Rhyn, 
zijn zuster verklaren, dat ze in overeenstemming met het testament hunner moeder 
aan haar zuster „Marytgen jANsdr. VAN Rhyn, nutertijt religieuse in den 
convente van Engelendale te Jacobmesse buyten Brugge in Vlaenderen" jaarlijks 
een zekere som zullen uitbetalen, 15 Mei 1577. 

13- I> 433- °e oorspronkelijke acte, bedoeld bij Kluyt, Historie der Holl. 
Staatsregering, I 492, onderaan, waaruit blijkt, dat VAN DER Werf te Wesel 
„mesnage" hield. De acte is van 20 Jan. 1575 en de onkosten worden geschat op 
600 gld. van 40 groten. Vermoedelijk heeft van der Werf na het beleg die 
som terug verlangd. 

14. I, 467, Het testament van Wenzelaus Tserclaes, dien we herhaal- 
delijk aan de zijde van Oranje zien optreden (zie van der Aa, X, 194). Hij 
was de zoon van CHARLES TCERCLAES en benoemde tot zijn eenigen algeheelen 
erfgenaam „Joncheer Floris Tserclaes, der rechten licentiaet", zijn broeder. 
Deze Floris komt fo. 513 voor in een attestatie over landeryen van ArêNT 
VAN DUVENVOORDE. Hij wordt later baljuw van Schoonhoven. 

Het testament is van 7 Aug. 1576. 

15. Van Mander zag bij Wolf art van Bijler in den Nes te Amsterdam 
een „Joseph den Patriarch van Antoni Blocklandt". *) Over dezen van Bijler 
is een en ander in het protocol te vinden. Hij was juwulier en woonde 23 Juni 
1586 te Amsterdam „inde Calverstrate omtrent de Regulierspoorte ;" hij accordeert 



i) Cf. Grève, Bronnen van C. van Mamdbb, p. 188. 
Oud-Holland, 1908. 15 



110 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dan met Jan GlJSBRECHTSzn. uit Leiden en Franchois Fagel uit Amsterdam 
over het onderhoud aan Fabiaenken van Vliet, een zoon uit een vroeger 
huwelijk van de vrouw van VAN BljLER. 21 April 1589 woont VAN BijLER met 
zijn vrouw te Londen. De desbetreffende stukken vindt men I, 210, 530; II, 47, 
68, 137, 261. 

16. II, 55 ro. Het testament van Joannes Holm annus Secundus en 
Bycke van Edenbottels, zijne vrouw, van 25 Dec. 1586. Den dag daarna is 
hij in de armen van zijn collega Heurnius gestorven. Hij was een der eerste 
professoren in de theologie te Leiden en stond tegenover de strenge opvatting 
der praedestinatie volgens de Geneefsche leer (zie VAN der Aa, L v.). Hij ver- 
maakte zijn bibliotheek aan de Universiteit en was daardoor oorzaak, dat het 
plan, om de boekkamer in orde te brengen, werd doorgezet f ). In het testament 
wordt het legaat aldus vermeld: (56 ro.) „Angaende mijne boucken, dewyl ie* 
testator, vanden edelen ende erntfesten heeren, de heeren curatoren deser univer- 
siteit Leyden, sampt Eerbaren en de hoochwijzen raedt deser stadt Leyden vele 
weldaden, gonst ende genegentheyt hebbe ontfangen ende erfaren, so legatere 
ende bespreecke ie alle myne boucken voorgenoemden heeren tot profyt ende 
eere deser universiteyt, also dat alle die volumina, die in een biblioteecke tot 
profyt ende eer van der universiteyt geset ende geholden werden, den selvigen 
heeren tot profyt als voren naer myn versterven volgen; zoo veel den anderen 
belangeth, die tot fyne voorsz. ondienstich, wil ie dat ewelick ende erfelicken 
by myne huysvrouwe blyven. Ende zullen van de voorsz. heeren twee geordineert 
werden, die mitten heeren Joanne Heurnio ende Julio Beyma zulcke boucken 
van een ander scheyden ende uytzetten." 

17- I, 385, II, 83. In het voorjaar van 1592 heeft men vergeefs getracht 
den verdraagzamen en gematigden Wernerus Helmichius, geestverwant van 
Uytenbogaert, aan de Universiteit als theologisch professor ie verbinden. Hij 
is een der acteurs in Bosboom-Toussaints Leycester-cyclus. Sedert 1590 stond 
hij te Delft, later neemt hij een beroep naar Amsterdam aan, waar hij onder 
den invloed van Plancius komt. Helmichius schijnt aanvankelijk aan de uit- 
noodiging van Leiden gehoor gegeven te hebben, maar later zoekt hij zich er af 
te maken. Er komen in een hier op betrekking hebbend stuk van 13 April 1592 
eentge niet onbelangrijke zinnetjes voor. Johan VAN DER Does, de vroedschap 
en de curatoren verklaren hierin, dat ze steeds trachten aan te stellen de „best 
gequalificeertste, geleerste ende ervarenste professoren, zonderlinge inde&culteyt 
der théologien, wessede de voornaemste ende bysonderste, daertoe de Universiteyt 



1 ) Zie P. C. Molhuysbn, Gesch. der Universiteitsbibliotheek te Leiden, p. 5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 111 

es gesticht ende gebout", ook uit de naburige landen „deurdien in desen landen 
weynich personen totter voorsz. professie bequaem, waren te becomen". Verder, 
dat ze om geen oorzaak tot oneenigheid te geven „mits de verscheydenheyt van 
gevoelen, aert, manieren ende genegentheyden", altijd de voorkeur gegeven hebben 
aan „innegeboren deser landen", dat ze na vertrek van Carolus Gallus, 
omdat de taak voor Lucas Trelcatius te zwaar bleek, Warnerus Helmichius 
te Delft hadden aangezocht; anders zouden ze zich weer, naar den raad van 
D. Bese, moeten wenden tot Duitsche theologen, hoewel ongaerne „als die om 
die voorgaende redenen liever hadden eenige van onse tael". Helmichius had 
geantwoord, dat wel is waar zyn „verbintenisse van de kercke van Delff" in 
April geëindigd zou zyn, maar men zou het toch niet aardig vinden, als hij ging. 
De zaak schijnt ten slotte hier op neer te komen, dat Helmichius niet op voldoende 
positieven toon voor het professoraat heeft bedankt en toch in Délit blijven wil. 
Genoemde autoriteiten verklaren nu bij notarieele acte, dat zij „inhereerden en 
a nh ielden op haar protestatie" nl. dat indien ter zake van het beroep het gemeen 
land of de kerk schade mocht ondervinden, ^dat zij dair van ende van tverder 
quaet, twelc daeruyt eenichsins zoude mogen ontstaen, voor God ende de werelt 
onschuldich wilden zijn gehouden." 

18. II. 87 v . Het testament van Mr. Jacobus Ramsaeus doctor juris . 
20 Mei 1593, 's avonds ten 7 uur, werd Van HOUT „versocht ten huyse van 
Jacob PiETERSzn. Onderwater, apothecarys, voor tbedde van Mr. Jacobus 
Ramsaeus, geboren uyt Schotlandt, doctor der rechten ende professor in logica, 
daer de zelve in crancken schyne op liggende was". Zijn bezittingen in Schotland 
maakt RAMSAEUS, die ook aan het collegie der théologien is verbonden geweest l ), 
aan zijn broer en zuster aldaar, Zijn overige bezittingen, inneschulden enz., 
behalve de boeken, zijn voor Marytgen van Leeuwen, „zyne toecomendé 
huysvrouwe", de boeken zyn voor Jacob van Leeuwen, des voorn. Marytgen' s 
broeder". Deze kan de schoonzoon van Van Hout zijn geweest. *) 

19. II. 108 vo. Huwelijksvoorwaarden van „Johannes Keuchlinus, 
regent van 't college der théologien geassisteert mit Petro Bertio, onderregent 
van 't voorsz. college, zijn schoonzoon, en GEERTGEN jACOBsdochter, geboren 
van Oudewater, laetste weduwe van GOVERT DiRXzn., geassisteert met Jacobo 
Arminio, dienaer des Goddelicken Woorts te Amsterdam, haar broederszoon, 
ende mit Claes CORNELiSzn., vleeshouder, haer zwaeger" 10 Dec. 1596. In het 
zelfde stuk wordt de naam van den bekenden regent van het Statencollege, die 



1) Schotel, Een studenten-oproer in 2594, p. 60. 
*) Zie hieronder bij No. 83 

15* 



110 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dan met Jan GlJSBRECHTSzn. uit Leiden en Franchois Fagel uit Amsterdam 
over het onderhoud aan Fabiaenken van Vliet, een zoon uit een vroeger 
huwelijk van de vrouw van VAN BlJLER. 21 April 1589 woont VAN BijLER met 
zijn vrouw te Londen. De desbetreffende stukken vindt men I, 210, 530; II, 47, 
68, 137, 261. 

16. II, 55 ro. Het testament van Joannes Holm annus Secundus en 
Bycke VAN Edenbottels, zijne vrouw, van 25 Dec. 1586. Den dag daarna is 
hij in de armen van zijn collega Heurnius gestorven. Hij was een der eerste 
professoren in de theologie te Leiden en stond tegenover de strenge opvatting 
der praedestinatie volgens de Geneefsche leer (zie van der Aa, i. v.). Hij ver- 
maakte zijn bibliotheek aan de Universiteit en was daardoor oorzaak, dat het 
plan, om de boekkamer in orde te brengen, werd doorgezet '). In het testament 
wordt het legaat aldus vermeld: (56 ro.) „Angaende mijne boucken, dewyl ie, 
testator, vanden edelen ende erntfesten beeren, de heeren curatoren deser univer- 
siteit Leyden, sampt Eerbaren en de hoochwijzen raedt deser stadt Leyden vele 
weldaden, gonst ende genegentheyt hebbe ontfangen ende erfaren, so legatere 
ende bespreecke ic alle myne boucken voorgenoemden heeren tot profyt ende 
eere deser universiteyt, also dat alle die volumina, die in een biblioteecke tot 
profyt ende eer van der universiteyt geset ende geholden werden, den selvigen 
heeren tot profyt als voren naer myn versterven volgen; zoo veel den anderen 
belàngeth, die tot fyne vobrsz. ondienstich, wil ic dat ewelick ende erfelicken 
by myne huysvrouwe blyven. Ende zullen van de voorsz. heeren twee geordineert 
werden, die mitten heeren Joanne Heurnio ende Jülio Beyma zulcke boucken 
van een ander scheyden ende uytzetten." 

17« I| 38S, II, 83. In het voorjaar van 1592 heeft men vergeefs getracht 
den verdraagzamen en gematigden Wernerus Helmichius, geestverwant van 
Uytenbogaert, aan de Universiteit als theologisch professor iè verbinden. Hij 
is een der acteurs in Bosboom-Toussaints Leycester-cyclus. Sedert 1590 stond 
hij te Delft, later neemt hij een beroep naar Amsterdam aan, waar hij onder 
den invloed van Plancius komt. Helmichius schijnt aanvankelijk aan de uit- 
noodiging van Leiden gehoor gegeven te hebben, maar later zoekt hij zich er af 
te maken. Er komen in een hier op betrekking hebbend stuk van 13 April 1592 
eenige niet onbelangrijke zinnetjes voor. Johan VAN DER Does, de vroedschap 
en de curatoren verklaren hierin, dat ze steeds trachten aan te stellen de „best 
gequalificeertste, geleerste ende ervarenste professoren, zonderlinge inde&culteyt 
der théologien, wessede de voornaemste ende bysonderste, daertoe de Universiteyt 



1 ) Zie P. C. Molhuysbn, Gesch. der Universiteitsbibliotheek te Leiden, p. 5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 111 

es gesticht ende gebout", ook uit de naburige landen „deurdien in desen landen 
weynich personen totter voorsz. professie bequaem, waren te becomen". Verder, 
dat ze om geen oorzaak tot oneenigheid te geven „mits de verscheydenhey t van 
gevoelen, aert, manieren ende genegentheyden", altijd de voorkeur gegeven hebben 
aan „innegeboren deser landen", dat ze na vertrek van Carolus Gallus, 
omdat de taak voor Lucas Trelcatius te zwaar bleek, Warnerus Helmichius 
te Delft hadden aangezocht; anders zouden ze zich weer, naar den raad van 
D. Bese, moeten wenden tot Duitsche theologen, hoewel ongaerne „als die om 
die voorgaende redenen liever hadden eenige van onse tael". Helmichius had 
geantwoord, dat wel is waar zyn „verbin tenisse van de kercke van Delff" in 
April geëindigd zou zyn, maar men zou het toch niet aardig vinden, als hij ging. 
De zaak schijnt ten slotte hier op neer te komen, dat Helmichius niet op voldoende 
positieven toon voor het professoraat heeft bedankt en toch in Délit blijven wil. 
Genoemde autoriteiten verklaren nu bij notarieele acte, dat zij „inhereerden en 
anhielden op haar protestatie" nl. dat indien ter zake van het beroep het gemeen 
land of de kerk schade mocht ondervinden, „dat zij dair van ende van tverder 
quaet, twelc daeruyt eenichsins zoude mogen ontstaen, voor God ende de werelt 
onschuldich wilden zijn gehouden/ 1 

18. II. 87 v . Het testament van Mr. JACOBUS Ramsaeus doctor juris. 
20 Mei 1593, 's avonds ten 7 uur, werd Van HOUT „versocht ten huyse van 
Jacob PiETERSzn. Onderwater, apothecarys, voor tbedde van Mr. Jacobus 
Ramsaeus, geboren uyt Schotlandt, doctor der rechten ende professor in logica, 
daer de zelve in crancken schyne op liggende was". Zijn bezittingen in Schotland 
maakt RAMSAEUS, die ook aan het collegie der théologien is verbonden geweest *), 
aan zijn broer en zuster aldaar, Zijn overige bezittingen, inneschulden enz., 
behalve de boeken, zijn voor Marytgen van Leeuwen, „zyne toe co m en dé 
huy s vrouwe", de boeken zyn voor Jacob van Leeuwen, des voorn. Marytgen' s 
broeder". Deze kan de schoonzoon van Van Hout zijn geweest. *) 

19. II. 108 vo. Huwelijksvoorwaarden van „Johannes Keuchlinus, 
regent van 't college der théologien geassisteert mit Petro Bertio, onderregent 
van 't voorsz. college, zijn schoonzoon, en Geertgen jACOBsdochter, geboren 
van Oudewater, laetste weduwe van Govert DiRXzn., geassisteert met Jacobo 
Arminio, dienaer des Goddelicken Woorts te Amsterdam, haar broederszoon, 
ende mit Claes CORNELlSzn., vleeshouder, haer zwaeger" 10 Dec. 1596. In het 
zelfde stuk wordt de naam van den bekenden regent van het Statencollege, die 



1) SoHOTBL, Een studenten-oproer in 2594, p. 60. 
*) Zat hieronder bij No. 83 

15* 



110 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dan met Jan GljSBRECHTSzn. uit Leiden en Franchois FAGEL uit Amsterdam 
over het onderhoud aan Fabiaenken van Vliet, een zoon uit een vroeger 
huwelijk van de vrouw van VAN BljLER. 21 April 1589 woont VAN BijLER met 
zijn vrouw te Londen. De desbetreffende stukken vindt men I, 210, 530; II, 47, 
68, 137, 261. 

16. II, 55 ro. Het testament van Joannes Holm annus Secundus en 
BYCKE VAN Edenbottels, zijne vrouw, van 25 Dec. 1586. Den dag daarna is 
hij in de armen van zijn collega Heurnius gestorven. Hij was een der eerste 
professoren in de theologie te Leiden en stond tegenover de strenge opvatting 
der praedestinatie volgens de Geneefsche leer (zie VAN DER Aa, i. v.). Hij ver- 
maakte zijn bibliotheek aan de Universiteit en was daardoor oorzaak, dat het 
plan, om de boekkamer in orde te brengen, werd doorgezet f ). In het testament 
wordt het legaat aldus vermeld: (56 ro.) „Angaende mijne boucken, dewyl ie» 
testator, vanden edelen ende erntfesten heeren, de heeren curatoren deser univer- 
siteit Leyden, sampt Eerbaren en de hoochwijzen raedt deser stadt Leyden vele 
weldaden, gonst ende genegentheyt hebbe ontfangen ende erfaren, so legatere 
ende bespreecke ie alle myne boucken voorgenoemden heeren tot profyt ende 
eere deser universiteyt, also dat alle die volumina, die in een biblioteecke tot 
profyt ende eer van der universiteyt geset ende geholden werden, den selvigen 
heeren tot profyt als voren naer myn versterven volgen; zoo veel den anderen 
belàngeth, die tot fyne vobrsz. ondienstich, wil ie dat ewelick ende erfelicken 
by myne huysvrouwe blyven. Ende zullen van de voorsz. heeren twee geordineert 
werden, die mitten heeren Joanne Heurnio ende JULIO Beyma zulcke boucken 
van een ander scheyden ende uytzetten." 

17« Ij 385, II, 83. In het voorjaar van 1592 heeft men vergeefs getracht 
den verdraagzamen en gematigden Wernerus Helmichius, geestverwant van 
Uytenbogaert, aan de Universiteit als theologisch professor ie verbinden. Hij 
is een der acteurs in Bosboom-Toussaints Leycester-cyclus. Sedert 1590 stond 
hij te Delft, later neemt hij een beroep naar Amsterdam aan, waar hij onder 
den invloed van Plancius komt. HELMICHIUS schijnt aanvankelijk aan de uit- 
noodiging van LEIDEN gehoor gegeven te hebben, maar later zoekt hij zich er af 
te maken. Er komen in een hier op betrekking hebbend stuk van 13 April 1592 
eenige niet onbelangrijke zinnetjes voor. JOHAN VAN DER Does, de vroedschap 
en de curatoren verklaren hierin, dat ze steeds trachten aan te stellen de „best 
gequalificeertste, geleerste ende ervarenste professoren, zonderlinge inde&culteyt 
der théologien, wessede de voornaemste ende bysonderste, daertoe de Universiteyt 



1 ) Zie P. C. Molhuysbn, Gesch. der Universiteitsbibliotheek te Leiden, p. 5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 111 

es gesticht ende gebout", ook uit de naburige landen „deurdien in desen landen 
weynich personen totter voorsz. professie bequaem, waren te becomen". Verder, 
dat ze om geen oorzaak tot oneenigheid te geven „mits de verscheydenhey t van 
gevoelen, aert, manieren ende genegentheyden", altijd de voorkeur gegeven hebben 
aan „innegeboren deser landen", dat ze na vertrek van Carolus Gallus, 
omdat de taak voor Lucas Trelcatius te zwaar bleek, Warnerus Helmichius 
te Delft hadden aangezocht; anders zouden ze zich weer, naar den raad van 
D. Bese, moeten wenden tot Duitsche theologen, hoewel ongaerne „als die om 
die voorgaende redenen liever hadden eenige van onse tael". Helmichius had 
geantwoord, dat wel is waar zyn „verbintenisse van de kercke van Delff" in 
April geëindigd zou zyn, maar men zou het toch niet aardig vinden, als hij ging. 
De zaak schijnt ten slotte hier op neer te komen, dat Helmichius niet op voldoende 
positieven toon voor het professoraat heeft bedankt en toch in Délit blijven wil. 
Genoemde autoriteiten verklaren nu bij notarieele acte, dat zij „inhereerden en 
anhielden op haar protestatie" nl. dat indien ter zake van het beroep het gemeen 
land of de kerk schade mocht ondervinden, «dat zij dair van ende van tverder 
quaet, twelc daeruyt eenichsins zoude mogen ontstaen, voor God ende de werelt 
onschuldich wilden zijn gehouden/ 1 

18. II. 87 v . Het testament van Mr. Jacobus Ramsaeus doctor juris . 
20 Mei 1593, 's avonds ten 7 uur, werd Van HOUT „versocht ten huyse van 
Jacob PiETERSzn. Onderwater, apothecarys, voor tbedde van Mr. Jacobus 
Ramsaeus, geboren uyt Schotlandt, doctor der rechten ende professor in logica, 
daer de zelve in crancken schyne op liggende was". Zijn bezittingen in Schotland 
maakt RAMSAEUS, die ook aan het collegie der théologien is verbonden geweest l ), 
aan zijn broer en zuster aldaar, Zijn overige bezittingen, inneschulden enz., 
behalve de boeken, zijn voor Marytgen van Leeuwen, „zyne toecomendé 
huy s vrouwe", de boeken zyn voor Jacob van Leeuwen, des voorn. Marytgen' s 
broeder". Deze kan de schoonzoon van Van Hout zijn geweest. *) 

19. II. 108 vo. Huwelijksvoorwaarden van „Johannes Keuchlinus, 
regent van 't college der théologien geassisteert mit Petro Bertio, onderregent 
van 't voorsz. college, zijn schoonzoon, en Geertgen jACOBsdochter, geboren 
van Oudewater, laetste weduwe van Govert DiRXzn., geassisteert met Jacobo 
Arminio, dienaer des Goddelicken Woorts te Amsterdam, haar broederszoon, 
ende mit Claes CORNELiSzn., vleeshouder, haer zwaeger" 10 Dec. 1596. In het 
zelfde stuk wordt de naam van den bekenden regent van het Statencollege, die 



1) Schotel, Een studenten-oproer in 2594, p. 60. 
*) Zie hieronder bij No. 83 

15* 



110 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dan met Jan GlJSBRECHTSzn. uit Leiden en Franchois FAGEL uit Amsterdam 
over het onderhoud aan Fabiaenken van Vliet, een zoon uit een vroeger 
huwelijk van de vrouw van VAN Bijler. 21 April 1589 woont VAN BijLER met 
zijn vrouw te Londen. De desbetreffende stukken vindt men I, 210, 530; II, 47, 
68, 137, 261. 

16. II, SS r °- He * testament van JOANNES H OLM ANNUS Secundus en 
Bycke VAN Edenbottels, zijne vrouw, van 25 Dec. 1586. Den dag daarna is 
hij in de armen van zijn collega Heurnius gestorven. Hij was een der eerste 
professoren in de theologie te Leiden en stond tegenover de strenge opvatting 
der praedestinatie volgens de Geneefsche leer (zie VAN DER Aa, L v.). Hij ver- 
maakte zijn bibliotheek aan de Universiteit en was daardoor oorzaak, dat het 
plan, om de boekkamer in orde te brengen, werd doorgezet '). In het testament 
wordt het legaat aldus vermeld: (56 ro.) „Angaende mijne boucken, dewyl ie, 
testator, vanden edelen ende erntfesten beeren, de heeren curatoren deser univer- 
siteit Leyden, sampt Eerbaren en de hoochwijzen raedt deser stadt Leyden vele 
weldaden, gonst ende genegentheyt hebbe ontfangen ende erfaren, so legatere 
ende bespreecke ic alle myne boucken voorgenoemden heeren tot profyt ende 
eere deser universiteyt, also dat alle die volumina, die in een biblioteecke tot 
profyt ende eer van der universiteyt geset ende geholden werden, den selvigen 
heeren tot profyt als voren naer myn versterven volgen; zoo veel den anderen 
belangeth, die tot fyne voorsz. ondienstich, wil ic dat ewelick ende erfelicken 
by myne huysvrouwe blyven. Ende zullen van de voorsz. heeren twee geordineert 
werden, die mitten heeren JOANNE Heurnio ende JULIO Beyma zulcke boucken 
van een ander scheyden ende uytzetten." 

17« I, 385, II» 83. In het voorjaar van 1592 heeft men vergeefs getracht 
den verdraagzamen en gematigden WERNERUS Helmichius, geestverwant van 
Uytenbogaert, aan de Universiteit als theologisch professor ie verbinden. Hij 
is een der acteurs in Bosboom-Toussaints Leycester-cyclus. Sedert 1590 stond 
hij te Delft, later neemt hij een beroep naar Amsterdam aan, waar hij onder 
den invloed van Plancius komt* Helmichius schijnt aanvankelijk aan de uit- 
noodiging van LEIDEN gehoor gegeven te hebben, maar later zoekt hij zich er af 
te maken. Er komen in een hier op betrekking hebbend stuk van 13 April 1592 
eenige niet onbelangrijke zinnetjes voor. JOHAN VAN DER DOES, de vroedschap 
en de curatoren verklaren hierin, dat ze steeds trachten aan te stellen de „best 
gequalificeertste, geleerste ende ervarenste professoren, zonderlinge inde&culteyt 
der théologien, wessede de voornaemste ende bysonderste, daertoe de Universiteyt 



1 ) Zie P. C. Molhuysbn, Gesch. der Universiteitsbibliotheek te Leiden, p. 5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 111 

es gesticht ende gebout", ook uit de naburige landen „deurdien in desen landen 
weynich personen totter voorsz. professie bequaem, waren te becomen". Verder, 
dat ze om geen oorzaak tot oneenigbeid te geven „mits de verscheydenheyt van 
gevoelen, aert, manieren ende genegentheyden", altijd de voorkeur gegeven hebben 
aan „innegeboren deser landen", dat ze na vertrek van Carolus Gallus, 
omdat de taak voor Lucas Trelcatius te zwaar bleek, Warnerus Helmichius 
te Delft hadden aangezocht; anders zouden ze zich weer, naar den raad van 
D. Bese, moeten wenden tot Duitsche theologen, hoewel ongaerne „als die om 
die voorgaende redenen liever hadden eenige van onse tael". Helmichius had 
geantwoord, dat wel is waar zyn „verbintenisse van de kercke van Delff' in 
April geëindigd zou zyn, maar men zou het toch niet aardig vinden, als hij ging. 
De zaak schijnt ten slotte hier op neer te komen, dat Helmichius niet op voldoende 
positieven toon voor het professoraat heeft bedankt en toch in Delft blijven wil. 
Genoemde autoriteiten verklaren nu bij notarieele acte, dat zij „inhereerden en 
anhielden op haar protestatio' ni. dat indien ter zake van het beroep het gemeen 
land of de kerk schade mocht ondervinden, „dat zij dair van ende van tverder 
quaet, twelc daeruyt eenichsins zoude mogen ontstaen, voor God ende de werelt 
onschuldich wilden zijn gehouden/' 

18. II. 87 v . Het testament van Mr. Jacobus Ramsaeus doctor juris . 
20 Mei 1593, 's avonds ten 7 uur, werd Van Hout „versocht ten huyse van 
Jacob PiETERSzn. Onderwater, apothecarys, voor tbedde van Mr. Jacobus 
Ramsaeus, geboren uyt Schotlandt, doctor der rechten ende professor in logica, 
daer de zelve in crancken schyne op liggende was". Zijn bezittingen in Schotland 
maakt RAMSAEUS, die ook aan het collegie der théologien is verbonden geweest l ), 
aan zijn broer en zuster aldaar, Zijn overige bezittingen, inneschulden enz., 
behalve de boeken, zijn voor MARYTGEN VAN Leeuwen, »zyne toecomendé 
huy s vrouwe", de boeken zyn voor Jacob van Leeuwen, des voorn. Marytgen's 
broeder". Deze kan de schoonzoon van Van Hout zijn geweest. *) 

19. II. 108 vo. Huwelijksvoorwaarden van „Johannes Keuchunus, 
regent van 't college der théologien geassisteert mit Petro Bertio, onderregent 
van 't voorsz. college, zijn schoonzoon, en Geertgen jACOBsdochter, geboren 
van Oudewater, laetste weduwe van GOVERT DiRXzn., geassisteert met Jacobo 
Arminio, dienaer des Goddelicken Woorts te Amsterdam, haar broederszoon, 
ende mit Claes CORNELlSzn., vleeshouder, haer zwaeger" 10 Dec. 1596. In het 
zelfde stuk wordt de naam van den bekenden regent van het Statencollege, die 



1) Schotsl, Een studenten-oproer in 2594, p. 60. 
*) Zie hieronder bij No. 83 

15* 



110 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

dan met Jan GlJSBRECHTSzn. uit Leiden en Franchois Fagel uit Amsterdam 
over het onderhoud aan Fabiaenken van Vliet, een zoon uit een vroeger 
huwelijk van de vrouw van VAN BljLER. 21 April 1589 woont VAN BljLER met 
zijn vrouw te Londen. De desbetreffende stukken vindt men I, 210, 530; II, 47, 
68, 137, 261. 

16. II, SS ro. Het testament van Joannes Holmannus Secundus en 
Bycke VAN Edenbottels, zijne vrouw, van 25 Dec. 1586. Den dag daarna is 
hij in de armen van zijn collega Heurnius gestorven. Hij was een der eerste 
professoren in de theologie te Leiden en stond tegenover de strenge opvatting 
der praedestinatie volgens de Geneefsche leer (zie van DER Aa, i. v.). Hij ver- 
maakte zijn bibliotheek aan de Universiteit en was daardoor oorzaak, dat het 
plan, om de boekkamer in orde te brengen, werd doorgezet '). In het testament 
wordt het legaat aldus vermeld: (56 ro.) „Angaende mijne boucken, dewyl ie, 
testator, vanden edelen ende erntfesten heeren, de heeren curatoren deser univer- 
siteit Leyden, sampt Eerbaren en de hoochwijzen raedt deser stadt Leyden vele 
weldaden, gonst ende genegentheyt hebbe ontfangen ende erfaren, so legatere 
ende bespreecke ie alle myne boucken voorgenoemden heeren tot profyt ende 
eere deser universiteyt, also dat alle die volumina, die in een biblioteecke tot 
profyt ende eer van der universiteyt geset ende geholden werden, den selvigen 
heeren tot profyt als voren naer myn versterven volgen; zoo veel den anderen 
belangeth, die tot fyne voórsz. ondienstich, wil ie dat ewelick ende erfelicken 
by myne huysvrouwe blyven. Ende zullen van de voorsz. heeren twee geordineert 
werden, die mitten heeren Joanne Heurnio ende JULIO Beyma zulcke boucken 
van een ander scheyden ende uytzetten." 

17- I| 385, II, 83. In het voorjaar van 1592 heeft men vergeefs getracht 
den verdraagzamen en gematigden WERNERUS Helmichius, geestverwant van 
Uytenbogaert, aan de Universiteit als theologisch professor ie verbinden. Hij 
is een der acteurs in Bosboom-Toussaints Leycester-cyclus. Sedert 1590 stond 
hij te Delft, later neemt hij een beroep naar Amsterdam aan, waar hij onder 
den invloed van Plancius komt. Helmichius schijnt aanvankelijk aan de uit- 
noodiging van LEIDEN gehoor gegeven te hebben, maar later zoekt hij zich er af 
te maken. Er komen in een hier op betrekking hebbend stuk van 13 April 1592 
eenige niet onbelangrijke zinnetjes voor. JOHAN VAN DER DOES, de vroedschap 
en de curatoren verklaren hierin, dat ze steeds trachten aan te stellen de „best 
gequalificeertste, geleerste ende ervarenste professoren, zonderlinge inde&culteyt 
der théologien, wessede de voornaemste ende bysonderste, daertoe de Universiteyt 



1 ) Zie P. C. Molhuysbn, Gesch. der Universiteitsbibliotheek te Leiden, p. 5. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 111 

es gesticht ende gebout", ook uit de naburige landen „deurdien in desen landen 
weynich personen totter voorsz. professie bequaem, waren te becomen". Verder, 
dat ze om geen oorzaak tot oneenigheid te geven „mits de verscheydenhey t van 
gevoelen, aert, manieren ende genegentheyden", altijd de voorkeur gegeven hebben 
aan „innegeboren deser landen", dat ze na vertrek van Carolus Gallus, 
omdat de taak voor Lucas Trelcatius te zwaar bleek, Warnerus Helmichius 
te Delft hadden aangezocht; anders zouden ze zich weer, naar den raad van 
D. Bese, moeten wenden tot Duitsche theologen, hoewel ongaerne „als die om 
die voorgaende redenen liever hadden eenige van onse tael". Helmichius had 
geantwoord, dat wel is waar zyn „verbintenisse van de kercke van Delff" in 
April geëindigd zou zyn, maar men zou het toch niet aardig vinden, als hij ging. 
De zaak schijnt ten slotte hier op neer te komen, dat Helmichius niet op voldoende 
positieven toon voor het professoraat heeft bedankt en toch in Délit blijven wil. 
Genoemde autoriteiten verklaren nu bij notarieele acte, dat zij „inhereerden en 
anhielden op haar protestatio' ni. dat indien ter zake van het beroep het gemeen 
land of de kerk schade mocht ondervinden, ^dat zij dair van ende van tverder 
quaet, twelc daeruyt eenichsins zoude mogen ontstaen, voor God ende de werelt 
onschuldich wilden zijn gehouden/ 1 

18. II. 87 v . Het testament van Mr. JACOBUS Ramsaeus doctor juris . 
20 Mei 1593, 's avonds ten 7 uur, werd Van HOUT „versocht ten huyse van 
Jacob PiETERSzn. Onderwater, apothecarys, voor tbedde van Mr. Jacobus 
Ramsaeus, geboren uyt Schotlandt, doctor der rechten ende professor in logica, 
daer de zelve in crancken schyne op liggende was". Zijn bezittingen in Schotland 
maakt Ramsaeus, die ook aan het collegie der théologien is verbonden geweest l ), 
aan zijn broer en zuster aldaar, Zijn overige bezittingen, inneschulden enz., 
behalve de boeken, zijn voor Marytgen van Leeuwen, „zyne toecomende 
huy s vrouwe", de boeken zyn voor Jacob van Leeuwen, des voorn. Marytgen' s 
broeder". Deze kan de schoonzoon van Van Hout zijn geweest. *) 

19. II. 108 vo. Huwelijksvoorwaarden van „Johannes Keuchlinus, 
regent van 't college der théologien geassisteert mit Petro Bertio, onderregent 
van 't voorsz. college, zijn schoonzoon, en Geertgen jACOBsdochter, geboren 
van Oudewater, laetste weduwe van Govert DiRXzn., geassisteert met Jacobo 
Arminio, dienaer des Goddelicken Woorts te Amsterdam, haar broederszoon, 
ende mit Claes CORNELiSzn., vleeshouder, haer zwaeger" 10 Dec. 1596. In het 
zelfde stuk wordt de naam van den bekenden regent van het Statencollege, die 



1) Schotel, Een studenten-oproer in 2594, p. 60. 
*) Zie hieronder bij No. 83 

15* 



112 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

hier voor den derden maal in den echt treedt, ook COCHLINIUS gespeld. Van 
der Aa geeft hem onder CucHLiNlus. 

In een acte van Mei 1603 (II, 202 vo.) verklaart dezelfde KeüCHLINUS 
van zijn vrouw Geertgen jACOBsdr. ontvangen te hebben 700 gld. van 40 
groten voor zijn particulier gebruik, terwijl dit geld, volgens de huwelijks-voor- 
waarden in het huishouden moest gebruikt worden. KEUCHLINUS belooft er 
interest van te zullen betalen aan GEERTGEN of haar erven tot de som zal zijn 
terugbetaald. Getuigen en datum van dit stuk zijn niet ingevuld en het is niet 
onderteekend. 

20. II, 120 v°. Aldaar vinden we ten eerste een „sommier inhout" van 
de huwelijksvoorwaarden van JACOB VAN Marnix, zoon van PHILIPS VAN MARNIX, 
heer van St. Aldegonde etc. en Philippotte VAN Bailleul etc, metjoncvrouwe 
Veronica van der Lippe genant Hoen, dochter van wijlen Dederich van 
der Lippe genant Hoen, heer tot Blyenbeec, Afferden ende Gribbenfoerst, en 
Joncvrouwe Anna van Merode to Slosberch, vastgesteld te Arnhem 28 Augustus 
1 596. Daarop volgt het testament van genoemde Veronica van der Lippe, 
12 Sept. 1597 door Van Hout gemaakt. De hoofdinhoud is: Alles gaat naar 
de kinderen; sterft ze zonder nakomelingen, dan gaan haar bezittingen aan haar 
zuster * Margarita van der Lippe genant Hoen, gehuwd met Wilhelm von 
und zu CORTENBACH of aan hun kinderen. Maar JACOB VAN MARNIX krijgt eerst 
het vruchtgebruik. Er zijn zeven getuigen, waaronder Joncheer Daniel van der 
Meulen en Paulus Merula. 

Jacob was Marnix' oudste zoon uit zijn eerste huwelijk. Het was Bona- 
ventura Vulcanius niet gelukt een litterator van hem te maken. Kort na zijn 
vader is hij in 1599 nog, overleden als krijgsman, een dochter nalatende. 

2i. II, 124 ro. Het testament van Catryn jACOBSdr., geboren van 
Amsterdam. Deze Catryn was de stichtster van de Tryn-Jacobs-Aalmoeshuisjes 
te Leiden, negen huisjes^ waarin arme mannen en vrouwen behalve vrije woning, 
jaarlijks twaalf gulden voor winterprovisie genoten. ') Zij was de weduwe van 
Frans jANSzn. Schouten van Leiden, kleermaker. Aan het testament gaat een 
legitimatie-brief van de Staten van Holland vooraf, waaruit blijkt, dat Trijn de 
dochter is van Heer Jacob FLORiSzn., in zijn leven priester te Amsterdam en 
Fytgen jANSdr. van Boerdecom, „onbesproocken jongedochter." Deze Jacob 
FLORiSzn. was overleden „zonder wettelyck huwelyck mit deselfde Fytgen des 
supplianten moeder te hebben gecontraheert 9 '. Een stamboom van de familie van 
Tryn JACOBSdr. gaat er bij. De priester heet daarin : „Heer Jacob EGBERTSzn, 
diemen nomde heer Jacob FLORiSzn." De stichting wordt uitvoerig beschreven. 
i) Orlbrs (Ed. 1781) I, p. 160. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 118 

22. II, 181 ro. Het testament van Johannes Heurnius, doctor en professor 
in de medicijnen en Christina Beijers zijne huisvrouw van 2 Juni 1601. 

23. II, 183 ro. Testament van Class Philipszooq van Leeuwen, am- 
bachtsheer van Alphen en Elysabeth van Bosschuysen DiRXdr. (beiden nog 
„clouc ende gesont") van 29 Nov. 1602. Een zoon van hen, Mr. Jacob v. Leeuwen, 
was van Houts schoonzoon. Zij vermaken aan elkaar hun bezittingen op den 
langstlevende, daarna komt alles aan de drie kinderen: Philips, Jacob en 
Marytgen, weduwe van CORNELIS PiETERSZn. de Haes. l ) 

24. In deel II op 211 ro. staat het eerste van eenige stukken, die misschien 
over drie min of meer beroemde Nederlanders licht kunnen geven. i°. Over 
den Antwerpschen secretaris, den humanist Cornelius Grapheus A lu sten sis 
(Schrijver), 2<>. over BOUDEWIJNS VAN B ER LI com, een verdienstelijk Latijnsch dichter, 
bekend jurist, griffier van het Hof van Brabant in Den Haag, en 30. JOHAN DE Laet, 
een geograaf van beteekenis. *) 

Eerst krijgen we dan het testament van 5 April 1605 van den „Erentfesten 
Heere FRANCHOYS BOUDEWIJNS, alias VAN Berlicom, geboren van Shertogtn- 
bossche en de eer- ende deuchtsamejoncvrouwe JACQUELINE CHOMBART, geboren 
van RlJSSELE, woonende binnen Leyden, clouc ende gesont van lichame, gaende 
en staende". Ze willen in de St Pieterskerk te Leiden begraven worden Ze 
vermaken elkaar hun huis te Leyden „onder tbon van Noort-Rapenburch, tusschen 
de Doelstege ten Noorden en de huysinge van de Wede. ende erfgenamen Joncheer 
JOHANS VAN MATENESSE, heere van Riviere, ten Zuyden," verder alle huisraad, 
schilderijen (niet afzonderlijk beschreven) kleeren, juweelen, ringen etc. De rest 
wordt in twee helften gedeeld, de eene voor den langst levende, de andere voor 
Joncvrouw Anna Grapheus, weduwe van Abraham Schuermans, voordochter 
van Jacquelijne Chombart bij Cornelius Grapheus, haar eersten man, en 
aan de tien kinderen uit het tegenwoordig huwelijk. 8 ) 

Volgens van der Aa is Corn. Grapheus 19 December 1558 op 76-jarigen 
leeftijd gestorven 4 ) en was zijn vrouw met welke hij in 15 15 gehuwd was, 
Adriana Philips, in 1550 overleden. Physiek is het dus niet geheel onmogelijk, 
dat de in 1605 hoog bejaarde Jacquelijne Chombart als jong meisje den 



i) Zie van Houts testament, achter Schotel, Het edele driemanschap, p. 53, en de Stamboom van 
van Hout in het Tijdschrift der Mij. van Ned. Lett., XXV, p. 7. Zie ook No. 18 hiervoor. 

3) Alle drie bij van dir Aa, Grapheus i. v. Schrijver. Over dezen kon ik tot mijn sp^t de Biographie 
Nationale niet inden. De documenten, die ik hier beknopt weergeef, vullen de berichten van van der Aa 
aan of verbeteren ze aanmerkelijk. 

8) De kinderen heeten Je remi as, Susanna, Franchoys, Daniel, Jacob, Samuel, aulüs, Maria 
Elisabeth, Jacqurltnr. Een Andreas van Berlicum, een natuurkundige uit de 17de eeuw, bij Van der Aa 
genoemd, is er dus niet bij. 

4) Over Grapheus verder Geldenhauers Collect area, p. XXIX, 47, etc 



114 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN*HOUT. 

ouden weduwnaar Grapheus getrouwd heeft en nog een kind, Anna Grapheus, 
bij hem heeft gehad. Uit het testament van deze Anna blijkt in ieder geval, 
dat ze in Antwerpen is geboren. 

De echtelieden BOUDEWIJNS van Berlicom— Chombart legateeren verder 
ƒ 600 aan de armen van de „Nederduytsche" gemeente en f 600 aan die van 
de „Walsche", f 300 aan het St. Catryne-gasthuis, verder nog bedragen aan 
een petekind FRANS Janeken te Staden, zoon van Hans Janeken, geboren te 
Hamburg, en aan knechts en meiden. „Jan VAN der Wele, heur zwager te 
Hamborch en Elias DE Raedt, coopman tot Amsterdam", worden aangewezen 
als „testamentelicke momboren of voochden". 

II, 214 ro. Testament van fjoncvrouwe Anna Grapheus, geboren van 
Antwerpen, weduwe van Abraham Schuyrmans. Ook zij woont te Leiden, wil 
in St. Pieter begraven zijn, vermaakt aan haar kinderen haar bezittingen. 

Ten slotte nog twee huwelijken van jongedames BOUDEWIJNS VAN BERLICOM. 

II, 240. Huwelijksvoorwaarden van 26 Aug. 1606 van Jacques de Beste, 
geb. te Brugge, nu wonende te Londen, geassisteerd door Franchoys van 
Strazele, velleploter, poorter van Leiden, zijn „goeden bekenden vrunt", en 
Susanna Boudewijns. 

II, 244. Huwelijksvoorwaarden van 15 April 1608 van JOHAN de Laet 
geb. te Antwerpen, wonende te Leiden, geassisteert door zijn moeder Joncvrouw, 
Johanna Sinders, weduwe van Sr. Joh an de Laet, en Maria Boudewijns 
van Berlicom, weer geassisteerd door haar beide ouders. Ook het sterfjaar bij 
van der Aa van Franchoys Boudewijns is dus onjuist. Johan de Laet, de 
geograaf, bewindhebber der West-Indische compagnie, lid van de synode van 
Dordrecht, maakte 11 Mei 1609 (II, 253) zijn testament bij VAN HOUT. 
Hij maakt zijn vrouw Marie Boudewijns „tot volle, eenige ende absolute 
momboirsche, vochdesse, tutrice of curatrice van het kindeken, dat zij te samen 
overgewonnen hebben" en over de andere, die nog komen kunnen. Zij zal aan 
niemand verantwoording schuldig zijn. Eerst 40 jaar later is JOHAN DE Laet te 
Leiden gestorven. 

(Slot volgt.) . 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT 



DOOR 
ADOLPH MULDER. 




EHALVE eenige raadhuizen in gothischen stijl, zooals o. a. 
die te Sluis, Middelburg, Gouda, Veere, Tholen, Vianen 
en Kampen, alsmede enkele in vroeg-renaissance uit de 
i6 e eeuw, waarvan die te 's-Gravenhage, Venlo, Frane- 
ker en Nijmegen als de voornaamste kunnen worden 
aangemerkt, treft men in Nederland, vooral in plattelands- 
gemeenten, nog talrijke schoone raadhuizen aan uit de 
eerste helft der 17e eeuw, die blijk geven hoe fraai en 
schilderachtig de bouwtrant van die dagen was; 
Als behoorend tot deze laatste categorie kunnen wij o. m. vermelden het 
gemeentehuis te Naarden, dagteekenend van 1601 ; dat te Hoorn, bij welks 
grondplan de gevellijn niet recht is, doch in het midden een knik vertoont, en 
dat te Graft 1 ) met een gevelsteen, waarop Prins Maurits is afgebeeld, beide 
laatste gebouwen van 1613; het raadhuis te Bolsward, van 1614 — 18, hetwelk 
door zijn grootte en rijkdom hier te lande als het schoonste uit dien tijd kan 



1) Dit raadhuis sal voor de som van 12.000 golden worden gerestaureerd. Op de staatsbegrooting 
▼oor 1908 is eene subsidie van 3 X 3°°° golden voor dit doel uitgetrokken. Het overige verstrekt de 
gemeente« 



116 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

worden beschouwd; dat te Vollenhove (1621), met zijn arkade-bogen een op 
zich zelf staand type vormend, en „last not least" het gemeentehuis te Klundert» 
dat uit hetzelfde jaar dagteekent en geheel vrijstaande nog z ijn oorspronkeüjken 
toestand heeft bewaard. 

Nog dagteekenen uit dat tijdvak het raadhuisje te Barsingerhorn (1622), 
dat met zijn houten klokketorentje een schilderachtigen aanblik oplevert; het 
stadhuis te Appingedam (1630), hetwelk door het terugspringen van de daaronder 
gelegen waag van het gewone werk afwijkt; dat te de Rijp, eveneens van 1630, 
hetwelk gebouwd is door den beroemden waterbouwkundige Leeghwater en 
voor een model-raadhuis zou kunnen doorgaan; het gemeentehuis te Groot- 
Schermer, in hetzelfde jaar geboufad, doch thans helaas geheel bepleisterd, en 
ten slotte het raadhuis te Jisp, anno 1650, dat onlangs goed is gerestaureerd 
en, hoewel eenvoudige, toch degelijke architectuur te zien geeft 

Zijn al deze gebouwen zonder uitzondering reeds zeer merkwaardig en 
verdienen zij ieder afzonderlijk eep aandachtige beschouwing, het stadhuis te 
Klundert, dat het onderwerp van deze beknopte studie uitmaakt, mag gerust 
als een der beste worden beschouwd en wel op de navolgende gronden : 

10. omdat in dien bouw het juiste type van een raadshuis is weergegeven 
20. omdat het geheel vrijstaande is gebouwd, wat met de andere veelal niet het 
geval is, en 30. omdat het nog zoo goed als in zijn oorspronkeüjken toestand 
verkeert. 

Door de welwillendheid van Burgemeester en Wethouders van Klundert, 
die ons bereidwillig inzage veroorloofden van het gemeentelijk archief, zijn wij 
in staat gesteld van het raadhuis in kwestie enkele mededeelingen te doen, die, 
naar wij vertrouwen, den lezers van y Oud-Holland"eenig belang zullen inboezemen. 

De heerlijkheid „de Klundert", ook wel „Niervaart" geheeten, werd in 
1362 — aldus lezen we in den „Tegenwoordige staat van alle volkeren 1 ' — 
door DlEDERiK van HOORN, Heer van Perweijs, en Diederik van HOORN, Heer 
van Hoorn en Altena, toegewezen aan Jan van Polanen, Heer van de Leek 
en van Breda; in 1390 droeg laatstgenoemde deze goederen op aan Hertog 
Albrecht van Beieren, die ze hem als een onsterfelijk erfleen terugschonk. 
Na den dood van Jan van Polanen en diens vrouw Odilia van Solms verviel 
de heerlijkheid aan hunne dochter Johanna van Polanen, die naderhand in 
het huwelijk trad met ENGELBERT VAN Nassau. Door dit huwelijk kreeg Klundert 
gemeenschap met de Baronie van Breda in den stamboom van de Prinsen van 
Oranje en vanaf dien tijd heeft het stadje zeer veel aan het Oranjehuis te danken. 

Prins Willem I deed in 1583 de plaats met wallen en grachten omringen, 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 117 

waardoor zij cene vesting is geworden en tot 1809 is gebleven. Behalve meerdere 
voorrechten schonk Prins Maurits haar bij akte van 8 December 1616 eene 
som van 13000 Carolus guldens voor den bouw harer kerk ') en, toen deze op 
10 Maart 1737 afbrandde, verleende Prins Willem Karel Hendrik Friso eene 
bijdrage van 5000 gulden voor den wederopbouw. Dezelfde Stadhouder schonk 
later ook het fraaie orgel, dat op den çen Januari 1749 gereed kwam. 

Ook het raadhuis van Klundert is door de vrijgevigheid van een Oranje- 
prins tot stand gekomen, hetgeen blijkt uit eene akte van 25 November 1620, 
door Prins Maurits te 's-Gravenhage onderteekend. Wij vernemen daaruit, dat 
Zyne Hoogheid 

„begerende de Ingesetenen van onse Stadt ende Heerlicheyt van 
„Clundert meer ende meer onze goede genegentheyt ende benevolentie te 
„bethoonen, de zelve hebben geaccordeert, als wij accorderen by dese tot 
„subsidie vant maecken van een nieuw Stadthuys onder met een Gevangen- 
„huys volgens de Modelle ons verthoont, de Somme van Twee duysent 
„guldens eens. Item zeeckere quantiteyt geprepareerden hertsteen ons com- 
„peterende ende inde Clundert berustende waeraff wy een lyste zullen doen 
„maecke ende daer onder op doen stellen, dat wy den steen daerinne 
„gespecificeert tot Edifitie vant voorz. Stadt ende Gevangenhuys hebben 
„geschoncken. Ende wordt die gifte gedaen op expresse Conditie, dat die 
„van Clundert ter saecke vande voorz. bouwinge ons niet wyder moeylyck 
„sullen valle, maer hen voor volcomentlyck sullen gecontenteert houden, 
„gelyck sy schriftelyck te kennen gegeven ende gepresehteert hebben." 

De rentmeester der domeinen te Klundert kreeg daarop last aan de 
magistraten aldaar te betalen de som van éénduizend gulden, wanneer met het 
werk zou worden begonnen, en de rest, als het geheel of half voltooid zou zijn. 
Deze bijdrage geldt niet den bouw van het tegenwoordige raadhuis, maar betreft 
een gebouw van meer bescheiden afmetingen. Wij lezen daaromtrent in een 
bestek uit het jaar 1620, dat het stadhuis 50 Bredasche yoeten lang en 30 voeten 
wijd moest zijn, binnen werks gemeten; het moest in twee lokalen verdeeld worden, 
nl. in eene voorzaal en in eene vergaderkamer, terwijl onder het stadhuis eene 
gevangenis zou worden aangebracht, zoowel eene „civile" als eene „criminele" . 

De kosten van dit werk werden geraamd op £ 5000. — , zooals blijkt uit 
het slot van het bestek: „Dewelcke voorz. wercken met tgeen verder daer aen 
„dependeert, boven den hartsteen van Zyn Vorstelyke Genade in voorraet binnen 



1) Gemeente-archief te Klundert. 
Oud-Holland y 1908. 16 



118 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

jNyervaert gelegen synde, beraempt en geêstimeert wort te sullen costen 
„omtrent de V m £." 

Dit plan was te eenvoudig opgezet, zoodat in meergenoemd bestek eene 
menigte wijzigingen werden aangebracht, die later in een nieuw bestek zijn 
overgenomen. 

Op 26 November van datzelfde jaar, dus daags na de schenking zijner 
bijdrage voor den bouw van het raadhuis, verleende Prins Maurits als tweede 
subsidie voor den bouw aan Bail Hu, Burgemeesters en Schepenen van zyne stad 
Niervaart machtiging, om ten laste van de „ondersaten ende pachters", zonder 
kosten voor Zyne Vorstelyke Genade, eene buitengewone belasting te heffen 
gedurende drie, vier of vijf jaren ten bedrage van vijftienhonderd gulden in totaal. 
Deze machtiging werd verleend in de volgende bewoordingen: 

„Octroyerende ende consenterende voorts dat de gemelde Regeerders 
„tot laste van yeder tonne swaer bier voor den tyt van drye, vier ofte vyf 
„jaren sullen mogen opstellen, ende int openbaer verpachten een accys of 
„laste van twaelf schellinge boven den iegenwoordigen accys ende impost te 
„employeren de penningen als bouw, mitsgaders tot de nieuwe straeten." 

Bij de aanbesteding van het werk kwamen Burgemeesters en Schepenen 
weldra tot de ervaring, dat de som van ƒ5000. — niet toereikend zou zijn. 
Daarop richtte Burgemeester Matheus EGBERTS een schrijven aan Prins MAURITS, 
waarin hij hem mededeelde, dat uit de gehouden aanbesteding en na het koopen 
van de benoodigde materialen gebleken was, dat de voorgenomen bouw van het 
raadhuis te Klundert door de aangebrachte vergrooting en de noodzakelijke fun- 
deeringen en grondwerken ruim drieduizend vierhonderd gulden meer zou kosten 
dan bij de eerste raming was begroot; dat de magistraten der stad door „d'appa- 
rentie" en het oorlogsgevaar het werk niet kunnen aanbesteden tegen jaarlijksche 
afbetaling, zooals zij gehoopt hadden; dat zij derhalve, nu de finantiën ontbreken, 
zich onderdanigst tot Zijne Vorstelijke Genade durven wenden met het ootmoedig 
verzoek, om de voor den bouw benoodigde gelden te willen voorschieten, toelke 
door leeningen van de stad en uit de opbrengst van den bieraccijns zullen worden 
terugbetaald. 

Dit schrijven was natuurlijk slechts een vermomde aanvraag om verhoogde 
subsidie, hetgeen Prins MAURITS zeer goed heeft begrepen. Om de ingezetenen 
van Klundert uit deze financieele moeilijkheden te redden, verhoogde de Prins 
zijne bijdrage, doch in de daarvan opgemaakte akte werd eene zeer bijzondere 
voorwaarde opgenomen, die door het toenmalige gemeentebestuur zonder eenige 
reserve of bemerking werd aangenomen. 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 119 

Daar de verdere correspondentie tusschen den Prins en het stedelijk 
bestuur van Klundert ons niet van belang ontbloot toeschijnt, laten wij deze 
stukken hier woordelijk volgen. 

COPIE. 

„MAURITZ by der gratiën Godts Prince van Orangien, Grave 
„van Nassau, Moers etc., Marquis van der Vere etc., 
„Baron van Breda etc. 

„Alsoo die van de Magistraet onser Stede van Nyervaert, ons hebben 
„geremonstreert dat hen nyet mogelyck was het nieuw Stadthuys met het 
„gevangenhuys te voltrecken, twelck zij voorhebbens zijn te maecken, vol- 
„gens de modellen daer van zijnde, ten ware bij onse subsidie van tweeduysent 
„guldens ende den hersteen, hier bij actens in dato den XXVe en XXVI e 
„Novembris lestlede vergunt met noch seeckere somme geliefde te augmen- 
„tere t'welck aengemerckt, Soo ist, dat wij uit speciale gratie ende gunste 
„die wij de Ingesetene van onse voorz. Stede ende heerlicheyt van den 
„Clundert zijn toedragende, boven d'voorz. Tweeduysent guldens ende den 
„hertsteen, alsnoch tot subsidie van den bouw van t voorz. Stadthuys ende 
„gevangenhuys hebben geaccordeert, als wij accorderen bij deze de Somme 
„van drye duysent car. guldens te betalen uytte incompsten van desen Jare 
„XVI een ende twintich, ende van den toecomenden Jaere XVI XXII. 
„Ende dat op expresse voorwaerde dat die van de Magistraet onser Stede 
„van den Clundert acte sullen depescheren, waerbij zij luyden vervangende 
„de Borgeren ende inwoonders beloven het voorz. Stadt ende gevangenhuys 
„naedat het gemaeckt sal zijn, nu ende alle toecomenden tijden int geheel, 
„geen parthyen uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staet te onder- 
„houde mitsgaders ons ter saecke vant opbouwen vant voorz. gevangenhuys 
„nyet wijder ofte vorder sullen molesteren. Ende dit alles onder het beste 
„verbant ende verseeckerheyt. Welcke acte gelevert sijnde, Ordonneren wy 
„onsen Rentmeester vande domeynen van Nyervaert de voorz. somme van 
„drye duysent guldens op de voorn, termynen te betalen, Ende mits over- 
brengende dese met quitantie, zal hem Rentmeester d'voorz. somme van 
„drye duysent guldens in Reeckeninge geleden worden. Gedaen in s Graven- 
„hage den XVden May XVI XXI, Ende was onderteekent MAURICE DE NASSAU, 
„gecachetteert met t'Cachet van zyn V. Gen. onder opgedruckt in rooden 
„wassche. Lager stont: Ter ordonnantie van zyn V. G. onderth. P. de 
„JONGHE. 

16» 



118 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

„Nyervaert gelegen synde, beraempt en geêstimeert wort te sullen costen 
„omtrent de V m £." 

Dit plan was te eenvoudig opgezet, zoodat in meergenoemd bestek eene 
menigte wijzigingen werden aangebracht, die later in een nieuw bestek zijn 
overgenomen. 

Op 26 November van datzelfde jaar, dus daags na de schenking zijner 
bijdrage voor den bouw van het raadhuis, verleende Prins Maurits als tweede 
subsidie voor den bouw aan Bailliu, Burgemeesters en Schepenen van zyne stad 
Niervaart machtiging, om ten laste van de „ondersaten ende pachters", zonder 
kosten voor Zyne Vorstelyke Genade, eene buitengewone belasting te heffen 
gedurende drie, vier of vijf jaren ten bedrage van vijftienhonderd gulden in totaal. 
Deze machtiging werd verleend in de volgende bewoordingen: 

„Octroyerende ende consenterende voorts dat de gemelde Regeerders 
„tot laste van yeder tonne swaer bier voor den tyt van drye, vier ofte vyf 
„jaren sullen mogen opstellen, ende int openbaer verpachten een accys of 
„laste van twaelf schellinge boven den iegenwoordigen accys ende impost te 
„employeren de penningen als bouw, mitsgaders tot de nieuwe straeten." 

Bij de aanbesteding van het werk kwamen Burgemeesters en Schepenen 
weldra tot de ervaring, dat de som van ƒ5000. — niet toereikend zou zijn. 
Daarop richtte Burgemeester MATHEUS EGBERTS een schrijven aan Prins MAURITS, 
waarin hij hem mededeelde, dat uit de gehouden aanbesteding en na het koopen 
van de benoodigde materialen gebleken was, dat de voorgenomen bouw van het 
raadhuis te Klundert door de aangebrachte vergrooting en de noodzakelijke fun- 
deeringen en grondwerken ruim drieduizend vierhonderd gulden meer zou kosten 
dan bij de eerste raming was begroot; dat de magistraten der stad door „d'appa- 
rentie" en het oorlogsgevaar het werk niet kunnen aanbesteden tegen jaarlijksche 
afbetaling, zooals zij gehoopt hadden ; dat zij derhalve, nu de finanttën ontbreken, 
zich onderdanigst tot Zijne Vorstelijke Genade durven wenden met het ootmoedig 
verzoek, om de voor den bouw benoodigde gelden te willen voorschieten, frelke 
door leeningen van de stad en uit de opbrengst van den bieraccijns zullen worden 
terugbetaald. 

Dit schrijven was natuurlijk slechts een vermomde aanvraag om verhoogde 
subsidie, hetgeen Prins Maurits zeer goed heeft begrepen. Om de ingezetenen 
van Klundert uit deze financieele moeilijkheden te redden, verhoogde de Prins 
zijne bijdrage, doch in de daarvan opgemaakte akte werd eene zeer bijzondere 
voorwaarde opgenomen, die door het toenmalige gemeentebestuur zonder eenige 
reserve of bemerking werd aangenomen. 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 119 

Daar de verdere correspondentie tusschen den Prins en het stedelijk 
bestuur van Klundert ons niet van belang ontbloot toeschijnt, laten wij deze 
stukken hier woordelijk volgen. 

COPIE. 

„MAURITZ by der gratiën Godts Prince van Orangien, Grave 
„van Nassau, Moers etc., Marquis van der Vere etc., 
„Baron van Breda etc. 

„Alsoo die van de Magistraet onser Stede van Nyervaert, ons hebben 
„geremonstreert dat hen nyet mogelyck was het nieuw Stadthuys met het 
„gevangenhuys te voltrecken, twelck zij voorhebbens zijn te maecken, vol- 
„gens de modellen daer van zijnde, ten ware bij onse subsidie van tweeduysent 
„guldens ende den hersteen, hier bij actens in dato den XXVe en XXVI e 
„Novembris lestlede vergunt met noch seeckere somme geliefde te augmen- 
tera t'welck aengemerckt, Soo ist, dat wij uit speciale gratie ende gunste 
„die wij de Ingesetene van onse voorz. Stede ende heerlicheyt van den 
„Clundert zijn toedragende, boven d'voorz. Tweeduysent guldens ende den 
„hertsteen, alsnoch tot subsidie van den bouw van t voorz. Stadthuys ende 
„gevangenhuys hebben geaccordeert, als wij accorderen bij deze de Somme 
„van drye duysent car. guldens te betalen uytte incompsten van desen Jare 
„XVI een ende twintich, ende van den toecomenden Jaere XVI XXII. 
„Ende dat op expresse voorwaerde dat die van de Magistraet onser Stede 
„van den Clundert acte sullen depescheren, waerbij zij luyden vervangende 
„de Borgeren ende inwoonders beloven het voorz. Stadt ende gevangenhuys 
„naedat het gemaeckt sal zijn, nu ende alle toecomenden tijden int geheel, 
„geen parthyen uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staet te onder- 
„houde mitsgaders ons ter saecke vant opbouwen vant voorz. gevangenhuys 
„nyet wijder ofte vorder sullen molesteren. Ende dit alles onder het beste 
„verbant ende verseeckerheyt. Welcke acte gelevert sijnde, Ordonneren wy 
„onsen Rentmeester vande domeynen van Nyervaert de voorz. somme van 
„drye duysent guldens op de voorn, termynen te betalen, Ende mits over- 
brengende dese met quitantie, zal hem Rentmeester d'voorz. somme van 
„drye duysent guldens in Reeckeninge geleden worden. Gedaen in s Gra ven- 
„hage den XVden May XVI XXI, Ende was onderteekent MAURICE DE NASSAU, 
„gecachetteert met t'Cachet van zyn V. Gen. onder op gedruckt in rooden 
„wassche. Lager stont: Ter ordonnantie van zyn V. G. onderth. P. de 
„JONGHE. 

16* 



118 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

„Nyervaert gelegen synde, beraempt en geSstimeert wort te sullen costen 
„omtrent de V m £." 

Dit plan was te eenvoudig opgezet, zoodat in meergenoemd bestek eene 
menigte wijzigingen werden aangebracht, die later in een nieuw bestek zijn 
overgenomen. 

Op 26 November van datzelfde jaar, dus daags na de schenking zijner 
bijdrage voor den bouw van het raadhuis, verleende Prins MAURITS als tweede 
subsidie voor den bouw aan Bailliu, Burgemeesters en Schepenen van zyne stad 
Niervaart machtiging, om ten laste van de „ondersaten ende pachters", zonder 
kosten voor Zyne Vorstelyke Genade, eene buitengewone belasting te heffen 
gedurende drie, vier of vijf jaren ten bedrage van vijftienhonderd gulden in totaal. 
Deze machtiging werd verleend in de volgende bewoordingen: 

„Octroyerende ende consenterende voorts dat de gemelde Regeerders 
„tot laste van yeder tonne swaer bier voor den tyt van drye, vier ofte vyf 
„jaren sullen mogen opstellen, ende int openbaer verpachten een accys of 
„laste van twaelf schell in ge boven den iegenwoordigen accys ende impost te 
„employeren de penningen als bouw, mitsgaders tot de nieuwe straeten." 

Bij de aanbesteding van het werk kwamen Burgemeesters en Schepenen 
weldra tot de ervaring, dat de som van ƒ5000. — niet toereikend zou zijn. 
Daarop richtte Burgemeester Matheus EGBERTS een schrijven aan Prins MAURITS, 
waarin hij hem mededeelde, dat uit de gehouden aanbesteding en na het koopen 
van de benoodigde materialen gebleken was, dat de voorgenomen bouw van het 
raadhuis te Klundert door de aangebrachte vergrooting en de noodzakelijke fun- 
deeringen en grondwerken ruim drieduizend vierhonderd gulden meer zou kosten 
dan bij de eerste raming was begroot; dat de magistraten der stad door „d'appa- 
rentie" en het oorlogsgevaar het werk niet kunnen aanbesteden tegen jaarlijksche 
afbetaling, zooals zij gehoopt hadden ; dat zij derhalve, nu de finanttón ontbreken, 
zich onderdanigst tot Zijne Vorstelijke Genade durven wenden met het ootmoedig 
verzoek, om de voor den bouw benoodigde gelden te willen voorschieten, Welke 
door leeningen van de stad en uit de opbrengst van den bieraccijns zullen worden 
terugbetaald. 

Dit schrijven was natuurlijk slechts een vermomde aanvraag om verhoogde 
subsidie, hetgeen Prins MAURITS zeer goed heeft begrepen. Om de ingezetenen 
van Klundert uit deze financieele moeilijkheden te redden, verhoogde de Prins 
zijne bijdrage, doch in de daarvan opgemaakte akte werd eene zeer bijzondere 
voorwaarde opgenomen, die door het toenmalige gemeentebestuur zonder eenige 
reserve of bemerking werd aangenomen. 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 119 

Daar de verdere correspondentie tusschen den Prins en het stedelijk 
bestuur van Klundert ons niet van belang ontbloot toeschijnt, laten wij deze 
stukken hier woordelijk volgen. 

COPIE. 

„MaüRITZ by der gratiën Godts Prince van Orangien, Grave 
„van Nassau, Moers etc., Marquis van der Vere etc., 
„Baron van Breda etc. 

„Alsoo die van de Magistraet onser Stede van Nyervaert, ons hebben 
„geremonstreert dat hen nyet mogelyck was het nieuw Stadthuys met het 
„gevangenhuys te voltrecken, twelck zij voorhebbens zijn te maecken, vol- 
„gens de modellen daer van zijnde, ten ware bij onse subsidie van tweeduysent 
„guldens ende den hersteen, hier bij actens in dato den XXVe en XXVI e 
„Novembris lestlede vergunt met noch seeckere somme geliefde te augmen- 
tera t'welck aengemerckt, Soo ist, dat wij uit speciale gratie ende gunste 
„die wij de Ingesetene van onse voorz. Stede ende heerlicheyt van den 
„Clundert zijn toedragende, boven d'voorz. Tweeduysent guldens ende den 
„hertsteen, alsnoch tot subsidie van den bouw van t voorz. Stadthuys ende 
^gevangenhuys hebben geaccordeert, als wij accorderen bij deze de Somme 
„van drye duysent car. guldens te betalen uytte incompsten van desen Jare 
„XVI een ende twintich, ende van den toecomenden Jaere XVI XXII. 
„Ende dat op expresse voorwaerde dat die van de Magistraet onser Stede 
„van den Clundert acte sullen depescheren, waerbij zij luyden vervangende 
„de Borgeren ende inwoonders beloven het voorz. Stadt ende gevangenhuys 
„naedat het gemaeckt sal zijn, nu ende alle toecomenden tijden int geheel, 
„geen parthyen uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staet te onder- 
„houde mitsgaders ons ter saecke vant opbouwen vant voorz. gevangenhuys 
„nyet wijder ofte vorder sullen molesteren. Ende dit alles onder het beste 
„verbant ende verseeckerheyt. Welcke acte gelevert sijnde, Ordonneren wy 
„onsen Rentmeester vande domeynen van Nyervaert de voorz. somme van 
„drye duysent guldens op de voorn, termynen te betalen, Ende mits over- 
brengende dese met quitantie, zal hem Rentmeester d'voorz. somme van 
„drye duysent guldens in Reeckeninge geleden worden. Gedaen in s Graven- 
„hage den XVden May XVI XXI, Ende was onderteekent MAURICE DE Nassau, 
„gecachetteert met t'Cachet van zyn V. Gen. onder opgedruckt in rooden 
„wassche. Lager stont: Ter ordonnantie van zyn V. G. onderth. P. de 
„Jonghe. 

16* 



IS« HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

„Gecotlationeert jegens d' originele acte ende ordonnantie gëdateert 
„ende onderteekent als boven. 

„Is dese copie daer mede bevonden t accordere by my PIETERS. 1622/' 

Het antwoord daarop van het gemeentebestuur luidde als volgt: 

„Alsoo wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende Regeerders d.er 
„Stede ende heerlickheyt van Nyervaert aen zijn Vorstelycke Genade: den 
„Prince van Orangien onzen genadigen Heere onderdanichlyck hadden te 
„kennen gegeven ende geremonstreert, dat niet mogelijck en was het voor- 
„genomene nieuwe Stadthuys met de Cevanchenissen ende aencleven van 
„dien alhier op de groote volgens den bestecke ende modelle daer van zijnde, 
„bij ons voltrocken te connen worden, ten waere het subsidie vande Twee 
„duysent £ guldens beneffens den hartsteen bij sijnne V. G. by actens in 
„dato den XXVe ende XXVI« Novembris lestleden vergunt, noch mit zeeckere 
„somma van penningen souden mogen worden geaugmenteert en verbetert. 
„Ende dat zijn V. G. disponeren goedertierlyck op onse voorz. gedane 
„supplicatie, uit speciale gratie ende gunste d'Ingezetenen alhier toedragende, 
„boven d' voorz. Tweeduyssent guldens ende den gemelden hardtsteen, alsnoch 
„tot subsidie van den bouw vant voorz. Stadthuys ende gevangenhuys heeft 
„geaccordeert de somma van drye duysent £ guldens, te betalen uitte Incomp- 
„sten der domeynen van desen jaere XVI e een ende twintich, eir vanden 
„toecomenden jaere XVI XXII, onder expresse voorwaerden, dat bij ons 
„In den Name van de gemeene borgers ende Inwoonders acte soude worden 
„gepasseert, dat wij het voorz. Stadt, ende gevangenhuys, na dat het gemaeckt . 
„sal zijn, nu ende in allen toecomenden tyden int geheel, geen parthyen 
„uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staedt zouden onderhouden. 
„Ende dat wij zijn hoochgemelte V. G. ter saecke van het opbouwen vant 
„voorz. Stadt ende gevangenhuys niet wyder of te voorder en zullen moles- 
teren, alles breeder naer inhouden van acte ende ordonnantie vansijnV. G. 
„in dato de XVe May lestleden onder d'voorz. claus ui en ende conditieh 
„gedepesdieert. So ist dat wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende 
„Regeerders voorz., willende in aller onderdanigz naercomen de resolutie 
„ende last van zyn V. G. In desen vervangende den borgeren ende inge- 
zetenen dezer Stede ende heerlicheyt, hebben belooft ende beloven bij dezen, 
„het voorz. Stadt ende gevangenhuys, na de vol treckin ge van dien, nu, ende in 
„allen toecomenden tijden int geheel, geen parthyen uitgesondert, in behoor- 
„lycke reparatie ende staedt te blijven onderhouden. Mitsgaders zyn V. G. 
„vant opbouwen van dien niet wijders oft voorder tot desselffe schade te 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 125 

en secretarie gelegen waren; ook hier zijn naderhand door het maken van bed- 
steden enz. eenige kleine wijzigingen aangebracht. 

De hoofdverdieping is heden nog grootendeels, zooals zij van den beginne 
af geweest is. De Burgemeester, die vroeger met den Secretaris één en dezelfde 
kamer deelde, heeft thans de weeskamer in gebruik; de wenteltrap, die gedeel- 
telijk in de weeskamer, gedeeltelijk in de vestibule stond, is weggebroken, het- 
geen vermoedelijk is geschied bij de verandering van bestemming van wees- 
kamer in Burgemeesterskamer; een moderne trap werd daarop in de vestibule 
geplaatst en met schotwerk aan het oog onttrokken, doch deze ontsiert met het 
in de nabijheid staande privaat en de hoogst moderne bodekamer de overigens 
flinke ruimte. 

Wij treffen in het bestek meermalen technische uitdrukkingen aan, die 
tegenwoordig niet meer in zwang zijn; sommige zijn echter zoo kernachtig, dat 
wij het wel de moeite waard vinden er hier enkele van te vermelden. Het leggen 
van ribben wordt genoemd „t'overribben", het leggen van een vloer „t'over- 
solderen", terwijl eene raveeling „raveelhout" heet. „Vlyerbalcke" en „vlyerge- 
bynden" beteekenen vlieringbalken en vlieringbinten; „cromstijlen", „blockeels" 
en „carbeels" zijn woorden, die heden nog in gebruik zijn. Verder lezen wij, 
dat op de vlieringbinten twee „schaerbinden" moeten komen en dat op de bovenste 
„schaerbalcke" moet worden verwerkt op elk „een maeckelaer onder inde schaer- 
balcke en boven inde naelt met pinnen en gaten.' 9 Ook wordt voorgeschreven 
„de cappe aan wederzijde aff te spanne" met goede grenen „spannen", welke 
gezaagd moeten worden van goede grenen balken, „niet vierich oft root sijnde". 
Wat onder „wintbande" en ^stormbande" moet verstaan worden, is duidelijk 
genoeg, doch de benaming „haspelbande", die boven in den nok moeten worden 
aangebracht, is minder bekend. 

Eene opsomming van alle in het bestek voorkomende vreemde woorden 
en benamingen zou ons te ver voeren. Wij kunnen hiermede volstaan en zullen 
het bestek nu verder op den voet volgen; we zien dan onder het hoofdstuk 
„Heywerck", dat zoowel de fundeering der binnen- en buitenmuren als die van 
de pui rust op een paalfundeering, waarvan de palen XIIII of, zoo dit vereischt 
wordt, XVI voeten lang zullen moeten zijn en wel van grenenhout, aan het dikke 
einde zwaar „V ende VI duymen"; zij moeten overeenkomstig de teekening zijn 
verdeeld en met een vloer worden gedekt. 

Laten we niet stilstaan bij de hoofdstukken „Ijzerwerk" en „Leiendak", 
maar liever eens nagaan, op welke wijze de betaling der aannemingssom zou 
geschieden. Daaromtrent lezen wij, dat aan den aannemer Pieter Jansz. Meermans 
zal worden betaald: 

Oud-Holland % 1908. 17 



IS* HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

„Gecotlationeert jegens d'originele acte ende ordonnantie gedateert 
„ende onderteekent als boven. 

„Is dese copie daer mede bevonden t accordere by my PIETERS. 1622." 

Het antwoord daarop van het gemeentebestuur luidde als volgt: 

„Alsoo wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende Regeerders der 
„Stede ende heerückheyt van Nyervaert aen zijn Vorstelycke Genade: den 
„Prince van Orangien onzen genadigen Heere onderdanichlyck hadden te 
„kennen gegeven ende geremonstreert, dat niet mogelijck en was het voor- 
„genomene nieuwe Stadthuys met de Cevanchenissen ende aencleven van 
„dien alhier op de groote volgens den bestecke ende m od elle daer van zijnde, 
„bij ons voltrocken te connen worden, ten waere het subsidie vande Twee 
„duysent £ guldens beneffens den hartsteen bij sijnne V é G. by actens in 
„dato den XXVe ende XXVIe Novembris lestleden vergunt, noch mit zeeckere 
„somma van penningen souden mogen worden geaugmenteert en verbetert. 
„Ende dat zijn V. G. disponeren goedertierlyck op onse voorz. gedane 
„supplicatie, uit speciale gratie ende gunste d'Ingezetenen alhier toedragende, 
„boven d' voorz. Tweeduyssent guldens ende den gemelden hardtsteen, alsnoch 
„tot subsidie van den bouw vant voorz. Städthuys ende gevangenhuys heeft 
„geaccordeert de somma van drye duysent £ guldens, te betalen uitte Incomp- 
„sten der domeynen van desen jaere XVI e een ende twintich, en- vanden 
„toecomenden jaere XVI XXII, onder expresse voorwaerden, dat bij ons 
„In den Name van de gemeene borgers ende Inwoonders acte soude worden 
„gepasseert, dat wij het voorz. Stadt, ende gevangenhuys, na dat het gemaeckt . 
„sal zijn, nu ende in allen toecomenden tyden int geheel, geen parthyen 
„uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staedt zouden onderhouden. 
„Ende dat wij zijn hoochgemelte V. G. ter saecke van het opbouwen vant 
„voorz. Stadt ende gevangenhuys niet wyder of te voorder en zullen moles- 
teren, alles breeder naer inhouden van acte ende ordonnantie vansijnV. G. 
„in dato de XVe May lestleden onder d'voorz. clausulen ende conditieh 
„gedepesfcheert. So ist dat wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende 
„Regeerders voorz., willende in aller onderdanigz naercomen de resolutie 
„ende last van zyn V. G. In desen vervangende den borgeren ende inge- 
zetenen dezer Stede ende heerlicheyt, hebben belooft ende beloven bij dezen, 
„het voorz. Stadt ende gevangenhuys, na de voltreckinge van dien, nu, ende in 
„allen toecomenden tijden int geheel, geen parthyen uitgesondert, in behoor- 
„lycke reparatie ende staedt te blijven onderhouden. Mitsgaders zyn V. G. 
„vant opbouwen van dien niet wijders oft voorder tot desselffe schade te 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 121 

„zullen molesteren. Daer vooren verbindende inden name van de voorz. 
„Gemeente alle d'ordinaire Incompste der voorz. Stede ende Ingesetenen 
„voorz. Bedanckende zyne V. G. vande liberale Gifte, zoo vande voorz. 
„penningen, als den hartsteen d'zelve syne Stadt tot chierate ende verbete- 
„ringe in dezen genadichlyck bewesen. Des toirconde hebben wy Bailliu, 
„Burgemeesteren, Schepenen ende Regeerders voorz. t'zegel ten saecke der 
„voorz. Stede ende heerlicheyt, hier onder opt spatium desen gedruckt. 
„Ende bij den secretaris dezer Stede en heerlicheyt van staatswegen met 
„zijnne gewoonlijcke singnatuyre over ons laten bevestigen op huijden 
„XVIIde Juny 1621." 

Uit een en ander blgkt dus ten duidelijkste, dat Prins MAURITS zijne 
bijdrage voor den bouw van het raadhuis slechts heeft verleend onder de speciale 
„voorwaarde het gebouw „nu ende in allen toecomenden tijden int. geheel, geen 
„partheyen uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staedt te blijven onder- 
houden." 

Het gemeentebestuur van Klundert heeft na rijp beraad deze bezwarende 
voorwaarde aangenomen, waardoor o. i. een soort van servituut op het raadhuis 
werd gevestigd; wij zijn van meening, dat aan de akte van 17 Juni 1621 ook 
thans nog bindende kracht moet worden toegekend en dat ook heden nog op 
het gemeentebestuur van Klundert de verplichting rust om het raadhuis niet 
slechts in zijn geheel, maar ook in zijne onderdeelen, in goeden staat te onder- 
houden. Er kan dus geen sprake zijn van eventueelè moderniseering of ingrijpende 
verandering van dit fraaie stadhuis en, mocht dit te eeniger tijd een geschilpunt 
worden tusschen Rijk en gemeente, dan twijfelen wij niet aan den uitslag van 
eene rechterlijke beslissing. 

Een soortgelijk doch meer algemeen bekend geval betreft den verguld 
zilveren beker, die berust op het stadhuis te Veere en door het gemeentebestuur 
niet mag worden vervreemd, omdat keizer Maximiliaan van Oostenrijk hem 
in 1551 onder die voorwaarde aan de stad heeft ten geschenke gegeven. 

Nog vóórdat de gelden voor den bouw waren verkregen, werd met bekwamen 
spoed een nieuw bestek met „modellen" (teekeningen) ontworpen en eene afzon- 
derlijke omschrijving gemaakt voor de bewerking van den hardsteen, waarna tot 
de aanbesteding kon worden overgegaan. Dag en uur werd bepaald en daarvan 
werd de volgende openbare kennisgeving gedaan: 

„Men laet bij desen weten dat die vande Magistraet der Stede Nyer- 
„vaert gesegt den Clundert op saterdag eerstcomende den XHIe marty 162 1 
„sullen besteden een nieuw Stathuys lanc stijff LX voeten breet XXX voeten 



m HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

„Gecotlationeert jegens d'originele acte ende ordonnantie gedateert 
„ende onderteekent als boven. 

„Is dese copie daer mede bevonden t accordere by my PIETERS. 1622." 

Het antwoord daarop van het gemeentebestuur luidde als volgt: 

„Alsoo wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende Regeerders der 
„Stede ende heerückheyt van Nyervaert aen zijn Vorstelycke Genade: den 
„Prince van Orangien onzen genadigen Heere onderdanichlyck hadden te 
„kennen gegeven ende geremonstreert, dat niet mogelijck en was het voor- 
„genomene nieuwe Stadthuys met de Cevanchenissen ende aencleven van 
„dien alhier op de groote volgens den bestecke ende modelle daer van zijnde, 
„bij ons voltrocken te connen worden, ten waere het subsidie vande Twee 
„duysent £ guldens beneffens den hartsteen bij sijnne V. G. by actens in 
„dato den XXVe ende XXVIe Novembris lestleden vergunt, noch mit zeeckere 
„somma van penningen souden mogen worden geaugmenteert en verbetert. 
„Ende dat zijn V. G. disponeren goedertierlyck op onse voorz. gedane 
„supplicatie, uit speciale gratie ende gunste d'Ingezetenen alhier toedragende, 
„boven d' voorz. Tweeduyssent guldens ende den gemelden hardtsteen, alsnoch 
„tot subsidie van den bouw vant voorz. Städthuys ende gevangenhuys heeft 
„geaccordeert de somma van drye duysent £ guldens, te betalen uitte Incomp- 
„sten der domeynen van desen jaere XVI e een ende t wint ich, en vanden 
„toecomenden jaere XVI e XXII, onder expresse voorwaerden, dat bij ons 
„In den Name van de gemeene borgers ende Inwoonders acte soude worden 
„gepasseert, dat wij het voorz. Stadt, ende gevangenhuys, na dat het gemaeckt . 
„sal zijn, nu ende in allen toecomenden tyden int geheel, geen parthyen 
„uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staedt zouden onderhouden. 
„Ende dat wij zijn hoochgemelte V. G. ter saecke van het opbouwen vant 
„voorz. Stadt ende gevangenhuys niet wyder of te voorder en zullen moles- 
teren, alles breeder naer inhouden van acte ende ordonnantie vansijnV. G. 
„in dato de XVe May lestleden onder dVoorz. clausulen ende conditien 
„gedepescheert. So ist dat wij Bailliu, Burgemeesteren, Schepenen ende 
„Regeerders voorz., willende in aller onderdanigz naercomen de resolutie 
„ende last van zyn V. G. In desen vervangende den borgeren ende inge- 
zetenen dezer Stede ende heerlicheyt, hebben belooft ende beloven bij dezen, 
„het voorz. Stadt ende gevangenhuys, na de voltreckinge van dien, nu, ende in 
„allen toecomenden tijden int geheel, geen parthyen uitgesondert, in behoor- 
„lycke reparatie ende staedt te blijven onderhouden. Mitsgaders zyn V. G. 
„vant opbouwen van dien niet wijders oft voorder tot desselfte schade te 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 121 

„zullen molesteren. Daer vooren verbindende inden name van de voorz. 
„Gemeente alle d'ordinaire Incompste der voorz. Stede ende Ingesetenen 
„voorz. Bedanckende zyne V. G. vande liberale Gifte, zoo vande voorz. 
„penningen, als den h^rtsteen d'zelve syne Stadt tot chierate ende verbete- 
„ringe in dezen genadichlyck bewesen. Des toirconde hebben wy Bailliu, 
„Burgemeesteren, Schepenen ende Regeerders voorz. t'zegel ten saecke der 
„voorz. Stede ende heerlicheyt, hier onder opt spatium desen gedruckt. 
„Ende bij den secretaris dezer Stede en heerlicheyt van stadtswegen met 
„zijnne gewoonlijcke singnatuyre over ons laten bevestigen op huijden 
„XVIIde Juny 1621." 

Uit een en ander blgkt dus ten duidelijkste, dat Prins MAURITS zijne 
bijdrage voor den bouw van het raadhuis slechts heeft verleend onder de speciale 
„Voorwaarde het gebouw „nu ende in allen toecomenden tijden int geheel, geen 
„partheyen uitgesondert, in behoorlijcke reparatie ende staedt te blijven onder- 
houden." 

Het gemeentebestuur van Klundert heeft na rijp beraad deze bezwarende 
voorwaarde aangenomen, waardoor o. i. een soort van servituut op het raadhuis 
werd gevestigd; wij zijn van meening, dat aan de akte van 17 Juni 1621 ook 
thans nog bindende kracht moet worden toegekend en dat ook heden nog op 
het gemeentebestuur van Klundert de verplichting rust om het raadhuis niet 
slechts in zijn geheel, maar ook in zijne onderdeden, in goeden staat te onder- 
houden. Er kan dus geen sprake zijn van eventueelè moderniseering of ingrijpende 
verandering van dit fraaie stadhuis en, mocht dit te eeniger tijd een geschilpunt 
worden tusschen Rijk en gemeente, dan twijfelen wij niet aan den uitslag van 
eene rechterlijke beslissing. 

Een soortgelijk doch meer algemeen bekend geval betreft den verguld 
zilveren beker, die berust op het stadhuis te Veere en door het gemeentebestuur 
niet mag worden vervreemd, omdat keizer Maximiliaan van Oostenrijk hem 
in 1551 onder die voorwaarde aan de stad heeft ten geschenke gegeven. 

Nog vóórdat de gelden voor den bouw waren verkregen, werd met bekwamen 
spoed een nieuw bestek met „modellen 19 (teekeningen) ontworpen en eene afzon- 
derlijke omschrijving gemaakt voor de bewerking van den hardsteen, waarna tot 
de aanbesteding kon worden overgegaan. Dag en uur werd bepaald en daarvan 
werd de volgende openbare kennisgeving gedaan: 

„Men laet bij desen weten dat die vande Magistraet der Stede Nyer- 
„vaert gesegt den Clundert op saterdag eerstcomende den XlIIe marty 1621 
„sullen besteden een nieuw Stathuys lanc stijff LX voeten breet XXX voeten 



136 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

opvatting is, aangezien de Prins ongeveer de helft in de kosten heeft bijgedragen, 
nl. £. 5000 in subsidtén van £. 2000 en £. 3000, plus den geschonken hardsteen. 

Na de voltooiing van het gebouw hebben nog herhaaldelijk herstellingen 
aan het raadhuis plaats gehad, doch deze zijn van te weinig belang om nog 
nader besproken te worden. Deze reparation zijn vervat in de bestricken van de 
onderhoudswerken van gemeente-gebouwen, welke loopen tot het jaar 1794; wij 
vinden daarin geen melding gemaakt van de verandering aan de trappen en het 
bordes; wel worden eenige malen treden hersteld, doch dit betreft niet de 
wijziging der trappen, zooals deze heden ten dage zijn, 

In Februari 1793 werd Klundert door de Franschen beschoten en gebom- 
bardeerd, bij welke gelegenheid aan menig gebouw schade is berokkend; o.a. 
brandde toen het . arsenaal af en werd het dak der kerk beschadigd, doch het 
stadhuis schijnt den dans ontsprongen te zijn. Immers, in een bestek van 12 Juni 
van gemeld jaar betreffende het onderhoud der stadsgebouwen, (het eerste na 
het beleg der stad) vinden wij niets, dat eenig verband houdt met aan het 
raadhuis toegebrachte schade tengevolge van de belegering; wel is het echter 
bekend, dat de Franschen de schildhoudende leeuwen op het bordes hebben 
vernield en het Prinselijk wapen boven den hoofdingang hebben overgeverfd. 

In den nacht van 19 op 20 September hebben eenige onverlaten uit haat 
tegen de toenmalige overheid niet minder dan 17 ruiten in den voorgevel van 
het raadhuis ingeworpen, waardoor helaas de geschilderde glasramen grootendeels 
werden vernield; eene premie van F. 50. — , uitgeloofd voor de ontdekking der 
daders, leidde tot geen resultaat. 

Al deze bijzonderheden danken wij aan de omstandigheid, dat de Burgemeester 
H. L. van Aysma en de gemeente-secretaris ELEMANS, toen de Franschen 
Klundert bezet hielden, met alle stadspapieren (dus ook het archief, dat op 
het raadhuis t berustte) en de stadskas heimelijk naar elders waren afgereisd. 
Reeds vroeger had men getracht de voornaamste registers, documenten en 
bescheiden, tot de secretarie behoorende, te Ooltgensplaat op Overflakkee in 
veiligheid te brengen; zij waren daarvoor reeds op een aak overgebracht, doch 
moesten bij het verschijnen van vijandelijke troepen weer naar de stad terug- 
gezonden en op het raadhuis worden ondergebracht 

Op den dag van heden verkeert het raadhuis, waaromtrent wij hier eenige 
bijzonderheden hebben medegedeeld, al hebben w. i. w. verschillende wijzigingen 
daaraan plaats gehad, toch nog in vrij goeden staat van onderhoud, hetgeen 
echter meer aan toevallige omstandigheden is toe te schrijven dan aan het feit, 
dat Prins Maurits zijne milde bijdrage voor deszelfs bouw verleende onder 



■Jj 



LU 



LU 



LU 



O 
OL 



u 



136 HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 

opvatting is, aangezien de Prins ongeveer de helft in de kosten heeft bijgedragen, 
nl. £. 5000 in subsidtën van £. 2000 en £. 3000, plus den geschonken hardsteen. 

Na de voltooiing van het gebouw hebben nog herhaaldelijk herstellingen 
aan het raadhuis plaats gehad, doch deze zijn van te weinig belang om nog 
nader besproken te worden. Deze reparation zijn vervat in de bestricken van de 
onderhoudswerken van gemeente-gebouwen, welke loopen tot het jaar 1794; wij 
vinden daarin geen melding gemaakt van de verandering aan de trappen en het 
bordes; wel worden eenige malen treden hersteld, doch dit betreft niet de 
wijziging der trappen, zooals deze heden ten dage zijn, 

In Februari 1793 werd Klundert door de Franschen beschoten en gebom- 
bardeerd, bij welke gelegenheid aan menig gebouw schade is berokkend; o.a. 
brandde toen het . arsenaal af en werd het dak der kerk beschadigd, doch het 
stadhuis schijnt den dans ontsprongen te zijn. Immers, in een bestek van 12 Juni 
van gemeld jaar betreffende het onderhoud der stadsgebouwen, (het eerste na 
het beleg der stad) vinden wij niets, dat eenig verband houdt met aan het 
raadhuis toegebrachte schade tengevolge van de belegering; wel is het echter 
bekend, dat de Franschen de schildhoudende leeuwen op het bordes hebben 
vernield en het Prinselijk wapen boven den hoofdingang hebben overgeverfd. 

In den nacht van 19 op 20 September hebben eenige onverlaten uit haat 
tegen de toenmalige overheid niet minder dan 17 ruiten in den voorgevel van 
het raadhuis ingeworpen, waardoor helaas de geschilderde glasramen grootendeels 
werden vernield; eene premie van F. 50. — , uitgeloofd voor de ontdekking der 
daders, leidde tot geen resultaat. 

Al deze bijzonderheden danken wij aan de omstandigheid, dat de Burgemeester 
H. L. van Aysma en de gemeente-secretaris ELEMANS, toen de Franschen 
Klundert bezet hielden, met alle stadspapieren (dus ook het archief, dat op 
het raadhuis l berustte) en de stadskas heimelijk naar elders waren afgereisd. 
Reeds vroeger had men getracht de voornaamste registers, documenten en 
bescheiden, tot de secretarie é behoorende, te Ooltgensplaat op Overflakkee in 
veiligheid te brengen; zij waren daarvoor reeds op een aak overgebracht, doch 
moesten bij het verschijnen van vijandelijke troepen weer naar de stad terug- 
gezonden en op het raadhuis worden ondergebracht 

Op den dag van heden verkeert het raadhuis, waaromtrent wij hier eenige 
bijzonderheden hebben medegedeeld, al hebben w. i. w. verschillende wijzigingen 
daaraan plaats gehad, toch nog in vrij goeden staat van onderhoud, hetgeen 
echter meer aan toevallige omstandigheden is toe te schrijven dan aan het feit, 
dat Prins Maurits zijne milde bijdrage voor deszelfs bouw verleende onder 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 185 

steenhouwer uitoefende, heeft ondernomen, ten einde met den „bouwer" van 
Zijne Vorstelijke Genade, zooals hij bij het aanbieden van den dubbelen Jacobus 
reeds genoemd werd, de bestekken vast te stellen en de „patronen" van het 
stadhuis te maken. 

Absolute zekerheid omtrent dit punt bestaat echter niet 
Bij de bespreking der werken in natuursteen hebben wij gezien, dat de 
steenhouwer gedurende den bouw, die in 1623 werd voltooid, heeft moeten 
leveren 32 voet lijsten ter dikte van 6 en ter breedte van 17 duim, waarin van 
boven eene goot moest worden uitgehouwen, om het dakwater op te vangen; 
deze aldus bewerkte lijsten vormden de steenen gootlijst tusschen den z.g. Vlaam- 
schen gevel boven het bordes en de eindgevels van het gebouw. Zooals blijkt 
uit het door Meermans verrichte bijwerk, verkreeg de achtergevel eene houten 
goot op kardoezen. De steenen gootlijst had echter te geringe afmetingen, de 
daarin uitgehouwen goot bleek weldra onvoldoende, daar zij het dakwater niet 
verzwelgen kon, zoodat dikwijls overstorting plaats had. Dit was dan ook de 
reden, dat reeds 5 jaren later, op 4 Augustus 1628, het maken eener nieuwe 
goot, langs het geheele gebouw, rustende op 20 kardoezen *), werd aanbesteed; 
den 27en October d. a. v. is voornoemd werk door de stedelijke overheid 
„opgenomen en gepresen" en werd door den Burgemeester Adriaen FranSz. 
Rüibijns aan Mr. Jan Romboütsz, stadsleidekker te Delft, daarvoor eene som 
van driehonderd Carolus-guldens uitbetaald, zijnde dit de eerste termijn van de 
aannemingssom, terwijl de andere helft één jaar daarna zou worden uitgekeerd. 
Dit bijwerk heeft dus in 't geheel 600 Carolus-guldens gekost 

Wij hebben in den loop dezer verhandeling nu gezien: 

dat het raadhuis door Meermans is aangenomen voor £ 8900 

dat het bijwerk van den timmerman heeft bedragen . „ 624 

idem van den steenhouwer ± „ 164 

dat de nieuwe goot heeft gekost 600 Car. gld. 

idem het glas in de ramen ± „ 243 

terwijl het verschillend ander bijwerk zeker wel mag 

gerekend worden op meer dan „ 469 

Het geheele raadhuis heeft dus gekost meer dan . . £ 11000 

Uit deze berekening volgt, dat de algemeen verbreide meening, dat het 
raadhuis te Klundert een geschenk is geweest van Prins Maurits, eene verkeerde 



1) Thans xijn er 21 kardoezen. 

18» 




Inventaris van de goederen, nagelaten door Gillis 
Pandelaert, rentmeester van de Beierlanden, 

MEEGEDEELD DOOR 

MR. PETER VAN MEURS. 




£T rechterlijk archief van Oud-Beierland bevat den in- 
ventaris van de nalatenschap van den rentmeester van 
de Beierlanden GILLIS Pandelaert, van 3 Maart 1657. 
Behalve portretten van familieleden en aanzienlijke per- 
sonen worden er eenige schilderijen van DROOCHSLOOT 
in vermeld. Ik laat lüer het voornaamste deel volgen. 

„Inventaris van alle de goederen, soo roerende als 
onroerende, bevonden in den sterffhuyse van za. d' heer rent- 
meester Gillis Pandelaert, gemaeckt bij Sr. Gillis Pandelaert, 
comijs ten comptoere van 't rentmeesterschap van de Beyerlanden, 
ende Pieter Verburcht, brouwer in 't Hart tot Utrecht, als getrout 
hebbende Joffrouw Anna Pandelaerts, ten overstaen van schout 
en schepenen van Out-Beyerlant, desen onderteyckent hebben 
opten III Martii ao 1657. 



Eerst in de voorcamer. 

Een ront schilderijken van de cruy- 
cinge onses zalichmakers Jhesu Christi. 

Twee cleyne viercante bordekens 
van den voorn, rentmeester en sijn 
schoonvaders wapens. 

Twee cleyne conterfeytsels van des 
rentmeesters huysvrouwen grootvader 
en grootmoeder. 

Een ledekant met een behangsel, 
taeflfelkleet en schoorsteenkleet, van 
geel en swart. 

l) De vrouw van den overledene. 



Een taefel. 

Een contrefeytsel van den grave 
Carel van Eomont. 

Twee schilderijen, een somer en 
een winter van Joost Droochsloot. 

EenoudeschilderijevanjERONIMUS. 

Een schilderije van de doopinge 
van den Moorman. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Anna L' Hermite. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Abigail Müysenhol 1 ). 



lVL 




H 
OC 
IU 
Û 

2 

eu 



< 
< 

OC 

IU 

2 
< 

> 

eu 

> 

IU 
O 

oc 

LU 

H 
E 
U 
< 



Inventaris van de goederen, nagelaten door Gillis 
Pandelaert, rentmeester van de Beierlanden, 

MEEGEDEELD DOOR 

MR. PETER VAN MEURS. 




et rechterlijk archief van Oud-Beierland bevat den in- 
ventaris van de nalatenschap van den rentmeester van 
de Beierlanden GILLIS PANDELAERT, van 3 Maart 1657. 
Behalve portretten van familieleden en aanzienlijke per- 
sonen worden er eenige schilderijen van DROOCHSLOOT 
in vermeld. Ik laat hier het voornaamste deel volgen. 

„Inventaris van alle de goederen, soo roerende als 
onroerende, bevonden in den sterffhuyse van za. d 1 heer rent- 
meester Gillis Pandelaert, gemaeckt bij Sr. Gillis Pandelaert, 
comijs ten comptoere van 't rentmeesterschap van de Beyerlanden, 
ende Pieter Verburcht, brouwer in 't Hart tot Utrecht, als getrout 
hebbende Joffrouw ANNA PANDELAERTS, ten overstaen van schout 
en schepenen van Out-Beyerlant, desen onderteyckent hebben 
opten III Martii ao 1657. 



Eerst in de voorcamer. 

Een ront schilderijken van de cruy- 
cinge onses zalichmakers Jhesu Christi. 

Twee cleyne viercante bordekens 
van den voorn, rentmeester en sijn 
schoonvaders wapens. 

Twee cleyne conterfeytsels van des 
rentmeesters huysvrouwen grootvader 
en grootmoeder. 

Een ledekant met een behangsel, 
taeffelkleet en schoorsteenkleet, van 
geel en swart. 

l) De vrouw van den overledene. 



Een taefel. 

Een contrefeytsel van den grave 
Carel van Eomont. 

Twee schilderijen, een somer en 
een winter van Joost Droochsloot. 

Een oude schilderije van JERONIMUS. 

Een schilderije van de doopinge 
van den Moorman. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Anna L' Hermite. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Abigail Muysenhol *). 



INVENTARIS VAN DE GOEDEREN, NAGELATEN DOOR GILLIS PANDELAERT. 189 



Een contrcfeytscl van Prins 
Maurits. 

Een vergulde spiegel. 

Drie albaster bordekens. 

Een clavesimbel. 

Een groot swart beslaegen coffer. 

Een toeslaende geborduyrde stoel. 

Een teenen vrouwe-craemstoel. 

In *t voorhuys. 

Drie rouwapens. 

Een geweercas, daerinne vier roers, 
drie pistolen, twee helbaerden. 

Een coffer met ijsere banden. 

Een geschrijnwerckte kist. 

Een glaese lantaern. 

Een schilderije, wesende een be- 
delaersfeest. 

Twee ronde schilderijkens van 
Drooch sloot. 

Een schilderije van Antwerpen. 

Een wagenschotte banck. 

Drie wagenschotte stoelen. 

Een vergulde spiegel. 

Een gestreept behangsel om de 
voetbanck. 

Een voetbanck. 

Vier vrouwestoelen. 

In de middelcamer. 

Een wagenschotte kas. 

Een wagenschotte ledikant met een 
groen behangsel. 

Een schilderije van de dopinge 
Christi. 

Een bataille van Droochsloot. 

Een schilderie van Jeptho. 

Een taeffel met een taefelcleet. 

Ses swarte stoelen. 

Twee schabellen. 

Een hangent casien. 

Een out coffer. 



In de ganck. 

Een coopère lavoir. 
Een tinne blaker. 

In de groote earner. 

De tapijten behangsels. 

Een groen fluwele ledikant. 

Een tapite sprey. 

Een bouffet 

Seven gesteecke stoelen. 

Een ebbe spiegel. 

Twee coopère brantijsers. 

Een conterfeytsel van den ouwen 
rentmeester Johan Pandelart. 

Een contrefeytsel van Do 
MUYSENHOOL. 

Een van Joffrouw Anna 
L' Hermite. 

Een van de rentmeester GILLIS 
PANDELAERT selffs. 

Een van de rentmeesters huys- 
vrouwe Joffrouw Abigail Musenhool. 

Een contrefeytsel van Prins 
Maurits. 

Een van een gravinne VAN Solms. 

Een van de Heer van Osmael. 

Een groote schilderie van 't mirakel 
van de twee viskens, van DROOCHSLOOT. 

Een schilderie van Rachel. 

Een taefel met een cleet. 

In de salet. 

Een groen behangsel rontsom de 
salet. 

Ses groene stoelen. 

Nog twee stoelen, heel out. 

Twee contrefeytsels van de grave 
en gravinne VAN Solms. 

Twee contrefeytsels van Keyser 
Maximilian en sijn Keyserinne. 

Drie cleyne schilderijkens. 

Een taefel met een groen taefelcleet. 

Een achtkant taefelken. 



Inventaris van de goederen, nagelaten door Gillis 
Pandelaert, rentmeester van de Beierlanden, 



MEEGEDEELD DOOR 



MR. PETER VAN MEURS. 




et rechterlijk archief van Oud-Beierland bevat den in- 
ventaris van de nalatenschap van den rentmeester van 
de Beierlanden GILLIS Pandelaert, van 3 Maart 1657. 
Behalve portretten van familieleden en aanzienlijke per- 
sonen worden er eenige schilderijen van DROOCHSLOOT 
in vermeld. Ik laat hier het voornaamste deel volgen. 

„Inventaris van alle de goederen, soo roerende als 
onroerende, bevonden in den sterffhuyse van za. d' heer rent- 
meester Gillis Pandelaert, gemaeckt bij Sr. Gillis Pandelaert, 
comijs ten comptoere van 't rentmeesterschap van de Beyerlanden, 
ende Pieter Verburcht, brouwer in 't Hart tot Utrecht, als getrout 
hebbende Joffrouw ANNA PANDELAERTS, ten overstaen van schout 
en schepenen van Out-Beyerlant, desen onderteyckent hebben 
opten III Martii ao 1657. 



Eerst in de voorcamer. 

Een ront schilderijken van de cruy- 
cinge onses zalichmakers Jhesu Christi. 

Twee cleyne viercante bordekens 
van den voorn, rentmeester en sijn 
schoonvaders wapens. 

Twee cleyne conterfeytsels van des 
rentmeesters huysvrouwen grootvader 
en grootmoeder. 

Een ledekant met een behangsel, 
taeffelkleet en schoorsteenkleet, van 
geel en swart. 

l) De vrouw van den overledene. 



Een taefel. 

Een contrefeytsel van den grave 
Carel van Egmont. 

Twee schilderijen, een somer en 
een winter van Joost Droochsloot. 

Een oudeschilderije van JERONIMUS. 

Een schilderije van de doopinge 
van den Moorman. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Anna L' Hermite. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Abigail Müysenhol *). 




a 

2 



r 
û 
< 

< 

r 

2 

< 
> 

> 
LU 

O 

C£ 
LU 

h- 

r 
o 

< 




Inventaris van de goederen, nagelaten door Gillis 
Pandelaert, rentmeester van de Beierlanden, 



MEEGEDEELD DOOR 



MR. PETER VAN MEURS. 




ET rechterlijk archief van Oud-Beierland bevat den in- 
ventaris van de nalatenschap van den rentmeester van 
de Beierlanden GILLIS PANDELAERT, van 3 Maart 1657. 
Behalve portretten van familieleden en aanzienlijke per- 
sonen worden er eenige schilderijen van DROOCHSLOOT 
in vermeld. Ik laat hier het voornaamste deel volgen. 

„Inventaris van alle de goederen, soo roerende als 
onroerende, bevonden in den sterffhuyse van za. d' heer rent- 
meester Gillis Pandelaert, gemaeckt bij Sr. Gillis Pandelaert, 
comijs ten comptoere van 't rentmeesterschap van de Beyerlanden, 
ende PlETER VERBURCHT, brouwer in 't Hart tot Utrecht, als getrout 
hebbende Joffrouw ANNA Pandelaerts, ten overstaen van schout 
en schepenen van Out-Beyerlant, desen onderteyckent hebben 
opten III Martii ao 1657. 



Eerst in de voorcamer. 

Een ront schilderijken van de cruy- 
cinge onses zalichmakers Jhesu Christi. 

Twee cleyne viercante bordekens 
van den voorn, rentmeester en sijn 
schoonvaders wapens. 

Twee cleyne conterfeytsels van des 
rentmeesters huysvrouwen grootvader 
en grootmoeder. 

Een ledekant met een behangsel, 
taeffelkleet en schoorsteenkleet, van 
geel en swart. 

*) De vrouw van den overledene. 



Een taefel. 

Een contrefeytsel van den grave 
Carel van Egmont. 

Twee schilderijen, een somer en 
een winter van Joost Droochsloot. 

EenoudeschilderijevanjERONIMUS. 

Een schilderije van de doopinge 
van den Moorman. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Anna L' Hermite. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Abigail Müysenhol '). 



HET RAADHUIS TE KLUNDERT. 187 

uitdrukkelijke voorwaarde, dat het gebouw te allen tijde in behoorlijken staat en 
reparatie zou worden onderhouden. De opvolgende gemeentebesturen waren 
mogelijk met deze contractueele bedinging van den Prins niet bekend en veroorloof- 
den zich — misschien met de beste bedoelingen — wijzigingen, die het oorspronkelijk 
karakter van het gebouw schaadden. Wat hier ook van zij, wanneer wij ons voor 
den geest brengen de betreurenswaardige lotgevallen, die sommige andere histo- 
rische gebouwen in den loop der tijden hebben ondergaan, dan mogen wij ons 
nog gelukkig achten, dat het raadhuis van Klundert zijn oorspronkelijken toestand 
zoo goed heeft behouden en aan eene jammerlijke bepleistering is ontkomen. 

Thans echter, nu de aandacht is gevestigd op de verplichting, die de 
gemeente Klundert in 162 1 bij authentieke akte op ach genomen heeft, mogen 
wij met grond verwachten, dat bij eventueele herstellingen aan dit fraaie histo- 
rische raadhuis zoodanig zal worden gewerkt, dat het steeds meer en meer zijn 
oorspronkelijken toestand zal naderbij komen, opdat dan tevens zal worden 
voldaan aan de „conditio sine qua non", waarvan Prins Maurits het al of niet 
verkenen zijner subsidfcn heeft afhankelijk gesteld; immers aan Hem, den grooten 
Stadhouder en roemruchtigen telg van het Vorstelijk Huis van Oranje, is dank 
en erkentelijkheid verschuldigd voor de milde bijdragen en den veelzijdigen steun, 
die het toenmalige gemeentebestuur van Klundert in staat hebben gesteld een 
raadhuis aan te vangen en te voltooien, waarop het nageslacht thans na bijna 
drie eeuwen nog met trots mag neerzien. 

's-Gravenhagt, Januari 1908. 





Inventaris van de goederen, nagelaten door Gillis 
Pandelaert, rentmeester van de Beierlanden, 



MR. 



MEEGEDEELD DOOR 

PETER VAN MEURS. 




ET rechterlijk archief van Oud-Beierland bevat den in- 
ventaris van de nalatenschap van den rentmeester van 
de Beierlanden GILLIS Pandelaert, van 3 Maart 1657. 
Behalve portretten van familieleden en aanzienlijke per- 
sonen worden er eenige schilderijen van DROOCHSLOOT 
in vermeld. Ik laat hier het voornaamste deel volgen. 

„Inventaris van alle de goederen, soo roerende als 
onroerende, bevonden in den sterffhuyse van za. d' heer rent- 
meester Gillis Pandelaert, geraaeckt bij Sr. Gillis Pandelaert, 
comijs ten comptoere van 't rentmeesterschap van de Beyerlanden, 
ende Pieter VERBURCHT, brouwer in 't Hart tot Utrecht, als getrout 
hebbende Joffrouw ANNA Pandelaerts, ten overstaen van schout 
en schepenen van Out-Beyerlant, desen onderteyckent hebben 
opten III Martii ao 1657. 



Eerst in de voorcamer. 

Een ront schilderijken van de cruy- 
cinge onses zalichmakers Jhesu Christi. 

Twee cleyne viercante bordekens 
van den voorn, rentmeester en sijn 
schoonvaders wapens. 

Twee cleyne conterfeytsels van des 
rentmeesters huysvrouwen grootvader 
en grootmoeder. 

Een ledekant met een behangsel, 
taeffelkleet en schoorsteenkleet, van 
geel en swart. 

*) De vrouw van den overledene. 



Een taefel. 

Een contrefeytsel van den grave 
Carel van Egmont. 

Twee schilderijen, een somer en 
een winter van JOOST DROOCHSLOOT. 

Een oudeschilderije van JERONIMUS. 

Een schilderije van de doopinge 
van den Moorman. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Anna L' Hermite. 

Een contrefeytsel van Joffrouw 
Abigail Muysenhol "). 



INVENTARIS VAN DE GOEDEREN, NAGELATEN DOOR GILLIS PANDELAERT. 189 



Een contrefeytsel van Prfns 
MAURI!*. 

Een vergulde spiegel. 

Drie albaster bordekens. 

Een clavesimbel. 

Een groot swart beslaegen coffer. 

Een toeslaende geborduyrde stoel. 

Een teenen vrouwe-craemstoel. 

In 't voorhuys. 

Drie rouwapens. 

Een geweercas, daerinne vier roers, 
drie pistolen, twee helbaerden. 

Een coffer met ijsere banden. 

Een geschrijnwerckte kist. 

Een glaese lantaern. 

Een schilderije, wesende een be- 
delaersfeest. 

Twee ronde schilderijkens van 
DROOCH SLOOT. 

Een schilderije van Antwerpen. 

Een wagenschotte banck. 

Drie wagenschotte stoelen. 

Een vergulde spiegel. 

Een gestreept behangsel om de 
voet banck. 

Een voetbanck. 

Vier vrouwestoelen. 

In de middelcamer. 

Een wagenschotte kas. 

Een wagenschotte ledikant met een 
groen behangsel. 

Een schilderije van de dopinge 
Christi. 

Een bataille van Droochsloot. 

Een schilderie van Jeptho. 

Een taeffel met een taefelcleet. 

Ses swarte stoelen. 

Twee schabellen. 

Een bangent casien. 

Een out coffer. 



In de ganck. 

Een coopère lavoir. 
Een tinne blaker. 

In de groote earner. 

De tapijten behangsels. 

Een groen fluwele ledikant. 

Een tapite sprey. 

Een bouffet 

Seven gesteecke stoelen. 

Een ebbe spiegel. 

Twee coopère brantijsers. 

Een conterfeytsel van den ouwen 
rentmeester Johan Pandelart. 

Een contrefeytsel van Do 
Muysenhool. 

Een van Joffrouw Anna 
L' Hermite. 

Een van de rentmeester GILLIS 
Pandelaert selffs. 

Een van de rentmeesters huys- 
vrouwe Joffrouw ABIGAIL MuSENHOOL. 

Een contrefeytsel van Prins 
MAURITS. 

Een van een gravinne VAN SOLMS. 

Een van de Heer van Osmael. 

Een groote schilderie van 't mirakel 
van detwee viskens, van DROOCHSLOOT. 

Een schilderie van Rachel. 

Een taefel met een cleet. 

In de salet. 

Een groen behangsel rontsom de 
salet. 

Ses groene stoelen. 

Nog twee stoelen, heel out. 

Twee contrefeytsels van de grave 
en gravinne VAN SOLMS. 

Twee contrefeytsels van Keyser 
Maximilian en sijn Keyserinne. 

Drie cleyne schilderijkens. 

Een taefel met een groen taefelcleet. 

Een achtkant taefelken. 



140 INVENTARIS VAN DE GOEDEREN, NAGELATEN DOOR GILLIS PANDELAERT. 

Het overige is van minder belang. „In 't contoir" worden vermeld „twee 
ouwe schilderijen" en de boeken, gedeeltelijk gespecificeerd. „Op het thorentge" 
(het was dus zeker een aanzienlijk huis) bevonden zich: 

Een amack ledekant. 12 schilderijen van Roomse keysers. 

Een taefel met een taefelcleet. Noch een schilderijken. 

4 eycke bancken. 3 stoelen. 

De „onroerende goederen" waren: 

Een huys ende erve, staende op den Havendam alhier in Oud-Beyerlant 

Een huys ende erve, staende aen de Oostzijde van de Voorstraet in' 
Oud-Beyerlant. 

Onder de „Incomende schulden" komen verschillende schuldbrieven ten 
laste van inwoners van Sas-van-Gent voor. 





MARIA PETITPAS, ECHTGENOOTE VAN JOHANNES WTENBOGAERT. 

Schilderij door M. Jz. Miereveldt 1637, 

bij Mevr. Hooft Graafland— Hooft Graafland van Schooter Vlieland te Utrecht. 



DE VROUW VAN JOHANNES WTENBOGAERT 

eene 17de eeuwsche „Bestemoer" 

DOOR 

Dr. B. TIDEMAN Jzn. 




Jet dien hier boven geplaatsten titel werd door Simon 
Episcopius in een vertrouwelijken brief aan Petrus 
Cupus van 12 Aug 1626 ') aangeduid de tweede vrouw 
van Johannes Wtenbogaert, Maria Petitpas, Haar 
ensch ik aan de lezers van dit tijdschrift voor te stellen, 
omdat door haar de groote stichter onzer kleine Broeder- 
schap vier en dertig jaren lang met de kloekheid eener 
groote liefde is gesteund. 
In de Groote Kerk te 's Gravenhage werd op 9 April 1606 het huwelijk 
ingezegend van JOHANNES WTENBOGAERT, hof- en veldprediker van Prins MAURITS, 
met Maria Petitpas, weduwe van François au Brebis uit Wesel. 



*) De brief is afgedrukt in het Nederlandseh Archief voor Kerkgeschiedenis. Nieuwe serie, II. Z903 f 
bid. 313 vlg. De datum der huwelijksvoltrekking bleef aan Rogob onbekend en werd gevonden in het Oud- 
Archief van 's Gravenhage (Rogge Joh. Wtenbogaert^ II. 53). De eerste vrouw, Anna van den Broeok, 
sal dus 1606 en niet 1607 gestorven sijn. Ook het verblijf van Maria in Frankrijk, door Rogge 
niet vermeld, blijkt uit de Brieven van Wtbnbogabet (II. bids. 9, 14, 16, 17, 20, 123, 206—370. — die 
Haghe, Bydrage en Mededelingen, 1903, bids. 4—5* 

Oud-Holland, 1908. 19 



142 DE VROUW VAN JOHANNES WTENBOGAERT. 

Wtenbogaert was bij Maurits' veldtochten veel in Wesel geweest en 
met de weduwe AU Brebis in kennis geraakt, die op zijne aanbeveling tijdelijk 
Rosaeus herbergde. Maria's naam wijst op afkomst van Fransche Hugenoten, 
en zij zal met haar eersten echtgenoot, van wien zij twee dochters had, ook behoord 
hebben tot de Waalsche gemeente te Wesel, die nu niet meer bestaat. Het is 
mij niet mogen gelukken schriftelijke mededeelingen van die gemeente te verkrijgen. 
Daarvoor zou een persoonlijk onderzoek in de Weselsche Archieven noodig zijn. 
Een broeder van Maria, Daniel, diende in het Staatsche leger. Haar eerste 
echtgenoot schijnt omstreeks 1600 overleden te zijn. 

De kinderen uit het eerste huwelijk waren WTENBOGAERT als eigen kroost, 
dat hij niet kreeg, lief; zijn oudste dochter stierf jong gehuwd ; de andere, gehuwd 
met Lindeman, had eene dochter, als zij, Johanna genaamd, bij wier huwelijk, 
19 October 1631, met Aernout van Beaumont, de stiefgrootvader tegenwoordig 
was. De grafstede van Simon Beaumont bergde ook later Maria's lijk. 

Natuurlijk betrok het echtpaar het huis op den Hofsingel te 's Gravenhage, 
dat aan den hofprediker door de Staten geschonken was. De buurt was niet vrij 
van overlast, waarom WTENBOGAERT in 1 602 al beslag gelegd had op het erf over zijne 
woning, opdat niet allerlei gespuis er kroegen en speelhuizen zou bouwen, om 
dat „schandelijk regiment" te keeren. In zijn eerste huwelijksjaren liet de hof- 
prediker het huis zeer opknappen en van een „duurzamen" nieuwen gevel voor- 
zien,, terwijl de tuin nieuw werd aangelegd. In 161 3 vereerden de Staten-Generaal 
hem / 300 en een nieuw kruisvenster in zijn „salet", wij zouden zeggen zaal 
of salon. In dit venstér stond het wapen der Generaliteit Het huisgezin bestond 
behalve uit de twee echtgenooten ook uit eene zuster van MARIA, die haar bij 
de veelvuldige afwezigheid van WTENBOGAERT tot gezelschap diende. Den 8 Juli 
161 5 kocht Maria, die eenig vermogen bezat, het huis naast WTENBOGAERTS 
woning, om te voorkomen, dat er een herberg in zou komen. De beekarm, die 
tusschen de huizen doorliep, werd overwelfd. 

Toen Wtenbogaert in 161 8 na Oldenbarnevelts gevangenneming naar 
Antwerpen was gevlucht, werd het huis op eene nacht in Maart 16 19 geplunderd. 
Met moeite redde Maria eenige kostbare boekwerken en de zilveren voorwerpen, 
in vroeger dagen door de stadhouderlijke familie aan WTENBOGAERT vereerd. 
Het huis werd verbeurdverklaard en Maria moest het met zuster, nicht, neef en 
een knecht verlaten. Een hoveling, een Schotsch officier, trok er in en na 
Maurits dood, in 1625, werd de bewooner ROSAEUS, de felle vijand van WTEN- 
BOGAERT. Dit was zeer pijnlijk voor Maria. ROSAEUS had alles aan WTENBOGAERT 
te danken; deze had hem als student een plaats bezorgd in het Statencollege, en 
toen hij daaruit bij een studentenoproer verwijderd was, hem toevertrouwd aan 



DE VROUW VAN JOHANNES WTENBOGAERT 148 

de hoede van VorstiüS te Steinfurt. Verder was door WTENBOGAERTS invloed 
hem een plaats verzekerd als predikant, en kwam hij ook door diens bemiddeling 
te 'sGravenhage in 1607. Hij werd toen met zijne kranke vrouw en zijn geheele 
gezin door MARIA in huis genomen. Hij had zich gunstig uitgelaten over de 
Remonstrantie, maar in Maart 1614 begon hij WTENBOGAERT te bestrijden, 
werd zijn hardnekkige tegenstander en bleef dit tot zyn dood in 1637. Toen hij 
in 1630 noode door dwang van Gecomitteerde Raden het huis ruimen moest 
bleek het, dat hij het zóó slordig bewoond had „alsof Mansvelders en Croaten 
er hadden huis gehouden." 

Maria liet haren gebannen echtgenoot niet los. In October 16 18 ging zij 
hem te Antwerpen bezoeken in het huis van den heer van Ast. In het laatst 
van 1620 en in het voorjaar van 162 1 ging zij weder derwaarts. WTENBOGAERT 
meende dat dit een. afscheid voor goed was. Maar in October 1622 verwachtte 
bij haar bij zich in Parijs, en die verwachting werd niet te leurgesteld. Van 
1622 tot 1626 bleef zij bij haren man, die óf te Parijs óf bij Rouaan verblijf 
hield, en het in Frankrijk moeilijk had, omdat hij zich niet bij de Katholieke noch 
bij de Calvinisten, die in de synoden van Aix en Charenton den boventoon voerden 
onder de Fransche Hugenoten, kon aansluiten, terwijl bovendien het pestgevaar 
hen telkens van de eene plaats naar de andere dreef. Geen wonder dat de dood 
van Prins MaüRITS in 1625 Maria deed uitzien naar de mogelijkheid om naar 
Holland terug te keeren. 

WTENBOGAERT zond Maria 24 April 1626 naar den Haag met een aanbe- 
velingsbrief aan zijn vriend en Maria's gastheer in vroeger tijden, Nicolaes 
van SORGEN, Advocaat bij het Hof in Holland. Zij moest het handschrift van 
WTENBOGAERTS levensbeschrijving bij den drukker van Wouw in de „Wilde Zee" 
bezorgen, na het zelf gelezen te hebben. Dit Leven liep toen niet verder dan tot 
het begin van WTENBOGAERTS ballingschap, en was door hem in Frankrijk 
opgesteld. WTENBOGAERT zelf noemt het „zijn particuliere legende"; het werd 
later in 1668 voltooid. Met Maria gingen hare andere huisgenoten mede. Zij 
was met VAN SORGEN nu bezig in den Haag eene veilige schuilplaats voor haar 
man te zoeken. 

Op 26 Sept. 1628 des avonds te 6 ure zette Wtenbogaert te Rotterdam 
voet aan wal na een zeereis van Quille boeuf af. Hij bleef er onbekend en verscholen, 
zóó zelfs, dat hij Maria niet eens zijne komst meldde. Het was 1 October 1628, 
dat zij hem toevallig te Rotterdam ontmoette, toen zij van den Haag naar 
Utrecht reisde. Zij nam hem mede naar den Haag, waar zij hem niet kon herbergen 
in de woning die zij zelve naast het nu door RoSAEUS bezette oude huis bezat, 
omdat zij altijd nog vreesde voor de veiligheid van haren echtgenoot Hij 

19» 



144 DE VROUW VAN JOHANNES WTENBOGAERT. 

woonde nu eens bij van Wouw in Ä de Wilde zee" of elders en schreef in zijn 
dagboek: „ik verwissel mijne woning". 

Middelerwijl was Maria druk bezig, in gesprekken met NicOLAAS Cromhout 
de onschuld van haren man te bepleiten. Cromhout was wel een van de rechters 
geweest, die Wtenbogaerts vonnis hadden geveld, maar hij was nooit een 
drijver geweest, en persoonlijk niet tegen WTENBOGAERT gekant. Voor die 
tusschenkomst heeft WTENBOGAERT zijne vrouw in een brief, uit zijne schuil- 
plaats in den Haag geschreven, hartelijk gedankt. De bedrijvige vrouw verdiende 
dus wel door Episcopius genoemd te worden: „de volhaestheyt selve* en 
gekenschetst als eene, van wie als zij voor iets niet te vinden was, bijvoorbeeld, 
zooals het spreken met Prins Frederik Hendrik» kon gezegd worden: „soo ist 
uyt". Zoo als men weet heeft WTENBOGAERT wèl brieven gezonden aan FREDERIK 
Hendrik. Deze verklaarde hem geen gehoor te kunnen verleeneh, maar hij ver- 
klaarde ronduit, dat hij zou zorgen, dat WTENBOGAERT niet gevat werd, en hij 
gaf den raad, dat de oude leermeester van hem voorzichtig zou zijn, en zijn tijd 
afwachten, als er wat meer weigezinden in de regeering zouden zijn. Den brief, 
dien WTENBOGAERT hem schreef, wierp hij in het vuur. Toch verlangde hij de 
wenschen van Wtenbogaert te kennen. Maar de daden van den Prins bleven uit. 
Maria nu zat niet stil en verkreeg 26 Nov. 1629 van Gecommitteerde Raden 
„redemtie van de helft zijner huijsinge in confiscatie genomen ten behoeve der 
grafelijkheyt". Van de andere helft verkreeg zij tegen een jaarrente van ƒ 125 
van Schepenen der stad 's Gravenhage vrijdom van een hoofdsom van 2000 
carolusguldens. Daarvoor werd eene hypotheek aangegaan op 29 Dec die op het 
huis staan bleef. Die som was 1634 algelost. Eene volledige opheffing der ver- 
beurdverklaring durfde men in 1629 nog niet aan. Nu kon door Maria's toewijding 
Wtenbogaert weder zijne studeerkamer betrekken, met zijne boekerij om zich 
heen. Maar de dagen van Maria waren geteld. In 1634 werd zij ernstig ongesteld, 
en hoewel zij herstelde, bleef het toch sukkelen. In 1637 schilderde MlEREVELT 
haar beeltenis, maar de dood van de vrouw van VAN SORGEN, JANNETJE DE RYCK, 
tastte haar zenuwgestel aan, en 23 April 1640 kwam het einde. WTENBOGAERT' 
was diep geschokt. Hij overleefde haar nog ruim vier jaren. Het lijk werd 
begraven in de Kloosterkerk, in de grafstede van Simon VAnBeaumont. Zij liet 
Wtenbogaert een kapitaal na van / 18500. Bij haar leven heeft zij, zooals 
Wtenbogaert schrijft, haren echtgenoot „van het hare onderhouden' 9 , en dit was 
niet alleen in geld, maar ook door toewijding, door den moed levendig te houden. 
Door als zijn pleitbezorgster op te treden, heeft die vrouw als „beste-moer" der 
Broederschap een schoonen arbeid goed volbracht. 



Rembrandt's verwanten in Oost-Indië 



DOOR 

Dr. JOH. C. BREEN. 




N den eersten jaargang van »Oud-Holland" is door 
Mr. A. D. DE VRIES Azn. een artikel gewijd aan 
Rembrandt's dochter Cornelia van Rijn en haren 
echtgenoot CORNELIS SuYTHOF, waarin o.a. wordt ver- 
haald dat beiden kort na hun huwelijk in 1670 naar 
Oost-Indië zijn vertrokken, dat SüYTHOF te Batavia 
„cipier van de burgergevangenisse" is geweest, en dat 
I W/Sffig^'Pr'^ vóór 1686 aan het echtpaar een zoon werd geboren. 
Reeds in den Navorscher van 1858 *) was medegedeeld, dat in de doopboeken 
der Gereformeerde Kerk van Batavia twee kinderen uit Süvthof's huwelijk met 
Cornelia van Rijn zijn ingeschreven, en wel Rembrandt, als op den $den Dec 
1673, en Hendric, als op den I4den Juli 1678 gedoopt. Meer was er tot dus- 
verre over Rembrandt's familie in Oost-Indie niet bekend. Onlangs ontdekte 
ik in het archief der Amsterdamsche Weeskamer het een en ander, dat ik hier 
wil mededeelen. 

Den 8sten December 1685 zonden Weesmeesteren van Batavia aan hunne 
Amsterdamsche collega's de copie van een request, hun aangeboden door „CORNELIS 
Suythoff, cipier van de stadsgevangenis". In dit request verklaart SüYTHOF 

l ) Navorscher 1858, bic. a8a. 



146 REMBRANDT'! VERWANTEN IN OOST-INDIÊ; 

„hoe hem, suppliant, van wegens zijn moeders suster Sara Hoozee zalr. 9 inhaer 
leven woonachtigh geweest zijnde tot Amsterdam, door overlijden van haar laatsten 
man JOANNES Ascus zalr., een somme van elfhondert vijfentwintig guldens is 
aenbestorven, volgens twee originele brieven in datis 12 Juny, door desselfs 
oom Jacobus Hooze, en 20 May 1680, door zijnen neve Joannes Taffijn, aen 
hem geschreven". Hij had daarop naar het vaderland geschreven en zijn ver- 
wanten verzocht dit geld te doen deponeeren ter Weeskamer van Batavia „voor 
zijn soontie REMBRANT Suythoff, wijl het een moederloos weesien is, als een 
donatie inter vivos, uyt vaderlijke sught"; doch tot dusverre was dit niet gebeurd. 
Daarom riep hij nu de tusschenkomst van Heeren Weesmeesteren in, om door 
hunne medewerking „deselve erfportie, die eerst lange jaaren by d'Hr. Hendrick 
BONTEMANTEL in consignatie geweest en daernae vandaar onder sijnen oom 
Adriaen Taffijn zalr met procuratie geraakt, doch nu in handen van eenen 
Sr. Jan Gilleszen, diacon der Franse Gemijnte tot Amsterdam, berustende zy" f 
te mogen ontvangen 2 ). 

Uit dit request blijkt ons, wat tot dusverre onbekend was, dat CORNELIA 
VAN Rijn geruimen tijd vóór 8 Dec. 1685 is overleden. 

Het schrijven van Weesmeesteren van Batavia, met het request van 
SuYTHOF, werd ruim negen maanden later, 20 Aug. 1686, te Amsterdam ont- 
vangen. Naar aanleiding daarvan werd Jean GlLLlSZ. ter Weeskamer ontboden, 
waar hij den 21 sten November een som van 894 gl. 7 st. opbracht, zijnde, na 
aftrek van eenige onkosten, het saldo van een bedrag van / 909. — dat hij van 
Abraham van Woudenbergh had ontvangen 2 ). Deze Abraham van Wouden - 
BERGH was de tweede man van Suythof's zuster Maria, met wie hij in Juli 
1682 getrouwd was *). Hij was door Schepenen geauthoriseerd om het recht 
van zijn uitlandigen zwager waar te nemen, en had in deze qualiteit voor hem, 
onder borgtocht van Jean Gillisz en Jan de Mortier, ƒ 1049 geïnd, als deel 
van de opbrengst van een bij executie verkocht huis op de Keizersgracht, hoek 
Hartenstraat, dat had toebehoord aan Adriaen Taffijn. Van dit bedrag hield 
hij f 140. — voor zich, als vergoeding voor gemaakte onkosten, en bovendien 
vorderde hij nog eene som van ƒ83 : 17: 8. 

Den I4<ien December 1686 schreven Weesmeesteren van Amsterdam dit 
naar Batavia, zich bereid verklarende de te hunner kamer opgebrachte som over 
te maken, mits, ten genoege van de beide borgen, door SüYTHOF contraborgen 
werden gesteld 4 ). Een jaar later, 10 December 1687, zond de Weeskamer van 



!) Missive v. Weesmeesteren van Batavia, 8 Dec 1685, Bijlage 14. 

8) Weesboek 37, fol. 52. 

») Kerk-intreg., 26 Juni 1682. *) Minuutregister, 1679—1686, fol. 174 vo. 



REMBRANDT'S VERWANTEN IN 00ST-IND1Ë. 147 

Batavia hierop een antwoord, dat in September 1688 te Amsterdam aankwam, 
en waarin zij namens SUYTHOF verzocht de buitensporig hooge kostenrekening, 
die door diens zwager was ingediend, door Schepenen te doen nazien, terwijl zij 
tevens berichtten dat de cipier yjegenwoordigh geen occasie tot het stellen van 
contraborgen" had. Doch het belangrijke van dezen brief ligt voor ons in de 
mededeeling dat Suythof's zoon Rembrandt, wicn de penningen ten goede 
zouden komen, innocent was *). In een volgenden brief, waarin de Weesmeesteren 
van Batavia zelf zich bereid verklaarden als contraborgen op te treden, wordt 
nog nader medegedeeld dat de jonge Rembrandt „door een siekte een swaer 
letsel aen sijn memorie (had) gekregen" *). Den ioden November* 1689 werd dit 
laatste schrijven te Amsterdam ontvangen, en ruim een maand later ging er 
een brief naar Batavia, waarin bericht werd dat de Commissarissen van Kleine 
Zaken, aan wie de zaak door Schepenen was overgedragen, van WOüDENBERGH 
hadden veroordeeld om zich tevreden te stellen met de reeds genoten ƒ140. — 
en hem zijne verdere vordering hadden ontzegd 8 ). De door van WOÜDENBERGH 
ingeleverde declaratie is nog bij de stukken aanwezig 4 ); ik wil daaruit even 
vermelden dat hij zijn verdienste per dag — hij was felpwerker — op/ 2.50 
schatte; voor «»een halve dag verlet" vraagt hij namelijk ƒ 1.25. Voor 30 dagen 
„verlet" van den eersten man zijner vrouw, Abraham DE KONING, vorderde hij 
ƒ90. — ; diens dagloon had alzoo ƒ3. — bedragen. 

Weesmeesteren van Batavia konden nu voorloopig over ƒ 900. — disponeeren 
(het geld had rente opgebracht). Den ißden Maart 1691 deden zij dit, daarbij 
meldende dat SuYTHOF voor de bemoeiingen in zijn belang „sijne schuldige 
danckbaerheyt" had betuigd, doch dat hij „nu ontrend een maend geleden" was 
overleden •). 

Eenige maanden voor zijn overlijden had hij zijn testament gemaakt, en 
wel voor notaris DlONljS VAN Es, „zieck te cooy leggende", 26 Nov. 1690. Hij 
verklaarde daarin „geen ad- noch descendenten in 't leven te hebben", waaruit 
dus blijkt dat zoowel de innocente Rembrandt, als het andere kind, Hendrik, 
vóór hem waren gestorven. Voorts vernemen wij uit het Testament dat hij, na 
Cornelia's overlijden, een tweede huwelijk had aangegaan met „d'eer bare juffrouw 
Maria de Decker". Haar stelde hij tot zijne universeele erfgename, „ende dat, 



l) Missive v. Weesmeesteren van Batavia, xo Dec. 1687. 

*) Missive t. Weesmeesteren van Batavia, 25 Febr. 1689. 

s) Minuutboek 1687—1698, bis. 53. Cf. nog biz. 39. 

4) Weeskamer, Lade 4x2. 

1) Missive v. Weesmeesteren van Batavia, 13 Maart 1691. Later is nog een bedrag van f 17. dat 
boven de /900.— was overgeschoten, verrekend. (Minuutboek, 8 Juli 169a en 22 Dec. 1694; missive v. Wees- 
meesteren van Batavia, 2 Dec. 1693. 



148 REMBRANDT'S VERWANTEN IN OOST-INDIÊ. 

in alle de goederen, action, crediten, middelen ende gerechtigheeden, goud, zilver, 
gemunt ende ongemunt, slaven en slavinnen, niets ter werelt uytgesondert, hoe die 
genaemt oft waer die gelegen souden mogen zijn". Bovendien maakte hij drie legaten y 
en wel aan zijne zuster Maria, de huisvrouw van VAN WOUDENBERGH, ioo rijks- 
daalders „tot een gedagtenisse"; aan den oudsten zoon van zijn overleden broeder 
Hendrick Zuydhov, genaamd Bartholomeus, 200 rijksdaalders, „mitsgaders 
de klederen tot sijn, testateurs, lichaem behoorende"; en aan zijns broeders 
jongsten zoon, Hendrik, 300 rijksdaalders *). Aan het eerste legaat hebben wij 
het te danken dat een afschrift van het voor ons zoo waardevolle testament door 
Weesmeesteren van Batavia naar Amsterdam is gezonden en aldaar ter Wees- 
kamer is bewaard gebleven: den isten April 1693 ontvingen ABRAHAM VAN 
WOUDENBERGH en Maria SuYTHOF, de hun toekomende gelden f ). 

Wij mogen uit het testament ongetwijfeld afleiden dat de cipier der burger- 
gevangenis in vrij goeden doen verkeerde. Daarop wijst ook het feit dat hij, 
in den aanhef, „oud-diaken deser gemeynte" wordt genoemd, waaruit eveneens 
volgt dat hij op kerkelijk gebied een meelevend man was. 

Bij het Testament is eene verklaring gevoegd van juffrouw MARIA DE 
DECKER, waarin zij — op den uden Januari 1691 — betuigt „de gemelte tes- 
tamentaire dispositie niet alleen ten dancke te accepteeren, maer uyt eygen vrij» 
willige genegentheyt ende tot geruststellinge van voorn, haren man te belooven 
't soontie van voorn, hare mans broeder zak., genaemt HENDRICK ZüYDHOV, 
behoorlijck soo lange sij leeft op te voeden ende te onderhouden, totdat selfs 
tot bequaemheyt van onderhoudinge sal zijn gekomen, verbindende tot naerko- 
minge deses haer persoone ende goederen' \ Hendrik en BARTHOLOMEUS — voor 
laatstgenoemde blijkt het uit het legateeren der kleederen — waren alzoo met 
hunnen oom in Oost-Indté. De zorg, die deze voor hen droeg, pleit voor hem 
en ook voor zijne tweede vrouw, die hem daarin blijkbaar steunde. 



Een onderzoek in de archieven te Batavia zou het hierboven medegedeelde 
nog kunnen aanvullen, doch in elk geval staat het nu vast dat met de beide 
kinderen van Suythof en Cornelia van Rijn het geslacht van Rembrandt 
uit zijne dochter een einde nam, en dat nauwelijks twintig jaren na den dood 
van den grooten meester geen zijner verwanten in Oost-Indië meer in leven was. 

1) Missive v. Weesmeesteren v. Batavia 26 Jan. 1692, Bijl. 9. 
8) Weesboek 38, fol. 206. 





UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN 
JAN VAN HOUT 

DOOR 

Dr. PRINSEN J.Lzn. 
III. 



BESCHEIDEN OVER DANIEL VAN DER MEULEN. 

jijNE aanteekeningen uit VAN HOUTS notaris-protocol bc 
sluit ik door een en ander mee te deelen uit wat het 
bevat over Jonkheer Daniel van der Meulen. 

Hij was uit een oud Zuid-Nederlandsch geslacht, 
dat van vóór HOO is na te gaan 1 ); Jonker JOAN VAN 
der Meulen, ridder, en Elisabeth Segers waren zflne 
ouders. Ze zijn in 1545 te Antwerpen in de Notre-Dame 
getrouwd en 3 December 1583 testeert Elisabeth Segers 
voor notaris Hendrik van Uffelen als weduwe van Joan van der Meulen. 
Daniel schijnt hun oudste zoon te zijn geweest. In boven bedoelde genealogie 
wordt hij genoemd „Jonkheer Daniel van der Meulen, ridder, heere tot 
Ansegem, voor de Heeren Staten Generaal extra-ordinaris ambassadeur bij den 
coninck over Danemercken". Hij is getrouwd geweest met Hester de la Faille. 
Deze was de dochter van Jan de LA Faille den Oude en stamt uit een Italiaansche 
familie, die zich in België en Noord-Nederland vestigde. 

*) Zie de Genealogie door dm Heer vak de* Muilen in De Narorscher, aBsteJrg. 1878, p. 6a x Tig. 
Oud-Holland, 1908. 20 




150 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

De Heeren Overvoorde en MOLHUYSEN te Leiden waren zoo welwillend 
voor mij een onderzoek in te stellen in de hun toevertrouwde verzamelingen naar 
bescheiden over Daniel van der Meulen en de zijnen. Dit onderzoek had 
geen resultaat. Toch moet blijkens de aanteekeningen van den Heer VAN DER 
Muelen in 1878 in het Leidsche gemeente-archief nog aanwezig zijn geweest 
een exemplaar van den inventaris, dien we hierachter uit VAN HOUTS protocol 
ter sprake brengen en een testament van 30 Maart 1590, dat niet in het protocol 
voorkomt en trouwens ook wel te Bremen zal zijn gemaakt. 

Rammelman Elsevier heeft in 1856 in een vergadering der Maatschappij 
van Ned. Letterkunde meegedeeld, dat hij bezig was aan het doorlezen van een 
hem „van elders toegebragte" collectie brieven van en aan de familie VAN DER 
Meulen. Hij vermeldt er bij, dat de familie in 1585 uit Antwerpen is verdreven 
en daarna te Bremen, Leiden en Utrecht woonde. De brieven loopen van 1588 
tot 1607. Andries van der Meulen, Heer van Ranst, gehuwd in 1586, woonde 
eerst te Antwerpen, later in Utrecht. Aan hem werden de brieven uit Bremen, 
Stade en Frankfort gericht. Zijn broer was lakenkooper te Leiden en overleed 
in 1600. Tot zoover Rammelman Elsevier 1 ). Of ook Andries in 1585 Ant- 
werpen, waar hij Schepen was "), moest verlaten, valt in verband met een feit, 
dat hieronder volgt, te betwijfelen. 

De Heer Overvoorde deelt mij mee, dat in de geschreven notulen van 
de Historische commissie van Letterkunde bovenbedoelde brieven niet nader 
worden besproken. Ook Dr. Molhuysen kan mij over deze zeer waarschijnlijk 
belangrijke collectie niets meedeelen. 

Uit de hierachter volgende geboortelijst van Daniel's kinderen blijkt 
dat hij waarschijnlijk van November 1585 tot Mei 1591 met zijn gezin te Bremen 
heeft gewoond. Vier kinderen, die in 1599 nog leven, worden daar geboren. Dan 
komt in September 1592 Emilia te Leiden en daarna nog vier kinderen te Leiden 
tot Augustus 1599. 

Daniel schijnt dus te Leiden lakenhandelaar geweest te zijn. Maar hij 
was meer. Zelfs de weinige gegevens uit het protocol en de paar kleinigheden, 
die van elders bekend zijn, geven ons het recht te veronderstellen, dat zijn leven 
rijk, zijn kennis en bekwaamheid veelzijdig is geweest, zijn levensdaden zich in 
velerlei richtingen bewogen hebben, zooals bij tal van mannen uit dien frisscheni 
heerlijken tijd van krachtig, energiek grijpen in het leven. 

Uit onze notitie zal blijken, dat van DER Meulen financieel deelnam 



1) Handelingen der Maatschappij Tan Ned. Letterkunde, 1857, p. 53. 
*) Narorscher, 1853, Bijblad, p. CXXX. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 151 

in compagnieschap met zijn broer Andries en Nicolaas Malepasrt aan ver- 
schillende groote handelsondernemingen en ontdekkingstochten, die het einde der 
zestiende eeuw in Holland hebben gekenmerkt. Dat hij als buitengewoon gezant 
door de Staten naar Denemarken is gezonden mogen we gelooven op grond van 
een aanhaling hierboven. 

Terwijl te Vervins in 1598 de vredesonderhandelingen aan de gang zijn, 
weet Aartshertog ALBERTUS DANIEL VAN DER Meulen naar Brussel te lokken 
onder voorwendsel, dat zijn broeder te Antwerpen ziek is (waarschijnlijk ANDRIES; 
in ieder geval blijkt, dat niet de geheele familie VAN DER MeüLEN in 85 uitge- 
weken was). Aan de Fransche gemachtigden te Vervins laat hij het voorkomen, 
of de Staten DANIEL uit eigen beweging hebben gezonden, en intusschen doen 
RlCHARDOT en de zijnen de mooiste voorstellen. Doch tegenover hunne algemeen- 
heden stelt VAN DER Meulen onwrikbaar herstel in hunne waardigheden voor 
de Zuid-Nederlandsche uitgewekenen en vrije godsdienstoefening , ). 

En een jaar later zien we Daniel weer als vertrouwde in het belang der 
Hollandsche zaak werkzaam, als hij HESSELS, den „conseiller de Son Excellence" 
op de hoogte stelt van de bewegingen en plannen van het leger, door den land- 
graaf van Hessen en den Hertog van Brunswijk op de been gebracht om de Ver- 
woestingen, die door het leger van Mendoza langs onze oostgrens in het 
Duitsche rijk werden aangericht, paal en perk te stellen *). 

Onze lakenkoopman-ambassadeur moet tevens een grondig klassiek gevormd 
liefhebber van letteren en wetenschap geweest zijn. Den kataloog van zijn 
bibliotheek zochten we vergeefs, maar reeds dat kleine deel, dat niet bij Plantijn 
werd verkocht en als het noodigste voor de vorming van zijn zoon werd bewaard, 
zegt genoeg. Tal van voorwerpen uit zijn inventaris bewijzen tevens, dat hij een 
man van smaak moet zijn geweest. 

In het achterstaande heb ik me gehouden aan de volledige regelmatige 
redactie van deel II van het protocol. In deel I komen verschillende onderdeelen 
geheel of gedeeltelijk, verspreid voor; zie o.a. I 305 vo. vlg. 314 r«. vlg. 347 v°. 
402 ro. vlg. In deel II beslaan het testament, de inventaris en nog enkele stukken 
ongeveer 60 pagina's. Uit dit alles zal ik hier slechts enkele onderdeelen volledig 
overnemen en den inhoud van het geheel even aangeven. Veel staat er in die 60 
pagina's, wat natuurlijk slechts van zeer ondergeschikt belang is, zelfs voor wie 
een uitvoerige studie van de VAN DER MEULENS zou wenschen temaken. Boven- 
dien de bedoeling van mijn bijdrage is hoofdzakelijk, bronnen aan te wijzen. 

Ten slotte herinner ik er aan, dat we Jonker Daniel reeds hiervóór ontmoet 

l) Fruin, Titn jar*n % 18 8a, p. 356. Wagenaai, IX, p. ix. 
*) GiORN, Archivés, ade serie, I, p. 424; Blok, III, p. 465. 

20* 



152 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

hebben als getuige bij het testament van Veronica van der Lippe, vrouw van 
Jacob van Marnix '). 

Het testament van „Heer Daniel van der Meulen ende eerbare jonc 
vrouwe Hester de la Faille, beyde geboren van Antwerpen, geêchte man 
ende wyff, innewoonders" van Leydtn, komt voor op f°. XCIX ro. vlg. Het is 
van 30 Juli 1599. De echtelieden zijn dan beiden nog „clouc ende gesont van 
lichamen." Een vorig testament van 8 Januari 1594, voor notaris SALOMON VAN 
DER WOERT gemaakt, wordt er door te niet gedaan. 

De voornaamste bepalingen zijn: Behalve «Jiet gewoonlicke voordeel vol- 
gende de costuymen ende rechten van Antwerpen 91 zal de langstlevende vooruit 
uit den boedel bekomen al zijn „clederen, juwelen, ketenen, ringen ende tgunt 
verder ten lyve, rugge ende geryve van de langstlevende behoorende is.' 1 Als 
Daniel zijn vrouw overleeft, behooren hem daarbij nog de „boucken ende gehele 
biblioteque mitten gevolge van dien»' 1 

De armen der stad, waar een van beiden sterft, krijgen 300 gulden van 
veertig grooten. Verder „prelegateert" Hester aan DANIEL 6000 gld. en DANIEL 
aan Hester 12000 gld. 

Als daarna alle schulden enz. zijn geregeld, komt de helft aan den langst- 
levende en de andere helft aan de kinderen. Beide partijen moeten met hun 
geld blijven in de compagnieschap met Andries van DER MEULEN en NiCLAES 
Malepaert, *) zoo lang als het laatste contract voorschrijft« Beide compagnons 
worden „testamentelycke momboiren," voogden naast den langstlevende over de 
minderjarige kinderen. 

Op fol. CXI volgt de „Inventarys van alle de zo roerende als onroerende 
goeden, renten mitte vruchten en verlopen van dien, actiën, crediten ende inne- 
schulden, naergelaten bij den Heere Daniel van der Moelen, die in den Heere 
ontslapen es binnen deser Stadt Leyden des graefschaps van Hollandt opten 
XXVen Julii des lopenden jaers XVic smiddaechs omtrent ten elff uyren achter 
latende tot zijn erfgenamen volgende zijne uyterste wille, staende hiervoor fo 
XCIX de naervolgende zijne kinderen, allen geboren ende van zoodanigen ouderdom 
als hier naer volcht, gelyc tzelve bij den voorn. za. VAN DER MOELENS eygen 
handt gestelt in teynde van zijnen bouc gein ti tu leert Groten bouc van de particuliere 
reeckeningen van DANIEL VAN DER Moelen, begonst prima Januarij XVcLXXXV, 
angeteyckent es: 

l) Zie vorig artikel, Oud-Holland XXVI, afl. a, onder No. 20. 

S) Blijkens de genealogische aanteekeningen in De Na vorscher voornoemd is een raster Tan Hestek 
ds la Faille, Marie, getrouwd met een Louis Malapert. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT- 1W 

Cornelia, geboren tot Bremen den uden Novembris stylo veteri des 
jaers LXXXV des middaechs een quartier uyrs voor eenen. 

Hester, geboren tot Bremen den XXen Februarij stylo veteri des jaers 
LXXXVIII snachts een quartier uyrs voor eenen. 

DANIEL, geboren tot Bremen den XXen Septembris stylo veteri des jaers 
LXXXIX voormiddage een halt quartier uyrs voor elff uyren. 

Lucretia, geboren tot Bremen den Vden Mey stylo vetert des jaers XCI 
smergens omtrent ten vier uyren. 

EMILIA, geboren tot Leyden den XX Viste Septembris stylo novo des jaers 
XCII smergens een quartier uyrs naer drie uyren, 

Hansken, geboren tot Leyden den XXVII« Januarii stylo novo des jaers 
XCIIII smergens een half quartier uyrs voor halff tienen. 

Cataryne, geboren tot Leyden, den Uilen Martii stylo novo des jaers 
XÇVI smergens een cleyn quartier uyrs voor zevenen. 

Andries, geboren tot Leyden den XXIen Novembris stylo novo des jaers 
XCVII smergens een weyntch voor vier uyren. 

Ende Susanna, geboren tot Leyden den XXen Augusti stylo novo des 
jaers LCIX snaermiddachs een weynich naer half drie uyren. 

Van welcke kinderen de voorn. HESTER zedert ooc es overleden opten 
XVIen Augusti XVIc savonts voor negen uyren. 

Gemaect bij mij Joan van Hout, deser stadt Leyden secretarys ende 
openbaer notarys etc. ten overstaen van Wynant Linclaen ende Christoffer 
Heller 1 ) als gelooflicke getuygen" etc. 

De inventaris wordt in tegenwoordigheid van Hester de la Faille en 
Andries van der Meulen als „testamenteur ende executeur van de voors. 
uyterste wille' 1 , eerst opgemaakt op 31 October 1600, „deurdien de wedue eenen 
tijt lang uyt tsterfhuys es vertrokken geweest, alsoemen meynde ende hielt de 
voorn. VAN DER Moelen aen een heete ende besmettelicke siecte te zijn gestorven." 
Vooraf wordt bepaald, dat Hester DE LA Faille tegen taxatieprijs meest 
alle „roerende goeden, zonderlinge de geene die deur het dagelix gebruyc meest 
slytelicken ende verganckelicken zijn aen haer zal behouden." 

Voor het onderhoud van de kinderen zal de moeder 25 ponden vlaems 
per jaer van elk ontvangen. 

Eerst komen nu de kleeren van Daniel, die den kinderen alleen toekomen. 
Daar zijn blauw camelotten nachttabaarden „mit fluwelen banden, gevoert mit 
maerters" en ook van „purpurlaecken," „bombasynen wambeysen" en zwart fluwelen 

1) Waarschijnlijk oen later Remonstrantse!) predikant. Zie tam der Aa i.T. CHaiSTomL Hellerus. 
Wijnant Linclaen komt ook roor onder de de bi te u ren der firma hierachter. 



164 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

broeken, geborduurd mit „saeyen neerbasen," ook wit satijnen en wit „armoysijnen 
wambaysen," laarzen en muilen met het wapen der VAN DER MEULENS aan de 
eene zijde en dat der DE LA Faille's aan de andere, „harnasch", rapieren en inge- 
legde vuurroeren enz. enz. alles op een waarde van 122 ponden 3 st getaxeerd. 
Volgen op fo. CXIII va de „juwelen de weduwe toecomende, zijnde van 
zodanigen gewichten als volcht, opt verclaren van NlCLAES DE Witte, juwelier." 
HESTER stond er namelijk op, dat ook deze werden geïnventariseerd, hoewel ze 
krachtens het testament haar persoonlijk eigendom bleven. Uit de talrijke gouden 
ringen, braceletten, ketenen enz. noteer ik hier slechts een paar nummers, 
i. Een gouden keten wegende zeventien onchen, een engelsche. 

2. Een paar schone cartantte brasseletten, verchiert mit diamanten enpaerlen. 

3. Een bage mit zes diamanten ende drie paerlen. 

12. Een gouden tepel, wegende veertien engelsche. 

13. Een gesneden gouden medaille of geboortpenning van ANDRIESKEN van 
DER Moelen wegende zestien engelsche. 

14. Een gouden ovael mit de effigie van zalige Daniel van DER MOELEN 
geconterfeyt wegende dertien ende een halve engelschen. 

16. Een medaille van den Prince van Oraengen, wegende negen ende een halve 
engelsche. 

17. Twee cleyne paternosterkens van paerlen mit gouden teeckentgens. 
27. Een gouden muscus-ringsken. 

31. Een gouden huyve 1 ) costelic verchiert mit paerlen. 

32. Noch verscheyden gouden huyven, gouden bursen ende hartekens, geparfu- 
meerde hantschoenen. 

33. Een groen fluwelen naeykussentgen mit gouden passement geboort, daerinne 
zijnde drie coralen paternosterkens ende andere mit paerlen en getten 
teeckenen. 

35. Een groen fluwelen scryfkoockertgen mit meskens, een schaertgen ende 
andere scrijfgereetscappen. 

36. Een schoonen camdouc *) mit cadinetwerc *) deurwrocht ende de canten 
van cadinetwerc daer beneffens mit vier eeckelen mit paerlen verchiert 

Onder het hoofd „Silverwerc gewogen bij Catelyna de Witte, huys- 
vrouwe van Niclaes de Witte" volgen nu op fol. CXIV vo. zes en dertig 
nummers: gedreven schalen, zoutvaten, schenkkannen, „waterpotten" bierbekers, 
meestal met de mededeeling van de keur, vooral Antwerpsche en Delfsche. 



l) Hier in den «in Tan haarband of diadeem. Zie Verdam, III, 773. 

%) Dit woord zoek ik elders vergeefs. Is het misschien een doek, die bij het kappen werd febmikt? 

•) Gevlochten haarwerk? Zie het Fransche cadenette. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 155 

Dan negentig nummers, vormende den volledigen inventaris van het linnen- 
goed (twee en een halve folio bladzij), waaronder verscheiden stukken ongebruikt 
linnen. Verder bedden, waaronder zeven voor de „boye", met toebehooren, 
„Spaensche saergen" gordijnen, een behangsel van „paauwen oogen", een „pavilloen 
van roden baey mit een ledicantgen mit ijser beslagen", goudleer, een „blaeu 
laecken schoucleet mit geele ende blaeuwe fraengen", „ses tapijten zitcussens mit 
rode leeren", verschillende carpetten, de laatste van geringe waarde, stukken 
„incarnaet en gebloemt" satijn, „armoysyn", „gepluyst borat", »root carmosyn 
gefigureert fluweel" Overal worden de afmetingen, gewicht en waarde nauw- 
keurig vermeld. 

Eindelijk komen we op fo. CXXI ro. aan de schilderijen. Dit gedeelte 
laat ik woordelijk in zijn geheel volgen: 

Schilderijen, al van olyverwe op paneelen. 

i. Een schoon heerlic stuck van een Italiaensche vrouwe, zeer constich gemaect 
van een onbekent meester, gepryseert op drieentachtich ponden, zts schel- 
lingen acht groten, mer alsoe de wedue tselve vercoren heeft voor haer 
voordeel hier niet. 

2. Noch een groot tavereel, de historie van Susanna, twerc zijnde van meester 
Christiaen 1 ) van den Broucke op tien ponden X £. 

3. Een tavereel van St. Antonys becoringe mit twee deuren, wesende tpanneel 
te midden gescheurt op vijf ende twintich ponden XXV £ . 

4. Een tafereel van St.'Cristofiel, wesende een nacht ende twerc van meester 
Herry*) op zestien ponden, dertien schellingen, vier groten XVI £, XIII S, IUI Gr. 

5. Een tavereel van Magdalena, op drie ponden III £. 

6. Een tavereel van een vrouwe mit een kint opten schoot op twee ponden 
dertien schellingen, vier groten II £, XIII S, IUI Gr. 

7. Een schilderije van de offerhande van de drie Coningen op vier schellingen. IIII S. 

8. Tafconterfeytsel van Sr. Jan della Faille den ouden. •) 

9. Tafconterfeytsel *) van Andries van der Moelen. •) 

10. Twee afconterfeytsels van zalige Daniel van der Moelen. ') 

i) In Deel I, 314*0. staat Crispiaen tan den Brouc, wat 's mans ware naam is. Zie o. a. van Mander 
(1618) fol. 161 to. Crispiaut vak den Broeoke schilderde o. a. ook de triptiek voor Plaityn. Zie Max 
Rooses, Chb. Plantin, Anv. 1883. 

t) Hbrry de Bles van Bovignes, tan Mandée 141 ro. 

8) In deel I 305 r*. staat hierbij: „m$n vader saliger." Hester heeft een groot deel van den inventaris 
in dL I seif geschienen. Over de schilderten is rij veel beknopter dan de hier gegeven tekst 

4) In deel I hierbij het woord „cleyn". 

5) Hester schrijft steeds „van der Meulbn". 

•) Van Hout had in 1606 in rijn „voorhuys" hangen »d'afeonterfevtinge van Za. Daniel van der 
Meulbn", blijkens xijn inventaris. 



156 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

ii. Twee afconterfeytsels van Joncvrouwe Hester della Faille. 

12. De afconterfeytsels van Cornelia, Hester» Daniel, Lucretia, Emilia 
ende Hansken. 

Alle welcke afconterfeytsels om redenen niet zijn gepryseert. 

13. Twee clavecimbelen, deen groot, dander cleyn, tsamen op vijf ponden V *. 
Somma vande voors. schilderijen behalven het ongepryseerdeLV II £, X S, VHIGr. 

Onder de talrijke „ledicanten, kasten, buffetten, scappraeyen, tafelen, 
perssen, bancken, stoelen' 9 enz., die nu aan de beurt komen, trekken de aandacht 
„twee preecstoelen l ) tsamen op zes schellingen 91 geschat; ze worden voor de 
weduwe behouden. 

Er is 259 pond nieuw Engelsch tinwerk, vooreen waarde van 192.9 s. 6 gr. 
en „noch hondert acht en tachtig ponden out tin, twelc dagelix wert gebruyct, 
tot een schelling tpont" Verder verscheidene koperen ketels, pasteipannen, 
taartpannen, een geutelingpot *) een „geel coperen potscheel *)" ook „potheysen, 
beddepannen en kandelaren, lantaerns, vysels en hoegels"* 

Onder het hoofd „Alrehanden huysraet" vinden we twee raefhoyen *), 
twee varekens 1 ), twee cleerborstels, tsamen vier schellingen, 91 een „baeckermat" 
en een „kersbanc" •), een „blouwel" 7 ) en een blouweelbanc. 

Eerst 26 November was men klaar met den inventaris der roerende goede- 
ren en werd hij door de belanghebbenden onderteekend. Het weinige, dat ik er uit 
aanteekende is voldoende om te bewijzen, dat de inrichting van Daniels huis, die 
van een zeer gefortuneerd burger moet geweest zijn. 

De getuige Cristoffer Heller had intusschen op zestien door van Hout 
„gecoteerde bladen" den catalogus van Daniel van der Meulen's bibliotheek 
samengesteld en aangezien men besloten had de boeken te verkoopen, vond men 
het gewenscht dien kataloog bij Plantijn te laten drukken, om de zaak „te 
meer ruchtbaer te maecken ende de gegaijngden te verwittigen, wat boucken in 
de voorsz. biblioteque zijn.' 1 Een exemplaar van dien gedrukten kataloog zou bij 
den inventaris worden gevoegd. *) 

„Mer zijn uyt voorsz. biblioteeke om onvercoft te blijven ende tot bevor- 
derynge van de voorgenomen vlijt ende studiën van Daniel van DER MOELEN 



l) Vouwstoelen (Mnl. Wb. VI, 643). 

9) Waarschijnlijk een pot Tan gegoten metaal. Zie Ned. Wb. op goteling. 

8) Wel hetzelfde als potscel en potheyte = pothengsel. (Zie MnL Wdb.) 

4) Raagbol. 

•) Waarschijnlijk rege ra, in Zoid-Holland nog varkens genoemd. 

•) Een bak voor de kaarsen? 

7) Bij de wasch gebruikt. Zie Ned. Wb. 

* Tot mijn spjjt heb ik desen kataloog vergeefs gezocht. De Heeren OvsavQOftDE, MoLBUlSftK en 
Max Roosbs konden er mij geen inlichtingen over verschaffen. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 157 

de jonge gebruyct te werden, afgescheyden de volgende boucken" fo. CXX VI r<>. 
tls niet zonder belang na te gaan, wat men voor den ruim elfjarigen Daniel 
uit zijns vaders bibliotheek bij elkaar heeft gezocht, om in zijn naaste toekomst 
bij zijn studiéh van dienst te zijn. We krijgen op die manier een aardig over- 
zicht van wat men aan het eind der zestiende eeuw voor een aankomend student 
wel het noodigste achtte. Ik neem daarom deze lijst hier over. tls merkwaardig, 
dat er onder al die boeken misschien slechts één Hollandsch werk en dan nog 
wel een vertaling voorkomt, en misschien nog een Hollandsche vertaling van Apol- 
linaris. 't Is bovendien nog niet eens zeker, dat het een Hollandsche vertaling 
van de Amadis is geweest. En dan een enkel Fransch werk. De rest is alles 
Latijn en Grieksch, auteurs en wetenschappelijke werken van de zestiende eeuw. 
Lipsius en Scaliger zijn goed vertegenwoordigd. 

In folio. 

Thycidides, grece et latine. Henr. Steph. 1564. 

CORNELII Taciti opera cum notis J. Lipsii, in auro, Lugd. Bat. 1589. 

ISOCRATES, grece et latine, cum notis Wolphii, Basil. 1570. 

P. VIRGILIUS, cum notis Servii, 1600. 

Juvenalis et Persius, cum notis Coelii, Basil 1551. 

JOSEPHI Scaligeri Cyclometrica, in auro, Lugd. 1594. 

ATHENEUS, Latine, Lugd. 1583. Pausanias, grece et latine, Francof. 1583. 

Lexicon greco-latinum BUDEI, CONSTANTINl, Tusani, Crispini, 6(?) 

In quarto. 

Ptolomei Geographia, Colon. 
Collectanea. 

HORATIUS, cum notis CrucqüII, Lugd. Bat. 
Scaliger, De origine gentis Scaliger. 
De quadrante geometrico. CORNELIUS de Judeis. 
Suetonius cum notis Tarentini, in auro. 
PoMPONius Mela. 

Officia Ciceronis cum notis Erasmi. 
Grammatica Hebrea Cleonardi. 
Lipsii Militia romana, Antv. 
Lipsii Opera critica, in auro, Lugd. Bat. 
Lipsii Saturnalia et de amphiteatro, in auro, Lugd. Bat. 
Lipsii De recta pronuntiatione, in auro. 
Meditationes in grammaticam grecam. 
Oud-Holland, 1908. 21 



160 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Rccckeningen van Arnoult Geraerts in Cortrycke. 

Recckeningen angaende Hans van de Corput. 

Rceckcningcn van ROBRECHT en LOUYS LE CLERC in Valenchyn. 

Recckeningen van Jean Willemijn in Rijssel. 

Reeckeningen van Hans Berrewijns in Hamborch. 

Reeckeningen van CASPAR CROON in Auxborch. 

Reeckeningen aengaende de Compagnie mit FRANCHOYS PlERENS ende 
Anthoine Lempereur. 

Reeckeningen van alle hier bovengenoemde landen en plaetsen. 

Scriftueren angaende de differenten tusschen Everaerd BECHER (?) ende 
Antoyne Hallet ende Compagnie. 

Noch een bondelken geintituleert: Brieven van Monsr. DE BUSENVAL, 
embassadeur van den Coninck van Vranckrijck. 

Maar men ziet het, het zijn niets dan namen en nog eens namen, bladzijden 
vol. Daar is Loys Perez, l ) Bartholomew Griphius, *) Jacob Cabeljau, Pierre 
Maillet, Franchois Pierens, Gramaye etc. Talrijke namen, die van belang 
kunnen zijn voor de genealogie der familie DE LA Faille, een Jan, CHARLES, 
Marten, Sibilla enz. allen tot de familie van Hester behoorende. Ik moet er mij 
hier toe bepalen, de aandacht op deze lijsten te hebben gevestigd. In al hun 
tergende dorheid kunnen ze toch voor wie zich in de geschiedenis der VAN DER 
Meulens wil inwerken van groot belang zijn, en wie zich met de handelsgeschie- 
denis in het algemeen ophoudt, bieden ze misschien allerlei aardige gezichtspunten 
voor den omvang der relation eener zestiende-eeuwsche groote firma. 

't Is lang niet onwaarschijnlijk, dat Rammelman Elsevier, blijkens het 
hiervoor aangeteekende, de collectie stukken geheel of gedeeltelijk in handen 
heeft gehad en heeft doorgezien en 't is vrijwel onverantwoordelijk, dat hij geen 
enkele nadere aanwijzing heeft gedaan aangaande de herkomst en den inhoud, 
tenzij hij op het uitdrukkelijk verbod der bezitters heeft gestuit. Ik hoop zeer, 
dat dit mijn overzicht onder de oogen van de tegenwoordige eigenaars komen 
zal en dat het een kleine opwekking mocht zijn om hunne schatten ter beschik- 
king van de historische wetenschap te stellen. ") 

Dan volgt in den inventaris de lijst der „Onroerende goeden, huysen, 
landen, renten" enz, Daaruit blijkt, dat Daniel bezeten heeft: „Eerst een 



l) Een Spaansch koopman gevestigd te Antwerpen. Hij en zijn zoon Martin waren de executeurs 
van Plantin's testament van 1588. Rooses, Plantin, p. 140 en 257. 

a) Va» der Aa inv. Grtphius? 

8) Mocht een van de lezers van Oud-Holland mij een aanwijzing kunnen geven over de vindplaats 
van de collectie, dan houd ik mij bijzonder aanbevolen. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 161 

huysinge ende erve, daerinne zaliger VAN DER Meulen es overleden, staende 
binnen Leyden aen Rapenborch tegens over het Princenlogement." De tuin kwam 
uit achter „opt Zant". Verder nog „een huysinge ende erve mede op Rapen- 
borch, zuytwaerts van de voorgaende principale huysinge, de welcke bewoont 
wert bij Crispijn DE LA Frange, verwer." Die „principale huysinge' 1 is blijkbaar 
de woning, vroeger bewoond door den curator PAULUS Buys, zij toch alleen 
beslaat op de kaart van DuLMANHORST en Dou een zoo aanzienlijk terrein, dat 
met den tuin aan het Zand uitkwam. 1 ) 

Uit het vervolg van deze afdeeling leert men uitvoerig de overige bezit- 
tingen van Daniel kennen, als daar zijn verschillende hoeven en stukken land, 
ook nog een paar huizen in Antwerpen, één in „de Maire" en één in de buurt 
van de „Börse." 

Op folo. CXXXVI ro. komt: „Belangende alle de partyen in tgemeen 
staende tusschen Andries van der Meulen ende zaliger Daniel van der 
Meulen volgende een grotenbouc geteyckent Nuo C, daervan gehouden by 
Abraham Borrewyns, beschreven tot IICXL gecoteerde bladeren, dezelve zyn 
opten XXVen j u i y XVIC by de voorsz. Borrewyns tsamen getrocken in de 
Bilance alhier geinsereert." 

Het boekdeel, dat ons een zoo prachtig overzicht zou kunnen geven over 
heel den handel en het bedrijf der firma, is helaas niet tot onze beschikking en 
we moeten ons tevreden stellen met de zeer beknopte „Bilance", die, tot hoeveel 
vraagteekens ze ook aanleiding geeft, ons ten minste iets doet bevroeden van 
den omvang der zaken en van de verschillende handelsbetrekkingen. Het voor- 
naamste feit, dat uit deze lijst duidelijk blijkt, is wel, dat de gebroeders VAN DER 
Meulen in betrekking gestaan hebben tot verscheidene overzeesche handels- 
ondernemingen of ontdekkingstochten uit het laatst der zestiende eeuw. 

In het origineel staan voor de bedragen cijfers, die verwijzen naar het 
uitvoerig overzicht van BORREWYNS. Ik heb die hier maar weggelaten. 

Eerst de partijen ter rechterzijde, in debet staende. 

Franchois Pierens, Antonie Lempereur ende de Compagnye 875 £. 1 S. 6 gr. 

De colonel Olivier van den Tempel *) 76—1 — 10 — 

Hans van der Meulen in Middelborch 213 — 5 — o — 

Daniel Bombergen •) 8—8—8 — 

Alexandro Bossa ende compagnye 97 — 12 — o — 



l) Plette, Leyden voor 300 jaar en thans, pag. 58 en 98 en kaart N«. XIII. 

1) Zie mijn vorig artikel over het Protocol, onder No. 8. 

8) De Bombergens waren associés van Plantin. Zie Rooses, p. 96. 



160 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Reeckcningen van Arnoult Geraerts in Cortrycke. 

Reeckeningen angaende Hans van de CORPUT. 

Reeckcningen van ROBRECHT en LOUYS LE CLERC in Valenchyn. 

Reeckeningen van Jean WlLLEMlJN in Rijssel. 

Reeckeningen van Hans Berrewijns in Hamborch. 

Reeckeningen van Caspar Croon in Auxborch. 

Reeckeningen aengaende de Compagnie mit FRANCHOYS Pierens ende 
Anthoine Lempereur. 

Reeckeningen van alle hier bovengenoemde landen en plaetsen. 

Scriftueren angaende de differenten tusschen EVERAERD BECHER (?) ende 
Antoyne Hallet ende Compagnie. 

Noch een bondelken geintituleert: Brieven van Monsr. DE BUSENVAL, 
embassadeur van den Coninck van Vranckrijck. 

Maar men ziet het, het zijn niets dan namen en nog eens namen, bladzijden 
vol. Daar is Loys Perez, *) Bartholomeus Griphius, *) Jacob Cabeljau, Pierre 
Maillet, Franchois Pierens, Gramaye etc. Talrijke namen, die van belang 
kunnen zijn voor de genealogie der familie DE LA Faille, een Jan, CHARLES, 
Marten, Sibilla enz. allen tot de familie van Hester behoorende. Ik moet er mij 
hier toe bepalen, de aandacht op deze lijsten te hebben gevestigd. In al hun 
tergende dorheid kunnen ze toch voor wie zich in de geschiedenis der VAN DER 
Meulens wil inwerken van groot belang zijn, en wie zich met de handelsgeschie- 
denis in het algemeen ophoudt, bieden ze misschien allerlei aardige gezichtspunten 
voor den omvang der relation eener zestiende-eeuwsche groote firma. 

't Is lang niet onwaarschijnlijk, dat RAMMELMAN ELSEVIER, blijkens het 
hiervoor aangeteekende, de collectie stukken geheel of gedeeltelijk in handen 
heeft gehad en heeft doorgezien en 't is vrijwel onverantwoordelijk, dat hij geen 
enkele nadere aanwijzing heeft gedaan aangaande de herkomst en den inhoud, 
tenzij hij op het uitdrukkelijk verbod der bezitters heeft gestuit. Ik hoop zeer, 
dat dit mijn overzicht onder de oogen van de tegenwoordige eigenaars komen 
zal en dat het een kleine opwekking mocht zijn om hunne schatten ter beschik- 
king van de historische wetenschap te stellen. ") 

Dan volgt in den inventaris de lijst der „Onroerende goeden, huysen, 
landen, renten" enz, Daaruit blijkt, dat Daniel bezeten heeft: „Eerst een 



l) Een Spaansch koopman gevestigd te Antwerpen. Hij en zijn zoon Martin waren de executeurs 
van Plantin's testament van 1588. Rooses, Plantin, p. 140 en 257. 

*) Va» der Aa inv. Grtphius? 

8) Mocht een van de lezers van Oud-Holland mij een aanwijzing kunnen geven over de vindplaats 
van de collectie, dan houd ik mij bijzonder aanbevolen. 



UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 161 

huysinge ende erve, daerinne zaliger VAN DER MEULEN es overleden, staende 
binnen Ley den aen Rapenborch tegens over het Princenlogement." De tuin kwam 
uit achter „opt Zant". Verder nog „een huysinge ende erve mede op Rapen- 
borch, zuytwaerts van de voorgaende principale huysinge, de welcke bewoont 
wert bij Crispijn DE LA Frange, verwer." Die „principale huysinge" is blijkbaar 
de woning, vroeger bewoond door den curator PAULUS Buys, zij toch alleen 
beslaat op de kaart van DuLMANHORST en Dou een zoo aanzienlijk terrein, dat 
met den tuin aan het Zand uitkwam. 1 ) 

Uit het vervolg van deze afdeeling leert men uitvoerig de overige bezit- 
tingen van Daniel kennen, als daar zijn verschillende hoeven en stukken land, 
ook nog een paar huizen in Antwerpen, één in „de Maire" en één in de buurt 
van de „Börse." 

Op folo. CXXXVI ro. komt: „Belangende alle de partyen in tgemeen 
staende tusschen Andries van der Meulen ende zaliger Daniel van der 
Meulen volgende een grotenbouc geteyckent Nuo C. f daervan gehouden by 
Abraham Borrewyns, beschreven tot IICXL gecoteerde bladeren, dezelve zyn 
opten XXVen July XVIC by de voorsz. BORREWYNS tsamen getrocken in de 
Bilance alhier geinsereert." 

Het boekdeel, dat ons een zoo prachtig overzicht zou kunnen geven over 
heel den handel en het bedrijf der firma, is helaas niet tot onze beschikking en 
we moeten ons tevreden stellen met de zeer beknopte „ Bilance", die, tot hoeveel 
vraagteekens ze ook aanleiding geeft, ons ten minste iets doet bevroeden van 
den omvang der zaken en van de verschillende handelsbetrekkingen. Het voor- 
naamste feit, dat uit deze lijst duidelijk blijkt, is wel, dat de gebroeders van DER 
Meulen in betrekking gestaan hebben tot verscheidene overzeesche handels- 
ondernemingen of ontdekkingstochten uit het laatst der zestiende eeuw. 

In het origineel staan voor de bedragen cijfers, die verwijzen naar het 
uitvoerig overzicht van BORREWYNS. Ik heb die hier maar weggelaten. 

Eerst de partijen ter rechterzijde, in debet staende. 

Franchois Pierens, Antonie Lempereur ende de Compagnye 87 5 £. 1 S. 6 gr. 

De colonel Olivier van den Tempel *) 76—1 — 10 — 

Hans van der Meulen in Middelborch 213 — 5 — — 

Daniel Bombergen •) 8—8—8 — 

Alexandro Bossa ende compagnye 97 — 12 — — 



l) Plettb, Leyden voor 300 jaar en thans, pag. 58 en 98 en kaart N«. XIII. 

■) Zie mijn vorig artikel over het Protocol, onder No. 8. 

ft) De Bombergens waren associés van Plantin. Zie Rooses, p. 96. 



162 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Jacques della Faille ') a conto van trctour van den 

eersten Ruyter ») 42 £ 19 S. I gr. 

JOHAN BUECKENTOP. ; 91 — O — 8 — 

Penningen genantiseert •) onder de magistraat van Amsterdam 30 — 8 — 7 — 
Vachetti in handen van GERARDO MaHIEU 4 ) 23—12—8 — 

WlJNANT LlNCLAEN . . 29 — 17 — IO — 

HEYNRIC GOVAERTS 8— I— 4 — 

Jan Geeraerts tot Delff 33—6—8 — 

Pastel van St Michiel in handen van NlCLAES MALAPERT 6— 5— o — 

Jasper Nollens tot Leyden 25—18 — o — 

Jacques van Scheppestede tot Hamborch 348 — 2 — 6 — 

Oncosten ten laste van de participanten inde voyage naar 

Oost Indien n_8— 2 — 

Voyage naer Oost Indien onder Hans VAN DER VEECKEN *) 

ende PiETER Verhagen •) 2200 — o — o — 

Wouter Aertsz. a conto courant 54 — 13 — 2 — 

DiDERiCH Weyer. . . , 19— 3—4 — 

Voyage naar Guinea ende West Indien onder JACQUES DE 

Velaer 7 ) 40— o— o — 

JACOP jANSzn; •) in Middelborch . . . 400 — O— O — 

Jacques della Faille a conto courant 542 — 14 — 4 — 

NICOLAES Viguer tot Parijs 25 — o — o — 

De Stadt van Leyderi 44 — 1—5 — 

Hans van der Veecken, tot Rotterdam 41 — 17 — 1 — 

Voyage naar St. Thomé •) mit het schip den Hermyte l0 ). . 350— O — O — 

i) Een André de la Faille vaart als concurrent van De Moucheion op Guinea, De Jonge, 
Opkomst, I, p. 38. 

*) Waarschijnlijk de naam van een schip. 

*) Namptiseeren komt bij Meyer (Woordenschat) voor als te borde brengen, in bewaardershand stellen. 

*) Protocol II, 56 een testament (in het Fransen) van Marie Carliers, weduwe van NlCLAES Mahieu, 
18 Jan. 1587, en II, 174 Huwelijksvoorwaarden van de weduwe van een Jan NlCLAES toon M ahieü, Dec. 1600. 
Een Jacques Mahu vaart op Indië. 

ft) Koopman en bankier te Rotterdam, geldschieter van koningen en 's lands staten, de Hollandsche 
Fugger. Als reeder laat hij reizen naar Indien, de Westkust van Afrika en om de wereld ondernemen. Zie 
de Jonge, Opkomst, I, p. 47. 

e) Pieter van der Hagen, ook een Rotter damsch koopman. Passim bij de Jonge. 

7 ) Neemt deel aan den tocht naar Guinea, Indien en China, De Jonge I, p. 38, 103, ai8. 

8) Een Jacob Janszn. is stunrman op een der schepen, die in 1595 de eerste reis naar Indië doen. 
De Jonge, II, p. 188. 

9) Zeer waarschijnlijk de tocht onder leiding van Pieter van der Does, waarbij dese (na een niet 
onbelangrijk succes) en rijn neef George (de zoon van Janus Douza) omkomen. Zie De Jonge, I, 5z vif • 
en van der Aa i.v. George van der Does. 

10 ) Een schip en zoo ook Generaal Kerchoven hieronder. Schepen werd dus toen reeds naar nög levende 
kooplieden genoemd. 



UIT HETNOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 163 

Voyage naer Guinea ende Benijn mit het schip den groenen 

papegay . 24 — 10 — o — 

Voyage naer St. Thomé mit het schip De drie Coningen 400 — o — o — 

Voyage naer Angola ende Soffala mit De generael Kerchoven 1000 — o — o — 

SiON Lus(?) 1 ) . . . 55— 9— 4 — 

Nieuwe compagnie van handelinge mit Niclaes Malapert 17476 — 9 — 9 — 

Cassa in handen van Abraham Berrewyns . 79 — 18 — 9 — 

Jacques de Velaer a conto van Pastel 9^8 — 3 — 7 — 

Franchois Walderius 1 ) 7 — o — o — 

Somma . . 25602 — 2 — 3 — 

Volgen nu de partijen ter slincker zijde, in credit staende. 

De kinderen van Jan Zegers 1 ) . 31 £ 10 S. 1 gr. 

Erfgenamen van zaliger Jo. Elys ABETH ZEGERS, onse moeder 210 — 4 — 2 — 

GUILLAM PROVOST 60O — O— O — 

Andries ende Daniel van der Meulen, Franchois 
Pierens ende Anthoyne LEMPEREUR, legatarissen vant 

testament van A. DE Bannos 1402 — 9 — 11 — 

Abraham Berrewyns 77 — 3—4 — 

Victor de Boys 4 ) 124— 6 — 3 — 

Jan Vivien ende compagnie op rekeninge van de voyage 

naar Oost Indien . . 500 — o — o — 

Willem Schuyl op reeckeninge van de voyage naar Oost- 
Indien 150 — o — o — 

Jacques de Velaer op reeckeninge van de voyage naer 

Oost Indien 650 — o — o 

Anthoyne Hallet op reeckeninge vande voyage naer 

Oost Indien 300 — o — o 

GOVAERT MONTENS •) 310— 5 — - o — 

Anthoyne Hallet 12— o~ o — 



i) Misschien te lezen SiMO* Lus. In Oud-Holland, 1904, p. 68 komt voor een Sr. Simon Lus, Controllern- 
▼an de licenten tot Eynthoven. Deze zou een afstammeling kunnen rijn. 

3) In Deel I staat VALERIUS. 

8) Natuurlijk wel een bloedverwant van Daniel's moed«. 

4) Het Protocol, II, p. C XL, bevat de huwelijksvoorwaarden van een Victor du Bois, geboren van 
Meenen, poorter van Leyden, geassisteerd met Jannekev Walops, wed. van Jan de Boys, geb. te Meenen, 
zijn moeder, en Niclaes de Zottere, koopman te Leyden. Hij trouwt met Agathe de Man, wed. van 
Jan Niclaes Mahieu (8 Dec. 1600). En 5 Aug. 1604 huwelijksvoorwaarden van een Piet er Huygensoon 
de Boys, capiteyn der schutterye te Leyden. (II, p. CLXII en IIOIII). 

*) Dit kan de burgemeester van Breda geweest zQn. Zie VAR der Aa, i. v. 



164 UIT HET NOTARIS-PROTOCOL VAN JAN VAN HOUT. 

Josina van Lannoy, vroue van St. Aldegonde 554— 10 — 3 — 

Anneken Zegers 11— 3 — 1 — 

Hans van de Corput 1 ) 919 — 18 — 11 — 

Andries van der Meulen a conto particulier 11566— 6 — 1 — 

Jan Vivien ende compagnye op rekeninge van de voyage 

naar Angola etc 400 — o— o — 

Anthoyne Hallet op rekeninge van de voyage naar 

Angola 400 — O — o — 

Jan Viyien ende compagnye op rekeninge vande voyage 

naer St. Thomé 160—0—0 — 

Anthoyne Hallet op reeckeninge van de voyage naer 

St. Thomé 160— O— O — 

Jan Vivien op rekeninge van de voyage naer St. Thomé 

mit den Hermyt 140 — O — o — 

Anthoyne Hallet op reeckeninge van de voyage naer 

St. Thomé voorsz 140 — O — O — 

PlETER jANSzn 369— 4— II — 

Anthoyne Lempereur 533 — o — 9 — 

Daniel van der Meulen a conto particulier 5579 — 11 — 8 — 

Hans van den Corput op rekeninge van de voyage naer 

Oost Indien 300 — o — O — 

Somma . . 25602 — 2 — 3 — 

Ten slotte vermeld ik nog, dat op folo. CL v<> een ^huyrcedulle" voorkomt 
tusschen Hester de la Faille en Cristiaen Mussen, die belangrijke dingen 
kan bevatten voor wie den stamboom der de la Faille's wil samen tellen. Dit 
zelfde geldt in mindere mate van een paar procuraties op folo. CXCVIII v*. en 
IICIIII vo. 

l) Dit kan de bekende verdediger van Steenwijk geweest zijn. Deze was de coon van een JOHAV VAN 
de* Corput en Anthonia Montrns en werd geboren te Breda. Een andere Johan tan den Corput ig 
de soon van Anjta tan der Meulen en Sbverijn tav den Corput en was vaandrig van den admiraal Mahu. 



OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE 



DOOR 

A. J. SERVAAS VAN ROOYEN. 




i EN MAAL bestond in den Haag 't „glashuis". Gelegenheid 
vonden we daarover te spreken in den Nederlandschen 
Kunstbode l ) van 1881. Eerst over DE Voix, aan wien door 
den Haagschen Magistraat iooo gulden was verstrekt op 
onderpand van een „quantiteyt glasen" ter waarde van 
ƒ I200, — , en later over Hendrick Heuck, den reeds 
genoemden DE Voix, Le Sage en het glashuis. *) 
Na dien tijd verzamelden we nog allerlei aanteekeningen 
welke we belangrijk genoeg achten om ze door den druk te vereeuwigen. Eerst iets 
over glasblazers te Rotterdam. 

Van 20 October 1640 is eene verklaring van JOHAN Zon en AuGUSTlNO 
Perugino, uit naam van Sieur Vincent Castagna, constateerende te hebben 
gehuurd en in htm dienst genomen „bonnest homme Santo Tiralago"; 15 
October 1641 compareeren Johan Zon, Augustin Perugino en Vincent 
Castagna: „ils se sont accordeez par ensemble et ce touchant toutes sortes de 
verres au christallin et autres choses que les diets Augustin et Vincent en 

l) bi. 279. 
t) bl. 333» 334. 
Oud-Holland, 1908. 22 



166 OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE 

feront à Rotterdam et autres lieux ou quilz travailleront à la forme des verres 
de Venise lesquelles deux maistres en considération que ledit Sr. JOHAN ZON 
leur a sollicité et obtenu des octroies et privilèges/ 1 

Op 22 April 1642 lezen we : „VlNCENTlO Castangna et AUOUSTINO 
PERUGENO maistres faiseurs des verres christallines a la forme de Venise a 
Rotterdam lesquelles confessaient estre redevuables au Sieur JOHAN Zon la 
somme de sept mille florins procédant d'argent à leur preste pour commencer à 
faire le diets verres et cequi depend de la dite art." 

Uit eene nadere acte blijkt, dat deze JOHAN Zon betiteld werd als 
„l'illustrissime Seigneur, résident de la tres illustrissime république de Venise pres 
les Estats généraux des Pays-Bas". In die acte wordt hem afgevraagd „s'il luy 
plaise deslivrer de l'arrêt les vairres et utensile de notre compagnie". 

In 1647 woonde in den Haag Mr. Robbert POSTER, die aannam een. 
jongen de kunst te leeren van „Emaus-^wercken ende glaesblaesen"» 

In 1659 vinden we genoemd ESTIENNE Blondel die spiegels zou hebben 
gegoten. 2 ) We komen hem nog eens tegen op 23 Juli 1664 als Mr. robijnslijper, 
in gezelschap van een anderen robijnsnijder Daniel LAURENS. We teekenden 
er bij aan dat Jean Denis Poucet leerling was van Blondel. Er is daarbij 
sprake van twaalf dozijn spiegelsteenen tegen 5 à 6 stuivers 't stuk. Volgens 
VAN Dale, Woordenboek der Ned. Taal, 1884, wordt daardoor aangewezen een 
soort van spaath. 

Steven (Estienne) Blondel, robijnslijper in den Haag, neemt aan 
Bastiaen van Schoonderhage, eveneens in den Haag, te zullen leeren „sija 
kunst van robijnen en andere gesteenten te sullen können prepareeren ende 
slijpen, daeronder begrepen het verven ende couleureren van allerhande gesteen- 
ten, het slijpen van hoorlogecassen, signetten, pendanten, voor 50 carolusguldens 
eens sonder meer". 

Het robijnslijpers vak was wel in de mode in de 17e eeuw. 

Zoo vonden we op 17 Juni 1669 dat Mr. Adrianus Petit, Mr. robijn- 
slijper in den Haag aanneemt om aan Sulpice Francelles in anderhalf jaar 
robijnen als andere gesteenten te leeren slijpen. In 1670 vinden we in de ooievaar- 
stad genoemd Daniel Louwerus, als Mr. Robijnslijper, terwijl 10 October 1693 
Velix PlGOT of PiGGOTT als robijnslijper een huis te Delft huurt. •) 

Vrij belangrijk is eene acte van 24 Februari 1676. 4 ) Daarin gaat NlCOLAES 
AERSCHOT, vader van Francoys Aerschot, een accoord aan met JOHANNES 

l ) Van Esmaut, Hal. = Email, Fr. 

*) 19 Nov. 1659, acte nots. Da hiel Lr Thuiller, den Haag. 

8) Acte v. Notaris P. v. Steelandt. 

*) Notaris Egb. tan der Pyll, 's Gravenhage. 



OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE. 167 

LONDERSLOOT, robijn slijper. LONDERSLOOT verbindt zich, FRANÇOYS binnen 
drie jaar „bequaem te maecken omme te connen slijpen robijnen, hiacynthen 
saphieren, amatisten ende andere, egeene ter weerelt uytgesondert, ende soo 
FRANÇOYS niet bequaem en mochte sijn binnen dien tijd ende sulcx toequam 
door desselfs meester, soo sal sijn meester gehouden sijn hem hetselve soodanigh 
te onderwijsen, dat hij daertoe bequaem wort geoordeelt" j 

Na dit kleine uitstapje in de vroegere robijnindustrie keeren we tot de 
glaskunst terug. 

Eerst eene verklaring van 3 Maart 167 1 l ) van Ferdinandus Partzer 
en Nicolaas Mason ten verzoeke van Joseph Wiliant te Brussel, thans in 
den Haag, „dat onder andere discourssen, die comparanten hadden met Hendrick 
Luck (bedoeld wordt Heuck) christalyne glasblaser alhier, over t maecken van 
christalynen glasen, dese seyde, dat sijn materie van christal beter was dan 
t cristal van Venetien". 

Op 26 Juni 1670 verklaarden NiCOLAO Pollade en Johan EUGEROO, 
kristalblazers in den Haag, ter requisitie van Sieur ARON MORIEUX, koopman, 
mede in den Haag, dat requirant heeft vertoond te Amsterdam aan zeker koopman 
een kastje van „cristeleyn". 

Ook vinden we genoemd 10 Augustus 1672 Sr. Hendrick Heuck, 
„meester van de christalblaserye alhier in den Haag, en Matheus du Quesne, 
glasdriller alhier.' 1 

Dezen Heuck vinden we terug in eene advertentie in No. 36 van de 
„Amsterdamse Donderdaghsche Courant 19 van 5 September 1675. Zij is belangrijk 
genoeg om hier geheel over te nemen. 

y, Alsoo de Kristal-blasery van den Heer Kapiteyn Heuck in 's Gravenhagen, 
vermits den Oorlogh eenige tijt heeft stil gestaen, soo wort bekent gemaeckt, 
dat sijn Ed van meeninge is om de selve jegens den Winter wederom in 
driederhande qualiteyten te beginnen, om onghemeyn wit kristal de Montaingne 
en wonderlijcke wercken daer van te fourneren tot cieraet selfs van Saletten, en 
Tafel Sarvisen, soo Lampetten, Schotels, Teljooren, Kandelaers en Soutvaten, 
en voort wat tot een Tafel behoort. Item, Kroonen, Pilaren en Knoopen in 
Ledicanten, Tafels, tot Ceridoms, Koel va ten, Brant-ysers, compartementen om 
Hantblakers en Tabeletten, Wijn en Bier Glasen, en Botteljens, en alles voor een 
civile prijs; daer is noyt diergelijcke soo in schoonheyt van cristal als curieusheyt 
van wercken in de Werelt gesien. Ten tweeden, oock ongemeene witte kristalyne 
Glazen, voor een ordinäre prijs, also die van Venetien, Parijs, Verduyn, Barse* 

i) Nots. Adr. v. d. Hbydb. 

22* 



168 OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE. 

robe, Luyck of anderen 07t gelevert of verkoft hebben. En ten derden, sal daer 
geblasen werden schoon wit vensterglas, als oock ront vierkant en ovael, tot 
Koetsen en Kaiessen, en sulcx door driederhande Meesters de beste die in de 
Werelt te bekomen sijn. En alsoo tot dese driederhande wercken wel drie 
Voorsorgers, Opsichters en Boeckhouders vereysschen, en den Inventeur en 
Eygenaer vermits den hoogen ouderdom, en sich oock eenige nieuwe inventien 
ten dienste van t Lant geengageert hebbende, en sonder soons, daer door on* 
machtigh is om dit alles alleen te kunnen gouverneren en nasien, soo soude den 
voorsz. Inventeur wel twee of drie participanten met hem in Compagnie willen 
nemen, en sulcx onder civile conditie, en sodanig dat de Liefhebbers buyten 
schade sullen gegarandeert werden; en also gemelten Heer HEUCK in ervaringe 
is gekomen, dat eenige sijn werck na botsen, en daer mede in dese Geünieerde 
Provintien gaen venten en useren, soo wert mits desen een yder die het aengaen 
mach gewaerschout, dat het selve strijdigh is jegens syn verkregen Octroyen 
van haer Ho: Mo: synde op yder stuck een boete van drie hondert gulden, te 
appliceren na behooren." 

Zie over dezen HEUCK en zijne verdere inventies Oud-Holland XX, bl. lev, 
In 1678 was hij overleden. Uit den inventaris l ) van zijne nagelaten 
goederen blijkt dat hij naliet „buyten de prov. Gelderlandt ende besonderlyck 
in de Prov. v. Holland" een huis aan de Nieuwe Bierkade ; goederen op de „glas- 
camer" en goederen int „glashuis". Iets duister is de in ventarispost : „Twe vaten 
met gemaecte fruyte om glas af te maccken" liggende in 't koetshuis. 

Heel fortuinlijk ging 't nooit in den Haag met de glasblazerij. Dat blijkt 
uit eene acte van 21 September 1704 f ) waarin wordt medegedeeld, dat THEODATÜS 
DE Vois, Mr. van het glashuis in gebreke was gebleven te betalen ƒ 882 voor 
loodwit. In 17 13 stond Hendrik Le Sage aan het hoofd. De glasblazerij was 
afgebrand, en na aan het college van „de Sociëteit" gepresenteerd te hebben een 
request, waarbij hij te kennen gaf „syn ongeluck van het afbrande der glasblazerij, 
in den 'Haag, waar door hij genootsaeckt was op nieuwe op te bouwen", en hij 
verzocht met geen verhooging van verponding te worden bezwaard, maar te 
blijven staan op 11 gulden, werd hem zijn verzoek geaccordeerd. •) 

Op 20 Juli 1722 werd permissie gegeven tot het oprichten van eene 
glasblazerij aan de Dunne Bierkade, op de plaats der vroegere zeepziederij. 
Firmanten waren A. en D. VAN DOOLEN, W. HENSBOOM en W. VAN DlJCK. 



*) Nou. D. v. D. Bossche. Voor deze zaak is 't geheele register interessant. 
*) Nots. Terbeeck t. Coesfelt. 
*) ResoL Sociëteit 14 Not. 



OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE. 169 

Nader werd daartoe gedespecieerd een erf of tuin behoorende a.d. Predikant 
Grommé, staande in het Voorburgstraatje. 

Op 22 Oct, 1725 werd toegezegd eene jaarlijksche bijdrrage v./ 300 („Wet") 
voor den tijd van zes jaren, doch 29 Mei 1726 werd, door die van den Haag, 
geld op intrest geweigerd. 

DiEUDONNÉ DE Voix Burgemeesteren verzocht hebbende eene tegemoet- 
koming om zijne glasblazerij van Amersfoort naar den Haag over te brengen, 
werd hem toegestaan om van Le Sage in huur aan te nemen een erf voorheen 
aan hem behoord hebbende, en eerder aan Mr. Joh. v. BANCHEM, a.d. Westsingel. 
Deze beruchte Schout had daarop twee huizen doen bouwen. De huurprijs was 
slechts ƒ 600 wijl zulks werd gedaan op hoop van commercie in den Haag van 
tijd tot tijd te krijgen, en naderhand werden hem nog meer gelden voorge- 
schoten. 

Al de namen welke we genoemd hebben, klinken als van Franschen oor- 
sprong. Hierdoor wordt gesteund wat Jhr. Mr. W. E. J. Berg schrijft op 
bladz. 201 van zijn werk *): „ofschoon er buiten die van Haarlem nog eene 
spiegelglas- en ruitenfabriek bestaan heeft in den Haag, naar hetgeen Savary in 
Diet, de Comm. III 1 198 ons vermeldt, is het schier zeker, dat in die fabrieken 
réfugiés zullen hebben gewerkt". 

Ten slotte memoreeren we dat er oók leefde Corn. Pytersz., glasschrijver en 
glasmaker, die een menigte schilderijen bezat, zonder 't jaar te weten; dat van 19 April 
1 637 een contract bestaat „van de compagnie ende Societeyt omme salpeter te maecken, 

testwerek te smelten, mitsgaders eenige f> f ^ £^*U^*£>*^'1>CjC* *) 

ende redüctien van metallen, item eenich starek water te trecken ende olye 
vitiroell" 8 ), en dat op 18 Mei 1707 PlETER NOBLETH en ANDRIES SAVANjE(hij 
teekent zich Dr. A. Salvanie) na t einde van de Haagsche kermis met elkaar 
aanvaarden een compagnie van „lacqwerck met alle de ap- en dependentiën". 
Chronologisch noemen we ten slotte 

1596. Bourgons glas. 
1 63 5 . Terpentynkanne. 

Moscovisch glas (een printken becleet met moscovisch glas.) 
1639. Vier pimpelkens of brandewijn kroeskens. 



1) De Réfugiés in de Nederlanden, xe deeL Amsterdam 1845. 

t) Voor mij onleesbaar. 

8) Nots. Nie. Claase Mot, Leiden. Zie ook de acte Tan 28 Dec. 1635, No. 201. 



170 OVER GLASBLAZERS HIER TE LANDE, 

Een momglas. 
Een hooch mom glaesge. 
Een clockglas sonder voet. 
Een glase kelckge met een suygertge. 

Een glas met olie van tegelen, ende een glas met anijsolie, ende 
noch een glas met balsem olie. 

1666. Een clapmuts-romer. 

1667. Drie marmelade glaesies. 

1781. Een oud hoog en groen singulier ! ). 
Ander glazen, kannen en flesschen. 



l) Invet*, t. Mr. C. J. van Rbnsssr. 




EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN 

VAN WILLEM III 



DOOR 

ED. VAN BIEMA. 




E Europeesche Mercurius van de maand Juni 1699, ver- 
meldde het volgende: 

„Den 8sten der maand wierd zekere messemaakers- 
knecht geboortig van Lotharingen, en voormaals soldaat 
en deserteur geweest, die den Koning van Groot Britanje 
door het vergiftigen van Messen, (die hij voorgaf, vermits 
zijn meester gewoon was de zelven voor zijne Majesteit 
te maaken, gelegenheid te weeten om op des Konings 
tafel te doen komen) indien men hem daar een belooning voor wilde geven, 
gelijk hij zulks aan eenige persoonen had voorgeslagen, om 't leven wilde brengen, 
volgens Sententie van het Hof van Justitie met den swaarde gestraft, en zijn hoofd 
op de Rijswijksche weg op een staak, en het ligchaam op een rad gelegt." 

Omstandige relazen van de aanslagen op het leven van Willem III vormden 
een vruchtbaar onderwerp voor zekere schrijvers van die dagen. Zoo verscheen 
er in het jaar 1696 te Londen een werkje dat den titel droeg van: 

„An impartial history of the plots and conspiracies against the life of His 
Sacred Majesty King William III, contried and carried on by the pernicious 
councils and Devices of our professed Enemies at the Court of France, managed 
by their Emissaries at Home and Abroad." 

Het boek scheen veel aftrek te vinden want het beleefde eene tweede 
uitgave in het volgende jaar 1697. 



172 EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN VAN WILLEM UL 

De aanslag in de Europeesche Mercurius vermeld is van betrekkelijk geringe 
bekendheid en daar wij in de gelegenheid waren van de daarop betrekking 
hebbende stukken in de gerechtelijke archieven kennis te nemen, willen wij 
daaromtrent het een en ander mede deelen. 

De schuldige, Nicolas Jacot of Jacquot, op het tijdstip zijner arrestatie 
messenmaker in dienst van SlMON Pezé, „coutelier du Roy" te 's-Gravenhage, 
telde omstreeks 32 jaren. Hij was geboortig van Ligne-en-Barrois in Lotharingen 
en beleed den Roomschen godsdienst. Zijne gevangenneming had plaats op het einde 
van de maand April 1699. Het beroep van messen maker oefende hij slechts 
tijdelijk uit; zijn eigenlijke loopbaan was die van soldaat. 

Even als zoo vele beroepssoldaten uit die dagen, maakte hij er zich 
volstrekt geen gewetenswroeging over, beurt om beurt de beide oorlogvoerende 
partijen, Frankrijk en Holland te dienen. 

Wanneer zulks hem voordeelig voorkwam liet hij zijn Fransch regiment 
in den steek om over te loopen naai* Hollandsche zijde. 

Zoo had hij onder Franschen vlag gediend in het regement Zwitsers van 
den kolonel Court. Hij deserteerde en kwam na eenige omzwervingen in den 
Haag, alwaar hij werk vond bij den messenmaker des konings, PEZÉ. . 

Na tien maanden bij dien patroon gewerkt te hebben verdween hij wederom 
uit 's-Gravenhage. 

Het schijnt dat hij toen dienst nam in het regiment van den Hertog van 
Holstein in de soldij der republiek en dat hij o.a. ook te Amsterdam in garni- 
zoen gelegen heeft. Van daar werd zijn regiment naar Nieuwpoort gedirigeerd 
en vervolgens naar Dixmuiden, alwaar hij met de gansche bezetting door de 
Franschen krijgsgevangen werd genomen. 

Het zij ons vergund even uit te wijden over dit punt. De Fransche Maar- 
schalk DE VlLLEROY, die geen kans zag om den Prins van VaüDEMONT in de Zui- 
delijke Nederlanden afbreuk te doen, zond den Graaf DE MONTAL met eenige troepen 
af om Dixmuiden te overmeesteren. Ellenberg, of ook ELLENBERGER, voerde het 
commando over de plaats, die slecht versterkt was. Na eene flauwe verdediging 
van slechts 36 uren capituleerde hij den 28 Juli 1695 en gaf de bezetting krijgs- 
gevangen. Generaal ELLENBERGER werd wegens deze laffe overgave voor een krijgs- 
gerecht gedaagd, schuldig bevonden aan lafhartigheid en met den zwaarde gestraft. 

Pamflet No. 14045 in de Kon. Bibl. geeft over dit vonnis nadere 
opheldering. Het is getiteld: „Sentence prononcée par le Grand Conseil de Guerre, 
Commandé du Roy d'Angleterre, tenu à Gand, depuis le 19 Octobre jusques an 
4 Novembre 1695." 

De aanklacht was gericht tegen al de hoofdofficieren, die bevel gevoer4 



EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN VAN WILLEM IIL 173 

hadden over de bezetting van Dixmuiden. Het vonnis tegen den commandant 
Ellenberger luidde als volgt: 

„Joan Anthoine Ellenberger, cy devant Gouverneur de la ville de 
Dixmuyde, a été assiégé par le corps du Comte de Mont al le 25, de Juillet 
passé, a eu 8 Regimens d'Infanterie & un Regiment de Dragons, genz tout portez 
à se défendre jusques au dernier, a eu bonne Artillerie, Munition, Poudre, Armes, 
& Vivres en abondance, s'est rendu aux Ennemis le 28« Juillet passé, par une 
Capitulation toute honteuse, au grand préjudice du Roi d'Angleterre & de ses 
Alliez, sans avoir attendu un assaut, sans avoir eu Brèche, ouvrage pris, & 
tres-peu de monde tué, est condamné d'avoir la tête tranchée, & ses biens dans 
ce Pays-cy confisquez, & employez pour remettre le Regiment qu' il a eu." 

De hoofdofficieren James Lesle, Richard Brewer, Charles Graham 
en LOUIS AVER, werden van hunne rangen vervallen verklaard. De overige 
betrokken aanvoerders werden vrijgesproken, „les recommandant à leurs maîtres 
comme Gens d'Honneur et de Mérite." 

Onder de laatsten telde men ook François Philippe Plato, Luitenant 
Kolonel en Commandant van het regiment Infanterie van Jonge Holstein, waarbij 
JACOT gediend had. De voltrekking van het vonnis aan ELLENBERGER vond 
plaats te Gent buiten de Antwerpsche poort op 30 November 1695. Hij was 58 
jaar oud, en had van gemeen soldaat af alle rangen doorloopen, zonder ooit een 
berisping te hebben verdiend. 

Keeren wij na deze afdwaling terug tot onzen vriend Jacot, die door het 
slechte voorbeeld zijner superieuren wellicht werd aangezet om het Hollandsche 
vaandel te verlaten en zich bij de Franschen te voegen. Ten minste wij verne- 
men uit de stukken, dat hij dienst nam bij het Fransche regiment Zwitsers van 
Kolonel Court. Lang bleef hij niet trouw aan dit vendel, want hij deserteerde 
opnieuw en nam de wijk naar 's-Gravenhage. 

In het voorjaar van 1697 klopte hij ten andere male aan bij zijn vroegeren 
meester PÉZÉ. Deze nam hem weer in dienst en hij bleef onafgebroken bij hem 
werkzaam tot op het noodlottige oogenblik, toen hij in minder aangename aan- 
raking kwam met den Hoofd- officier der stad 's-Gravenhage. 

JACOT was getrouwd en had een kind; hij woonde met zijn gezin in bij 
eene kaaskoopster, die haar nering uitoefende in het huis waar de drie kazen 
uithingen, in het Blaeuwe Straetje in de onmiddelijke nabijheid van de Begijnstraat. 

Hij was een der vele individuen, die in den loop der regeering van 
Willem III uit winstbejag of uit dweepzucht een aanslag beraamden op het 
leven van dezen Vorst. 

Hier bleef het slechts bij het plan; het kwam zelfs niet tot een begin van 
Oud-Holland, 1908. 23 



174 EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN VAN WILLEM in. 

uitvoering, doordien de zaak ruchtbaar werd en de justitie de hand op JACOT legde. 

Door wien de justitie eene aanwijzing omtrent Jacot's misdadige bedoe- 
lingen kreeg, blijkt niet uit de stukken, doch men mag wel aannemen, dat dit 
geschiedde van de zijde der Fransche ambassade, tot welke onze messenmaker zich 
persoonlijk met het aanbod gewend had om den Koning uit den weg te ruimen. 

Op 29 April werd hij op bevel van de justitie op de Voorpoort gebracht om 
daar nacht en dag door een dienaar bewaakt te worden. Zijne goederen werden 
onderzocht en al datgene wat suspitie zou kunnen geven, ten hove gedeponeerd. 

Tezelfdertijd werden zijne twee kameraden, werkzaam bij Pezé, en de 
meester zelf, ieder afzonderlijk op de Voorpoort opgesloten. 

Ook het huis en den inboedel van Pezé werden aan een nauwkeurig 
onderzoek onderworpen. 

Het scheen dat Jacot reeds lang rondging met de gedachte om den 
koning te vermoorden, want hij bekende er herhaalde malen over gesproken te 
hebben met zijn kameraad, Laurens Villemars, geboortig uit het stadje Thuin 
in het land van Luik, die sedert October 1698 met hem bij Pezé werkte. 
VlLLEMARS had hem altijd ernstig aangemaand dit misdadige denkbeeld op te 
geven. De verdachte werd gedurende den loop der zaak aan twee verhooren 
onderworpen, waarvan wij de hoofdtrekken zullen mededeelen. 

Deze verhooren hadden waarschijnlijk plaats op 29 en 30 April. 

Op een dag toen Jacot bezig was met het smeden van messen, en zijn 
patroon daarop zijn merk zette, zeide hij tot zijn kameraad VlLLEMARS, dat is 
een goed diep merk; alle messen des konings dragen dit merk. Het is heel 
gevaarlijk, de koning van Frankrijk zou zulks niet gedoogen, omdat men er zoo 
gemakkelijk vergif in kan doen. De getuigenis zijner kamaraden en van zijn patroon 
luidden het tegendeel van ongunstig voor den verdachte. Men kon niets kwaads 
te zijnen laste zeggen en men roemde hem als een ijverig werkman, die trouw 
ter mis ging in de kerk der Fransche Ambassade en zich nooit in afkeurende 
termen over den koning van Engeland had uitgelaten. SlMON Pezé was even 
positief in zijn gunstig oordeel, en deelde verder mede, dat hij geregeld de 
messen van 's konings tafel kreeg om die te slijpen; wanneer er veel werk was 
en hij het volhandig had, belastte hij zijne knechts daarmede. 

«Een andere kameraad van Jacot, Jean Chorin, van Coromarin in Pro- 
vence, die sedert den 10 Juni 1698 bij Pezé in dienst was, kon evenzoo niet 
anders dan goeds van den eerste zeggen. Deze dronk niet, vloekte nooit, was 
geen losbol en werkte altijd zeer vlijtig. 

Jacot vervoegde zich op 27 April ten huize van den Franschen Ambas- 
sadeur de Bonrepos, waar hij den portier verzocht om den Secretaris van den 
Ambassadeur, den Heer de Campredon, te mogen spreken. 



EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN VAN WILLEM UI. 175 

Door den portier bij den Secretaris geleid, vroeg hij hem alleen te mogen 
spreken, daar hij hem eene hoogst gewichtige mededeeling wenschte te doen. 
Toen de portier op last van den Secretaris het vertrek verlaten had, vroeg Jacot 
of er in de Ambassade niemand was, die in dienst stond van den verdreven 
koning van Engeland. 

Hij deelde toen den Secretaris mede, dat hij een onfeilbaar middel bezat 
om messen te vergiftigen, zonder dat ooit iemand zou kunnen ontdekken, dat hij 
op deze wijze den koning Willem III uit den weg zou hebbeii geruimd. 

Toen vertelde hij den Secretaris, dat hij in dienst zijnde bij 's konings 
messenmaker PEZÉ, alwaar al de tafelmessen des vorsten gebracht werden om 
schoon gemaakt te worden, de gelegenheid had en het middel bezat om den 
koning te vergiftigen. 

Monsieur DE CAMPREDON antwoordde hem daarop, dat aangezien er nu 
vrede tusschen de beide staten heerschte, men niet naar zulke middelen behoefde 
te grijpen en niet wenschte den koning uit den weg te ruimen. Hij trachtte 
hem van zijn voornemen af te brengen en vroeg hem hoe hij op de gedachte 
van een koningsmoord gekomen was, waarop Jacot hem antwoordde: Koning 
Willem heeft wel een anderen koning onttroond. 

Jacot herinnerde zich niet of hij den secretaris DE Campredon geld 
gevraagd had voor de uitvoering van zijn plan. Wel was hij voornemens ge- 
weest een som gelds te vragen om den Haag te kunnen verlaten en zich in 
Brabant als messenmaker te vestigen. Hij bekende het eerst over de zaak ge- 
sproken te hebben met den koetsier van den Franschen gezant, dien hij kende 
omdat deze van tijd tot tijd in Pezé's winkel kwam om daar messen te 
brengen, die geslepen moesten worden. 

Dit eerste gesprek met den koetsier hield hij bij het uitgaan der mis in het 
Fransche gezantschapsgebouw, en hij vroeg hem toen ook of er in de ambassade 
niemand was, die in betrekking stond tot den verdreven Engelschen koning. 

De koetsier zeide toen niets met de zaak te maken te willen hebben en 
dat Jacot zich maar moest wenden tot den eersten secretaris. 

Naderhand had de messenmaker den koetsier nog drie of vier malen over 
zijn plan onderhouden. 

Bij het tweede verhoor beweerde hij nooit de intentie gehad te hebben, 
zijn plan ten uitvoer te brengen, doch dat hij slechts beoogde, door dit middel 
wat geld te krijgen, en dan de stad te verlaten. Niemand had hem tot de daad 
aangezet. Noch zijn meester, noch zijne kameraden, noch zijne vrouw, noch 
iemand anders ter wereld, hadden daarvan kennis gehad. Hij was de eenige 
schuldige, en hij werd op de gedachte gebracht, door de in den winkel gevoerde 

23* 



176 EEN WEINIG BEKENDE AANSLAG OP HET LEVEN VAN WILLEM Itt. 

gesprekken over de geruchten van plannen om den koning van Engeland het 
leven te benemen. 

Op 4 Mei werd besloten Jacot te brengen ter scherper examen „omme 
van denselven te onderstaan de circumstantien van het faict en syne complices." 

Op 6 Mei werd geresolveert den gevangene niet te brengen ter torture, 
maar alleenlijk te presenteeren de torture en sulx ad actum proximum omme 
syne complices ende circumstancien te weten. 

De gevangene werd daarop in den kelder gebracht alwaar de folterwerk- 
tuigen stonden, ontkleed en gebonden, daar hij echter niet anders bekennen 
wilde, dan hij reeds bekend had, werd hij wederom naar boven geleid. 

Lang behoefde hij niet te wachten op de beslissing van zijn lot. 

Reeds vier dagen later werd zijn vonnis gewezen, waarbij hij ter dood 
werd veroordeeld. 

Het vonnis luidde als volgt: 

„Soo heeft het voorszeyde Hoff met rijpe deliberatie van raede doorgesien 
ende overwogen hebbende alle 't gene ter materie dienende is, ende heeft mogen 
moveren, reght doende uyt den name ende van wegen de Hoge Overheyt ende 
Graeffelijkheyt van Hollant, Zeelant, en Vrieslant, verclaart den gevangen begaan 
te hebben crimen laesae Majestatis ; condemneert hem gebragt te werden ter 
plaetse daer men gewoont is criminele justitie te doen, ende aldaer metten swaerde 
te werden geexecuteert datter de doodt na volgt, ende desselfs lighaem gelegt 
te werden op een radt, ende thooft gesteh op een staeck; verclaert alle zyne 
goederen ten behoeve van de Hoge Overheyt geconfisqueerd ende condemneert 
hem inde costen ende mise van justitie tot tauxatie ende moderatie van de 
voorzeyde Hove. Gedaen in den Hage bij de Heeren ende Meesters FREDERIK 
Sluysken Praesident, Matheus Gool, Benjamin Fagel Heere van ter Weer, 
Johan Munter, François Keetlaer, Paul André van der Meulen, Jacob 
Vallensis, Anthonis Slicher, Frederik Rosenboom ende Adriaen Pieter 
d'Hinojosa, raets luyden van Hollant, ende gepronuncieert k den VHIe Mey XVIC 
negen ende 't negentich. In kennisse van mij 

Ant. van Kunschot. 1699. 

Zoo veroordeelde een rechtscollege in de 17e eeuw iemand ter dood, omdat 
hij schuldig was bevonden aan het koesteren van een misdadig voornemen terwijl 
aan dit voornemen een der voornaamste eischen van strafbaarheid ontbrak, 
namelijk het begin van uitvoering. 

Iets dergelijks is heden ten dage gelukkig niet meer denkbaar. 
's-Gravenhage, December 1907. 



Kunst in de archieven van Vianen, 



DOOR 

M» PETER VAN MEURS. 




I. 



E oude archieven van Vianen bevinden zich gedeeltelijk 
op het raadhuis van de gemeente, t. w. de administra- 
tieve stukken, gedeeltelijk op het Algemeen Rijksarchief, 
t. w. de rechterlijke stukken. 

Men vindt er enkele inventarissen en andere 
stukken onder van eenig algemeen belang, betreffende 
de goederen van de Brederode's, en eenige andere, waarin 
melding van schilderijen of schilders gemaakt wordt. 



STUKKEN BETREFFENDE DE GOEDEREN VAN 
DE BREDERODE'S. 



De stad Vianen met het omliggende land vormde lang het gebied van de 
Brederode's, tot het uitsterven van dit geslacht in December 1684, nieuwe stijl. 
Zij bewoonden er het huis Batestein, en bezaten in het Viaansche bosch een 
zomerhuis Amelestein. Van zoo'n vermaard geslacht, dat zich vermaagschapte 
met geslachten als die van NASSAU, SOLMS, DONA en tal van andere van den 
hoogsten Europeeschen adel, is het niet onbelangrijk, de inrichting en meu- 
beleering van zijn woning te leeren kennen, waardoor men tevens met veel 
schilderijen, voorwerpen van amber, terpentijn, lakwerk, albast, kristal, schildpad, 
zilver, porselein, merken van linnen, enz. kennis maakt. Ik laat daarom eenige 
inventarissen van goederen VAN Brederode's volgen, met weglating alleen van 



178 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

den inhoud van meubelenkamers en andere geheel onbeduidende vertrekken en 
plaatsen. Van een tweetal inventarissen van minder beteekenis deelde de Heer 
J. H. Hofman den inhoud reeds mee in de Bijdragen voor vaderlandsche geschie- 
denis $n oudheidkunde, 3e reeks, III, 293 — 301. Uit een uiterste- wilsbeschikking 
geef ik een aanhaling betreffende een kunstvoorwerp. Vooraf laat ik een drietal 
verklaringen betreffende den burgerlijken staat van Brederode's en Dona's gaan, 
omdat ze de onderlinge verhouding tusschen de personen die in de andere stukken 
voorkomen, doen kennen. Deze verklaringen, naar de oorspronkelijke op het 

gemeente-archief, luiden : 

1. 
Wij, schout, borgemeesteren ende regeerders der stede Vianen, certificeeren bij desen, dat 
Sijn Excellentie den Heere Wolferd van Brederode, vrijheere van Vianen, Ameyde etc, is 
overleden den ^e Junij 1679, ende de Hooggebore froulijn Hetwich Agnes van Brederode, 
vrij vrouwe van Vianen, Ameyde etc, den 27e November 1684 o.s. Des t' oirconde etc. den 50e 
September 1707. 

2. 

Wg, schout, borgemeesteren en regeerders der stede Vianen, certificeeren bij desen, dat 
de Hooggeborene Vrouwe Marie Louise, gravinne van Dona, tsedert de maend Maij XVI 
agt-en-tnegentig binnen Vianen gedurig heeft gewoond, en dat sij in den jare XVII c -en-een is 
getroud in de kerke aldaer met den Heere De La Claveliere, die tsedert ook gedurig met 
haer in deselve stad gewoond heeft en nog woont. Des t' oirkonde hebben wij het stadssegel 
op 't spatium deses doen drucken den ie October 1707. 

3- 
MEMORIE. 

Johan Wolferd van Brederode is in tweeden houwelijke getroud met Louise Christine, 
gravinne van Solms in het jaer 1637. Hg is gestorven den 3e September 1655. 

Louise Christine, gravinne van Solms is gestorven in Maert 1669. 

Henrik van Brederode, outste soon uyt dat houwelijk, is geboren den 28e November 
1638, gestorven den ie Julij 1657. 

Wolferd van Brederode, tweede zoon uut dat huwelijk, is geboren den 18e November 
1649, gestorven den 17e Junij 1679. 

Hetwig Agnes van Brederode, derde dogter uyt dat huwelijk, is geboren den ióe 
Augusti 1643, gestorven den 27e November 1684. 

Louise Christine van Brederode, oudste dogter uyt dat huwelijk, is geboren den 31e 
December 1639, en getroud met Fabiaen, grave van Dona, in 't jaer 1658. Sij is gestorven in 
't eerste van 't jaer 1660, nalatende een dogter, Maria Louise van Dona, gedoopt den 3e 
Martij 1660, en getroud met Samson de l'Homme in 't jaer 1701. 

Gemelte Fabiaen, grave van Dona, is gestorven, soo men berigt word, doe fijne voor- 
noemde dogter seven jaren en eenige maenden oud was, en dus vóór de dood van haer grood- 
moeder Louise Christine, gravinne van Solms, douairière van Brederode. 

Wij, drossard, schout, borgemeesteren en regeerders der stede Vianen, certificeeren bij 
desen, dat ons door suffisante bewijsen is gebleeken, dat de tijd van geboorte, huwelijk en dood 
van de illustre persoonen, bij de voorenstaende memorie genoemd, daerin respectivelijk conform 
de waerheyd is gesteld, uytgesonderd alleen, dat ons geen genoegsaem J>ewijs vertoond is 
aengaende den sterftijd van den Heere grave Fabiaen van Dona. 

T' oirkonde hebben wjj dese met het stadssegel bekragtigd, en door onsen secretaris doen 
onderteykenen den 7e April 171 1. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



179 



Hier volgen nu de opgaven uit de inventarissen en de uiterste-wils- 
beschikking (A— D): 

A. UIT DE INVENTARISSEN VAN DE GOEDEREN OP HET HUIS 
BATESTEIN, ') JUNI 1646. 

De eerste van deze inventarissen bevat 171 schilderijen, waarbij ik„dege- 
broocke graeff VAN MANSVELT" op de joffrouwekamer meereken, behalve de 
prenten, geslachtboomen, „de twaelff keysers" en „'t wappen van Brederode en 
Nassouw" in de zaal, en de kaart. 

In hoofdzaak luiden de inventarissen aldus: 

Inventaris van de meubelen die bevonden sijn op den huyse Batestein, gemaeckt 
bij ons, ondergeschreven, door schriftelijcke last van Sijn Excellentie VAN 
Brederode, van date den XVI Junij 1646, in 't bijwesen van Haer 
Genade VAN POTELITS, op den (sic) Junij daeraenvolgende. 



Eer stelij eken de MEUBELE, zijnde in 

de blouwe earner e bevonden: 
Acht stucken tapijts met personage, sijnde de 

historij van Cadmis. 
Een root carmesijnfluweell leedekant-be- 

hangsell met rabate onder ende booven, 

geboort langs-afT met passemente, toesoiers , 

met beheemelse ende bonnegrasis, alles 

compleet. 
Een eyeke ledikant met 4 bollen, daerop : 
Een sprij van root fluwell daerop, alleens 

geboort, ge voedert met root arremesrjn. 

De gardijne van damast. 
Een root fluweell taeffellkleet, alleens geboort, 

op een eyeke taefïell met een kleet van 

root leer daerover. 
Vier rootfluweele armstoellen. 
Ses andere mantsstoelen van root fluwell. 
Vier roode vouwstoelen van root flawetl. 
Een fijn bed met brede blouwe streepen, BC. 
Twe oorkussens ende hooftpeulie van 'tselve, 

met een matras van blauw en wit gestreept» 
Een oudt kort tapijt-viue. 
Een wit tierentij beddecleet. 
Twe deeckens, een root en een wit. 
Twe koopere brandtisers. 
Een isere schup en tang met koopere knopen. 
Een bedtpan. 

Een schilderij vóór de schorsteen, van Bijlert. 
Een kort blouw gardjjn vóór de venster. 

>) Deze twee inventarissen sijn achter elkaar geschreven. Het stuk bevindt sich in het Rijksarchief. 
s) Zeker de beginletters van Johan WOLKEET (van Brederode) en sijn eerste vrouw Anna 
(van Nassau). 



In de garderoop: 

Een behangsell van kraeckstoff, met bloemen 

van root en donckergroen. 
Drie stoelen sonder leunen met groene franie. 
Een groote ander stoell met geele etc. 
Een hoatwerek ledikant met 2 vergulde appelen« 
Een bed met sijn hooffpeulie en een kussen 

met breede blauwe streepen. 
Een roode en een witte deecken, geteeckent 

GC-IWA.*) 
Een beddecleet van tierentij, geteeckent als 

booven. 
Een taeffeltgen van eyeken, met een root 

geblomt cleet. 
En swart vierkant koffer, daer men de kussens 

in leyt. 

De gravenkamer boven de blouwe 
kamer y off schilderij camer: 

Acht stucken tapijts, met één vóór de schor- 
steen van Fulasie. 
Een-en- twgntich stuck schilderijs als: 
Heer Reynouwt, Lodkwijck, Heyndrick, 
Walraven, Floris, Heer Walraven de 
■este, Johan Wolphert, Reynout d' leste, 
Sijn Excellencie, toe hij jong was, Mevrouw 
van Horn, 2 Vrouwe van Brederode, 
Vrouw van PoOTELis en Mansouw, en 7 
kinderen. 



180 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



Een ejcke ledikant, met een root scherlaeckens 
behangseil, met armesijn gevoedert, met 
goude passame[n]t, toesoiers ende franjen, 
mette dubbelde rabbatten onder ende booven 
de gardijnen, ende bonegrasis van 'tselve; 
op het ledikant met 4 vergulde ballen. 

De sprey ran 'tselve ende taeffelkleet ut supra, 
doch maer gevoedert met root linnen. 

Een eycken taeffelken. 

Een paeylias van kanefas. 

Een matras van root en blauw gestreept. 

Een root en een witte deecken, geteeckent 
(wit) V (root) BC. 

Vier hooftkussens, geteeckent GC. 

Twe armstoelen ende tien man stoelen van 
root scherlaecken ende vergulde naegels. 

Een stuck oudt tappijt-flue vóór 't bed. 

Twe groene gardijne vóór de vensters. 

Twee brandtgsers met koopere knoopen. 

Een bedtpan. 

In de garderoop: 

Twe oude swarteleere stoelen. 
Een ledikant, daerop een oude deecken, met 
root gevoedert. 

In Zijn Excellentie earner: 

Acht stucken tappijts, van de storie van JOOSEFP. 

Vóór de schorsteen een schilderij van van 
Kampen. 

Een rootfluweell ledikant met zijn heemelse, 
binnen-, buy ten- en onderste rabatten, met 
armesijn gevoedert, met de vier bollen, alles 
geboort met brede goude en siivere pas- 
sementen en groote franien rontom de lisse 
van deselve passementen op de hoecken. 

Daartoe een sprey van root fluweell, geboort 
ende verciert metteselve passementen, 
fraenjen ende lissen. 

Een root fluweell taffelkleet,<fc/wfow gevoedert 
met root linnen; een hoese van root say 
met kleyne fraenjen rontsom het ledikant* 

Twe groote fluweele armstoelen met passe- 
[me]nt, gout en silver, mette fraenjen. 

Ses roode fluweele mansstoelen met fraenjen 
van gout en zij. 

Noch ses tabeletstoelen van 'tselve. 

Een gebordurt Indiaens taeffelcleet. 

Twe eyeke viercante taeffels. 

Een cleyn ront vouwtaeffeltgen vanneuteboo- 
men-hout. 

Een kanefas paeljas. 



Een gestreept satijne matras van blouw en 
geell, met een hoofipeulie daertoe. 

Een bed en peulie met groote blouwe strepen, 
geteeckent MC. 

Drie hooftkussens, geteeckent VBN. 

Noch een, geteeckent IWA. 

Twee koopere brandtijsers met tang endeschup. 

Twee vergulde geeredons. 

Een korolijne kroon met vergulde pjjpen. 

Twee roode gardijnen vóór de vensters. 

Een groote spiegell. 

Een groot tapy-vieu onder 't ledikant. 

Een roodtlaekens vouwscherm. 

In de garderoop* : 

Een behangsel l van geell damast, met linne 

gevoedert. 
Een taeffelkleet van 'tselve. 
Twe tapij-velue taeffelkleden, een op en een 

onder de taeffell. 
Twe eyeke taeffeltgens. 
Twe armstoelen. 
Twe met leunen. 
Twe taboretten, alles van 'tselve font damast, 

met linne kleeden o vertrocken. 
Drie geele gardijnen vóór de vensters. 
Vijflf spiegels, soo groot en cleyn. 
Een hangent tabolettie. 
De prent van den Hoff tot Rijswijck. 
Een teene schermtie met een ijsere voet 
Een heertijser. 

Een schup en tang met coopère knoopen. 
Een vuyre schabellige. 
Ende een oudt blouw stoeltgen. 

In Haer Genade catnenet: 

Een behangsell van goudeleeren blompotten. 
Vier-en-twintich schilderije, altemaell grave 

van Nassauw. 
Noch een nachtbalet. 

Een stuck spoockere [sic] van Sachtlkvsr [sic]. 
Een lantschap. 
Een van Savere. 
De stadt van Vlissingen. 
't Huys te Cleeff. 
De fruytagie van BosgaRT.' 
Een lacke taeffeU, daerop staende een ver- 

silvert kasken. 
Een schabaw met swart fluwell, «ijnde met gout 

en silver geboort, staende op een eyeke voet, 

met een Indiaens linnekleechgen daerover. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



181 



Een hanggent gcsloote glase kas, daerin 

aiderhaude fraicheyt 
Daer boovenop ses posteleyne flessen meteen 

blompok 
Twe hangende taboleties, daerop staende op 

ijder tien stucx posteleyn. 
6 stoelen, twe met armen, twe mans- ende 

twe vouw(sü) -stoelen, alles van Colonbijn- 

fluweell met sjjde fraenjen en vergulde 

naegels. 
Een banckstoeü met geblomtte ueyt fluweell. 
Twe 'groene-armesijn gardijne vóór de vensters. 
In de schorsteen een glaese fles, 
Twe glaese kannekens. 

In Haer Excellence eantoir , 

behangen met vergulde oude leeren met 

schildereyen) daerin: 

Een eycke taeffell. 

Twe vuyre schrage. 

Een vuyre kist met een hangslotie daeran. 

Noch een oude Spaense stoelL 

Een wit mande, daerin een ouwe gefugeerde 

(sic) rock. 
3 paer witte niewe schoenen. 

In de nieuwe anteschanble, 
behangen met groen en silver leér: 

Vóór de schonten een schilderij van het 

huys te Brederode. 
Vier stoelen met leunen van seegroen laecken, 

met wit- en groene-stjde fraynjen. 
Twe vouwstoeltgens, alleens bekleet' 
Een eycken taeffell met een laeckens kleet 

ende fraejnjen van 'tselve. 
Twe brandtijsers met koopere knoopen. 
Een ijsere tang. 
Een groene slaepbanck achter de süverge- 

blomde leeren. 
Een bed ende peulie met breede strepen« 

getejckent IC 
Een roode deecken, met wit gevoedert, IWA. 
Twe oorkussens, geteyckent MC, IWA. 

In 't eantoir van Zijn Excellentie^ 
behangen met groen honscooten: 

Een bgbileteecq, waervan d'inventaris onder 

d' secretaris is berustende. 
Een Spaense armstoell met een root kussen 

daerop. 

Oud-Holland, 1908. 



Achr-en-dartkh conterfeytsels, soo groot ende 

cleyn. 
Een seestorm. 
Een prent van sinode. 
Een heertjjser. 
Een ijsere tang. 
Een schilderij van Haer Genade ioffelijcker 

memorie, sitten[de] op en stoelL 

Boven Sijn Excellencie eantoir: 

Een ledikant, behangen met groene-witte sayen. 
Een oudt bed ende peulie met grooteblouwe 

streepen, geteyckent IWA. 
Twe roode deeekens, geteyckent d' een met 

BC, [d' ander met] IWA. 
Een wit beddekleet, ongeteyekent. 
Een eycke taeffell met een vuyre voet, ende 

een groen cleet daerop. 
Een eycke cas, daarin het fijn lynnewayt 
Een Spaense stoelL 

Een matte stoell, met oudt tapgtkussen daerop. 
Een ijsere tang met een schup. 
Een schorsteencleechie en turfton. 
Een groot silver koelvat 
Een groot viercant plat coffer, soo TRJJNTOEN 

seyt, met de silvere geschulpte schotelen 

daerin. 
Noch een koffer met het silver van Haer 

Excellentie daerin, soo Trtjntgin seyt 

In 't salet A : 

Negen stucken tapijts van de storye van 

Harculus. 
De conterfeytsels van Zgn en Haer Hoocheyt, 

in 't groot 
Zijn en Haer Excellentie, in 't groot. 
De schilderije van Arrestotelks vóór de 

schorsteen met een blauwe-armesgn gardijn. 
Drie groene garebjnen vóór de vensters. 
Twe eycke taeffels. 
Een tapy-vleu op de taeffelL 
Vier-en-twintich stoelen met Engels tappy- 

vleu, daeronder begreepen twe armst oelen. 
Twe kopere brandtijsers, met een Qseretang. 
Een vuyre schencktaeffelge. 

In 't toomken : 

Een konterieytsell van een van de oude beeren. 
Den boom van 't geslacht van 't huys tk 
Brederodk. 

84 



182 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



Den boom van 't geslacht van Nassauw. 
Een oudt taeffeltgen, met een root-hontkoote 

cleet daerop. 
Een vuyre slaepbanck, daerin: 

Een bed ende peulie, geteyckent (beth) 

MG, BH, peulie IWA. 

Twe deeckens, een groen en een blonw. 

Twe oorkussens, geteyckent met lapiens. 
Een secreetstoell, becleet met groen. 
Een Spaense stoelL 

In de saell: 

De twaelff keysers. 

Vier houwte armen met koopere kroonen. 

Drie eycken kassen. 

Twe eeycke schabellen. 

'T wappen van Brkdirodi en Nassouw vóór 

de schorsteen. 
Drie-en-sestich musketten, roers als kaecken. 
Tien oude spiesen. 
Twe ijsere brandtijsers. 

In den hoomeesters kamer aen de saell: 

Een eycke ledikant met groenwolle behang* 

sells, daerop: 

Een bed ende peulie, geteyckent (beth) 

WAXKC, (peulie) VH, IWA. 

Twe kussens, geteyckent VH, IWA. 

Twe deeckens, een blouw en een wit. 
Een eycke taeffell met een groen en swart 

gebiomt cleet daerop. 
Drie Spaense stoelen, soo gesey[t] wort, den 

hooffmeester een aff te competeren. 
Drie koffers. 

Boven den hoomeesters earner: 

Een vuyre koets met blouwe gardijnen en 
een schorsteencleet 

Veell ouwe antijekse drinckglaesen. 

Een S^-Hnybertshorn. 

Veell vlesse met alderley gedisteleerde wa- 
teren. 

Verscheyde bundels met garn ende vlas van 
Haer Excellentie. 

Een ipiegell. 

De caemer op de trap: 

Een vuyre koets met groene gedruckte guar- 

dij[n]en en rabat. 
Een bed ende peulie, geteyckent met een lapie 

van fransijn. 



Twe hooftcussens, d' een met een lapie endt 

d' ander BL. 
Een oudt beddecleet. 
Een groene deecken IWA. 
Een vouwtaenel met een oudt taefieldeet 

2 oude groene stoelen. 
Een wielL 

Ende een teene scherm. 

Op de earner van 7 Freylmg 
van Brederode: 

Acht groote en drie cleyne stocken Enggelsche 

gestreepte tapijt. 
Een ledikant met swart en geell geborduyrt 

fluweell ende dubbelde rabatte onder en 

booven van tselve. 
De gardijnen van geell en swart armesgn. 
Een math van biesen. 
Een matras van blauw en with« 
Een bed ende peulie met cleyne streepen, 

geteyckent BM. 
Twe oorkussens, geteyckent IWA. 
Twe deeckens, een groen BN en een root BC. 
Een tierentey beddecleet, geteyckent IWA. 
Een roll, daerop een bed ende peulie, onge- 

teyekent. 
Twe kussens, geteyckent BC, IWA. 
Een blouwe deecken, geteyckent IWA. 
Een vuyre kist, daer eenich linnen in is. 
Een oude stoell met een turfton. 
Een konterfeytsell van een doot kint 

3 blouwe gardijnen vóór de vensters. 
Vier leunstoelen met gestickte vlammen. 
Een vuyre taeffell met een gtat[r]eept cleet. 
Een tapye-vleu vóór 't bed. 

In 7 gardderoopie: 

Een eycke kasgen. 
Een taeffell. 
Twe betpannen. 
Een vuyre secreetstoell. 

Noch in de ganck % in 't ophoomen: 
Een eyken kas. 

Op de Jojfrowwecamer: 

Een ledikant met een geell en [s]wart gedruckt 

behangsell. 
Een bed ende peulie met blouwe smalle stree- 

piens IWA. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



188 



Twe hooffkussens, getecckent TO, IWA. 
Twe deeckens, een wit, een groen, getecckent 

BC ende IWA. 
Een oudt vujre taeffeltgen. 
3 oude stoelen. 
Een groen kussen met het wapen van Brede- 

rode. 
Twe prentschilderije. 
De gebroocke graeff van Mansvelt. 
Een oudt groen scherm. 
Een blouw kletgen vóór de schorsteen. 

Op de kamer van Freyling Traysiack- 

TEYNE, behangen met Engelsche 

streep kens tat tien stucken: 

Twe tabeletjens, een verguit en een swart. 

Een versierde parlemoers-tack. 

Een oudt ledickant, met swart en geell ge- 
borduyrt mette wapens van Delft, ende geele 
•aye gardijnen. 

Een bed en een peulie, met breede blauwe 
streepen, geteeckent IWA. 

Twe kussens, geteeckent 't een TO, 't an- 
der IWA. 

Een roode Enggelsohe deecken. 

Een roll. 

Een bed ende peulie, geteeckent B C. 

Een groene deecken, met root gevoedert. 

Een oudt taeffeltgen met en lay en een ge- 
streept cleet. 

Twe cleyne viercante stoeltgens. 

Een ijsere tang. 

Een oude blouwe gardijn vóór 't venster. 

En beddecleet, geteeckent VWL. 



Enz. 



Enz. 



Enz. 



Op de meechdekamer : 
Op de meüblecamer: 

Vóór de bottelerij ; 

In de bottelaeriji 



Twe eycke kasten. 

Een eycke rechtbanck. 

Een vuyre taeffeU. 

Een eeycke pars met een mantelstock. 

Een vuyre bancksken met een leun. 

Een vuyre brootkist 



Een keers-lay. 

Ses schilderijen. 

Een coopère coelvath. 

Een copere lantern ende betpan. 

Een disteleerklock. 

Schup en tang van ijter. 

Twe roosters. 

Een wit tobbegen. 

In de kasse gevonden: 

Een parceleyne kanneken met een silvere 

decxsel. 

Een glaese flesche met twee pijpen ende 

silvere vergulde decxsels. 



In de eedtsaell van de knechts: 



Enz. 

In den hooffnieesters eedtzaell: 

Een eycken uytti eckende taeffell. 

Een eycken en een vuyre schabeü. 

Een eleyn schabellichgen. 

Een Spaense stoelL 

Een oudt buffetfe. 

Een eycke oudt koetsledikant met 3 oude 

gardijnen. 
Ende een rabatie daertoe. 

In de ganck nae de keucken : 
Ens. 

In de keucken: 

Vier coopère keetels, groot en cleyn. 

Twe taertpannen. 

Twe coopère scheppers. 

Een cooper pannicken. 

Een cooper doorslach. 

Een vijsell. 

Een coopère schuymspaen. 

Twe ijsere en een coopère braetlepels. 

Twe ijsere braetpannen. 

Drie groote ijsere speeten. 

Twe braetisers. 

Een spit, dat sich selves weynt. 

Een haellboom met vijff hangende haelen. 

Een groote rooster. 

Twe tanggen. 

Een groote ijsere asschup. 

Een ront henggell. 

Een hangijscr. 

Drie emmers. 

Verscheyde eerdewerck. 

24» 



184 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



Enz. 



Enz. 



Opte trap van de keuche: 
Onder d 1 trap : 



In de secretarie: 



Een oud eycke koets met geele- en royesaye 

gardijnen ende rabat. 
Twe taeffeU met eycke blade. 
Twe oude mans- en een vrouwestoelltgen. 
Een vuyre leas. 

Een groot en een cleyn ijsere treft. 
Een groot ijser confoor. 
Een gsere tang. 



In 't washuys: 



Enz. 



Op de wapencamer: 

(Hier worden alleen bedsteden en beddegoed 
vermeld.) 

In de stooff, daer Menvrouwe 

VAN POOTELITS eedt % 
behangen met leeren van swartengout: 
Een swart manshoge armstoell. 

Boven op de vergulde earner 

zijn de gouweleeren ende ledikant gebracht in 

de earner daer Joffirouw van Cloktingen 

gestorven is. 

In de garderoop 

is niet dan 'tgeen de vrouw van Potelis is 

computerende. 

Op de oude hinder kamer tie 
is niet dat Zijn Excellentie compt als 

een cleyn taeffeltge met een oudt blouw. 

laeckens cleet, geboort met passementen, 
vijff Spaense stoelen, 
en een kinder stoeltie met Engels moket. 

Op de kinder earner, 

behangen deurgaens mette Franse 

streepies: 

T paeffelioen en twe ledeeckanten met sijn 
toebehooren, 'twelck mette Freylings overall 
reyst, met verscheyde kindergoet. 



Twe slaepbancken. 

Twe beddens, geteeckent d'eenGC, d' ander 

IWA. 
Twe penlens, d'een GC y d' ander IWA. 
Twe oorkussens IC. 
Drie deeckens, root IWA. 
Een oudt beddecleet. 
Twe cantoirecleeden, groen en swart, leggende 

over de slaebanck. 
i groene scherm. 
Een Spaense stoeU. 

Op de petegoges earner: 

Een vuyre koets met witte liimegardijne,met 

een gesteecke rabbat. 
Een groene deecken, met wit gevoedert, ge* 

teeckent IWA. 
Een achtkant eycke taefièlL 
Een oude vuyre taefièlL 

In de roode kamer % 
behangen mette leeren, goudten root: 

Een eycke ledekant mettet verhemelsse eade 
de rabbe onder en boven van root en wit 
satijn, geborduyrde letteren daerop, met 
root- en witte-armesijne guardijnen ende een 
rollkoets daeronder. 

Een eycke taefièll met een tappie-vlen daerop. 

Twe gesteeckte leunstoelen ende een cleyn. 

In 't eetsaeltgen van de Vrouw 

VAN POTELITS' Volck: 

Een vuyre koets met deure. 
Een eycke kasie. 
Een groote eycke kist 

In de garderoop van royde kamer 

is niet als dat Menvrouw van Potelits ia 

competeren[de]. 

In de garderoop van Venusbergen : 

Een vuyre koets met twe blouwe gedruckte 

saye gardijnen, ende een rabbatüe. 
Vijff conterfeytsels van oude cappiteynen. 

In Venusbergen % 
behangen met witte netten: 
Een eycke buffet. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



185 



Een eycke taefieltie met Oostinjes cleet daerop. 

Een eycke ledekant, met behangseil van blouw 
en swart gedruckt» met ISABKLLlfiraienjen. 

Een bed, een peulie met smalle streepen ge- 
teeckent IWA. 

Twe kussens, geteeckent y^. 

Twe deeckens, een groen, een wit, ge- 
teeckent IWA. 

Een beddecleet, geteeckent IWA. 

Twe Spaense stoelen. 

Twe ijsere brandtijsers. 

Een konterfeytsell. 

Noch een ledecant van gesneden eikenhout, 
behangen met een wit net met witte garen 
frange, sonder bed. 

De groote gaelderij ; 

Twe groote koffers met jjsere banden. 

Drie swarte fluweele stoelen met armen. 

Twe oude groene stoelen. 

Vier schilderijen, soo groot en cleyn. 

Een groote kaert van de Overweert. 

Een prentie, op satijn gedruckt, van een vloot. 

52 konterf eytsels groot en cleyn. 

Vier leere leunstoelen. 

Opte poort, in 7 incoomen : 
Een bed en een peulie met smalle strepen, 

geteeckent IWA. 
Noch een oude gevoeyerde deecken. 



Op de middellcamer : 

Een eycke ledikant met een rootlaecken ver- 
heemelsse, de rabatte onder en booven 
met swart geborduyrten 'fraienjen, ende 
roode-honskoote guardijnen. 

Een bed ende puelie met grote blouwe stre- 
pen, geteeckent IWA. 

Een hooftkussen, geteeckent BC. 

Twe deeckens, een groen, een with, ge- 
teeckent IWA. 

Een vuyre taeffell met een kleet van groe[n] 
en swart daerop. 

Een eycke buffet. 

Twe Spaense stoelen. 

Een oude matstoel. 

Een tapijtkussen. 

Een groene gardijn vóór de venster. 

2 brandtijsers met een ijsere tang. 

De achterkamer van de poort: 

Een vuyre bedtstee. 

Twe gedruckte guardijne met een rabat tie. 

Een eycke buffetie. 

Een ouwe vouwstoell. 



Boven de poort de lackeyekamer : 



Enz. 



TINNEWERCK: 

Enz. 

Twaelff tinne schotels, mede naer het leger genomen. 

Enz. 

COOPERGOEDT: 
Enz. 

Inventaris van wegen 't LINWAYT van Zijn Excellentie van 
BREDERODE op 't huys te Batesteyn tot Vianen, gelijck 
'tselve bevonden is op den XXVen Junij 1646, als volcht: 



Op de groote zaell, in beyde de 

kassen staende: 

(Hier volgen verschillende tafel- en schenk« 
lakens — van de Engelsse roos, de Oude 
lavenderblom, 't Schaeckbardt, de Nieuwe 
Lavenderblom, de Roosekrans, en *t Jeruy- 
salemse cruys (1643). enckelt Vryes werck, 
Veneetse, van Pavye en van Utrechts werck — t 
servetten - van de Engelse roos, 't Schaeck- 
bort, de Roosekrans, de Lavenderblom 



(O. a. 1643) en 't Jerusalemse kruys (1643 
en 1645), van enckelt Vries werck, Veneetse, 
van Pavie (o. a. 1645), cn Utrechts werck —, 
slaaplakens, sloopen, enz.) 

In een kas, staende op de groote sael, 
bevonden: 

(Hier volgen lijkkleeden, kerktapijten, een 
Turksch tapijt, ,1 blauwlaeckens cleet tot 
de tafel in 't salet, teer lang*, en dergelijke 
goederen.) 



186 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

B. OTT DE UITERSTE-WILSBESCHIKKING VAN HELENA VAN BREDERODE, 
WEDUWE EN DOUAGIÈRE VAN STEFFEN GANS, EDELER EN VRIJ- 
HEER TOT EN OP POTELITS, WOLFFHAGEN ETC., DER CHUR 
(= VAN HET KEURVORSTENDOM) BRANDENBORG ERFMAARSCHALK, 
14 MAART 1651, MET EEN KODICIL VAN 19 SEPTEMBER 1657, 
WAARIN ZIJ ZICH HELENA GEBOREN GRAVINNE UIT DEN HUIZE 
VAN HOLLAND— BREDERODE EN DEN VOORNAAM VAN HAAR MAN 
STEPHAN NOEMDE, EN EEN TWEEDE KODICIL, VAN 5 SEPTEMBER 
1666, WAARIN ZIJ ZICH HELENA GRAVINNE VAN HOLLAND— BREDE- 
RODE NOEMDE. *) 

Bij het tweede kodicil maakte zij „aen Haer Excellentie de gravinne 
douagière van Brederode, onse vrouw schoonsuster", „een van de braseletten 
met schilderije, hetsij van Sijn Excellentie VAN BREDERODE ofte sijn soon, Graeft 
Hendrick van Brederode, onsen Heeren broeder ende neeff, loffelijcker memorie, 
sijnde bij eelck een diamant slootge, waervan Haer Excellentie gelacten wert de 
keure, omme een van beyde te kiesen, ende sal het ander alsdan hebben Vrouw - 
lingh Juliana van Brederode, onse nichte, deselve daermeede legaterende 
bij desen." 

C. UIT DEN INVENTARIS VAN DE GOEDEREN IN HET STERFHUIS TE 
VIANEN VAN DE GRAVIN DOUAGIÈRE VAN BREDERODE GEBOREN 
GRAVIN VAN SOLMS, *) 30 APRIL 1670. 

De gravin stierf volgens de in het begin afgedrukte memorie in Maart 
1669. De dag kan nader bepaald worden door de volgende akte van bezegeling 
(in het Rijksarchief): 

„Huyden 14e Martij 1669 hebben wij JAQUES DE L'HOMME, heer van 
La Fare, drossard, AüSONlüS HUYSSINGA ende HENDRICK VAN DORTMONT, 
schepenen der stede Vianen, ons vervoecht in 't sterf huysch van Haer Excellentie 
de gravinne douagière VAN BREDERODE, hoochloffelijcker memorie, ende aldaer 
ten versoecke van desselfs kinderen toegezegelt in de earner van Haer Excellentie 
het groot cabinet ende noch het glase cabinet. Actum ut supra. 9 



, " 



De nalatenschap verkeerde in zoo weinig gunstigen toestand, dat de zoon 
van de overledene ze niet aanvaardde blijkens het volgende begin van een akte*) : 



1) Dese stukken werden 16 April 1676 achter mekaar afgeschreven, en een gelijktijdig afschrift van 
dit afschrift bevindt sich in het gemeentearchief van Vianen. 

S) In een pak stukken over haar boedel, in het rechterlijk archief van Vianen, waarschflnljjk afkomstig, 
van den stadssecretaris als een van de curatoren. 

*) Een gelijktijdig afschrift is in voormeld pak. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 187 

„Op huyden den 24 dach February deses jaers 1672 compareerde vóór de 
Camere van justitie tot Vianen Sijn Excellentie de Heere grave WOLPHAERT VAN 
BREDERODE etc., ende verclacrde, hoe dat genoechsaem van den eersten dach 
äff naer het overlijden van Haer Excellentie de vrouwe gravinne douagère VAN 
BREDERODE, sijn hoochgeeerde vrouw moeder, in bedenken hadde genomen het 
aenvaerden van Haer Excellentie erffenisse ende naerlaetenschap, ende derhalven 
omme dieswegen onbehaelt te mogen sijn, dat al op den 24en Martij 1669, haer 
sterffhuys alhier binnen Vianen gevallen sijnde, vóór den Heren drossaerdt ende 
schout mitsgaders schepenen deser stede Vianen was gecompareert ende vóór 
denselven sodanich hadde geprotesteert als d'acte daervan sijnde 'tselve is 
medebrengende, dewelcke op den I3en April daeraenvolgende alhier onder den 
secretaris deser stede beslooten overgelevert ofte geconsigneert gewerden is ten 
fine Sijn Excellentie sich daervan soude cunnen ende mogen dienen ter gele- 
gentheyt; dat sedert de Here comparant die voors. saecke noch tot meermalen 
door sijne gedachten hadde laten gaen, sonder ten eenen ofte ten anderen te 
hebben cunnen resolveren, edoch dat nu eyntelijck hadde geresolveert op den 
5 Febr. 1672 voorleeden, de voors. sijne acte van protest te doen openen ende 
publicq te maeken ten overstaen van de Heeren en Mrs Cornelis Vervelst 
ende Hendrick de Heusch, Raden deser Camere, ende nae openinge deselve 
acte ter griffie van gemelte Camere te doen registreren, ende daernevens altans 
te verclaren, gelijck den Heere comparant tot noch toe den boedel van sijn 
vrouw moeder niet en had geadieert ofte geäenvaert, dat alsoo alsnoch en voor 
het toecomende niet van méninge en was, hem als erfgenaem van sijn hooch- 
gedachte vrouw moeder te dragen, maer wel hem voor altijts van die erffenis 
te willen abstineren ende onthouden, van dese sijne verclaringe van de Camere 
dan ock, voor sooveel des noots, versocht hebben(de) acte, dewelcke Sijn 
Excellentie geaccordeert geworden is; ende alsoo de Camere, alletselve ge- 
hoort, haer dan mede genootsaeckt gevonden heeft, te letten op het intrest van 
de geïnteresseerden, dat de Camer aenstonts hadde aengestelt ende gecommitteert, 
gelijck deselve aenstelde en committeerden bij desen, Mr Jacob VAN DORTMONT, 
griffier in meergemelte Camere, en OTTO van der Laken, secretaris der voorn, 
stede Vianen, tot curateurs over den voors. sterfhuyse en boedel van hooch- 
gedachte Haere Excellentie*' enz. 

Hier volgt de voornaamste inhoud van den inventaris '), die behalve de 
prenten en den stamboom 105 schilderijen bevat, dus belangrijk minder dan de 
inventaris van 1646: 



1) In voormeld pak. 



188 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



„Huyden den 30e Aprilis 1670 hebben d' on[der]genoemde schout ende 
schepenen, ter instantie van Sijn Excellentie den grave van Brederodb, hun 
getransporteert in 't sterfhuysch van Haer Excellentie, desselfs vrou moeder, 
hoochloffelijcker memorie, ende aldaer geïnventariseert de naergespecificeetde 
goederen: 



Eerstelt; ei geopent boven op de solder 

de meuble kamer, alwaer wij gevonden 

hebben: 

(Hier volgen veel kisten en koffers met zilver, 
papieren, kleeren ens., benevens andere 
zaken, o. a. 

Een Frans houte kisie daar een veel in is. 

Een groot cooper coelvat. 

Twee wildelkroonen.) 



Ens. 



Enz. 



Op de Jo ff vrouw encamer : 



Op Sedonia haer kamer: 



In de kamer van Haer Excellentie 

hoochloffelijcker memorie: 

Behangsel van swart laken, met gesteecke 

banden gcbourduert. 
Een stuck ut supra. 
Een eycke houtwerck, behoorende tot het 

grauwe ledikantie. 
Een swart kruysscharm, met cronesay behangen. 
Twee swarte gardijnen van honscote, hangende 

aen de glasen. 
Een eycke vierkante tafeltie met de voet. 
Twee matte pruymeboomen ermstoelen. 
Een matte ruststoel, behorende tot het ver- 

wele matrasie. 
Een oude taffe ermstoell. 

Het grauwe kabinet: 
Behangsel van grou Maestricht stoff ende een 

gardijn vóór de glasen. 
Een houte vuere kasie, waerin gesloten is de 

schilderde van Sijn Excellentie van Brede- 

rodi hoochloffelijcker memorie. 
Een prent met een vergulde Igst, van Sijn 

Excellentie Hbndrick van Brederode, 

hoochloffelijcker memorie. 
Ut supra van Sijn Excellentie den grave 

WOLPHKRD VAN BREDERODE. 



Een schilderije sonder lijst, van ut supra. 
Een schilderije, borststnck, van Mevrou Moif- 

phjan, sonder Igst 
Een kniestuck met een swarte Igst, van t 

vroulingh Hetwee. 
Een schilderije sonder Igst, van *t vroulingh 

Hetwee. 
Een stamboom van den huyse van Brederode, 

met vergult leer. 
Noch 6 Stucks schilderijen, soo historiën als 

lantschappen. 
Een groote spiegel met een swarte ebbe Igst. 
Ittm een spiegel met een noteboome Igst. 
Noch een ut supra met een silvere Igst. 
Een lessenaer met een voet van nooteboomen 

hout 
Een kleyn achtkante voutafeltie van note- 
boomen hout. 
Twee swartehoute gelackte ermen. 
Een kleyn 'swartverwele ruckstoeltie. 
Een taberetiestoeltie ut supra. 
Twee swarte tabilette. 
45 wit ende blauwe glase kopiens, kannich- 

niens als anders. 
Twee versierde bloemen. 
Jn de schou een copere tangh ende sohup. 
Een kleyn vierkant schrijfitafeltie. 
Twee banckiens. 
Een kleyn grotie. 

Een teene scherm op een ijsere voet 
Een vuermantie. 

De garderobe van Haer Excellentie: 

'T behanghsel van grou Maestricht stoff met 

een glasgardijn. 
Een tafel met sijn kleet van blauw, geel ende 

swart 
Twee swarte tabeletten met layen daeronder. 
Twee lacke ermkandelaers, daervan een ge-^ 

broocken is. 
Twee kleyne schilderijchiens van de trap das 

ouderdoms. 
Een swarteverwele nachtstoel. 
Een swartematte ermstoel. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



189 



Een grauwebaie gar dijn met de roey. 

Een blaesbalck. 

Een ijser heertijser. 

Een el van Sackerdanenhout. 

In het salet: 

Behangsel van leer met silver op swarte gront 

Een groote eycke uyttreckende tafell. 

Een vnere ledikant met behangsel van Rouaense 

streeppen. 
Een tafel met een tafelkleet van 'tselfde. 
Een vuere sehen cktafel met de voet. 
Een vuere schenckbackie. 
Een bedde met smalle streeppen ende peulue 

daertoe. 
Een hooftkussen. 
Een bedde met peulue met breede streepen, 

daer Sidonia, de kamenier van Haer Excel- 
lentie, op geslapen heeft. 
Een hooftkussen, daertoe behorende, daer 

ut supra. 
Een groene deecken ut supra. 
Een witte deecken met roode streepen. 
Twee nieuwe bedden, daer de meysiens op 

geslapen hebben, met de twee hooftpeulens, 

daertoe behorende. 
Twee nieuwe deeckens, een witte ende groene, 

daertoe behorende. 
Twee deeckens, een groen ende wit, daer de 

bottelierster onder geslapen heeft. 
Een gestreept tafelkleet op de bottelierskamer. 

In de voorsael: 

12 matte stoelen. 
I hovael tafelblat. 
i vuere torfkist. 
i slaepmat. 

Geopent het groot cabinet van Haer 
Excellentie, ende bevonden: 

N° i. 3 conterfeytsels, met vergulde lijsten, 

levensgroote, 
9 2. i knyestuck, met een vergulde lijst. 
B 3. 6 knyestucken van conterfeytsels, met 

swarte lijsten; mede noch i conter- 

feytsel van een doot kint. 
n 4. 7 conterfeytsels. 
w 5. 1 schilderte, afbeeldende twee kin- 

derkens met een schaep. 
6. 33 kleyne conterfeytsels. 



N° 7. 4 kleyne conterfeytsels, met gauwe 

lijsten. 
„ 8. 2 lantschapkens, met gauwe lijsten. 
„ 9. 1 blompot van pater Skgkrs. 
9 10. 4 schilderijen, bestaande in drie lant- 

scbappen, met een bataille* 
9 11. 9 schilderijen, wat kleynder, met 

swarte lijsten. 
„ 12. 2 kleyne schilderij kens, met vergulde 

lijsten. 
„ 13. 19 seer kleyne schüderijkens. 

Uutte kleyne çlase kast genomen ende 

in het beste verlacte cabinet gesloten: 

4 kofferkens met steenen. 
1 kofferken, met Spaens glas overtrocken. 
I gout soutvat met een gout kopjen. 
I gout vlesje. 

1 gauwe lepel, gaffel ende mes. 

2 gauwe geamailleerde kleyne bortgens met 
troonichies, neffens 2 vergulde doosiens, ge- 
pact in 't gout soutvaetgen. 

2 gauwe crucifixen. 

2 kornelijne vergulde doosiens. 

2 vergulde pamadepotgens. 

2 geamailleerde silvre vergulde doosiens. 

1 geamailleert flesie. 

x verguit ratgen. 

1 agaet hooftgen. 

2 agate cachetten. 

3 cornelgne ringetgens. 

2 agate doosiens. 

1 achtkante agate flesje. 

1 agate flesie met een verguit bantje. 

15 agate blompotgens met bloemen. 

17 stuckiens agaet 

1 mantgen met 2 mesies ende een gaffe iken 

van cornelijn. 
1 lepel met een beeltgen van peerlemoer. 

3 geamailleerde naeldekokerkens. 

4 snoerkens met corallen van agaet ende 
cornelijn. 

Uutte glase kast, daer inné deb loetcor alen 

ende cristallin in waren, genomen, 

ende gesloten in 't voorss. 

beste verlacte cabinet: 

1 silver vergult coffer met allerhande gesteenten, 
i cristallijne kelck met een vergult decksel. l ) 



1) Aan den kant staat: 9 Dese is in een decs apart buyten het cabinet gesloten" 
Oud-Holland, 1908. 



25 



190 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



i kristallijne kopjen met goude. oirtgens. l ) 

i ut supra met een voet apart. 

i cristalline kan met een plat, vergalt deckseL*) 

i ut supra met een hooch decksel met een 
silvre rant 

i cristallijne blompotgen met gauwe bantgens. 

i cristallgne kandelaer.*) 

4 christallijne flessjens. 

i cristallijne lepel ende gaffel met gaut in- 
gevat 

2 kleyne cristallijne blompotgens. 

io cristallijne snoertgens met coraellen. 

i klejn cristallijne schaeltgen. 

2 cristallijne signetten. 

1 cristallijne pijpken. 

i gout horologie met een christallijne kast 

2 vergulde doosiens met cristallijne steentgens 
beset. 

1 effen stuckien cristal. 

7 boquetgens van christal ende corael. 

2 kleyne bloempotgens van corael. 
i korale flesien. 

1 corale schaeltgen. 
i corale benneken. 

2 corale pendantgens. 
i korale schelp. 

i schulpe lepel met een corale steel. 
7 rootcorale tacken. 

3 gebroke stuckiens corael. 

Uutte groote glase kast met 
amber genomen ende gesloten in 7 
voorst, kabinet. 

i spiegel met een ambre lijste. 
i crucifix van amber. 

2 santlopers van amber. 
I wiech van amber. 

koffers van amber, 
stuckiens canon van amber. 

1 vroutgen, melckende een koey, van amber. 
7 vierkante flesies van amber. 

17 doosiens van amber. 

3 bennekens van amber. 

2 boeckjens van amber. 

3 kelckjens met decksels van amber, met 
noch een kleyn kelckien. 

14 lange ronde flesies van amber. 
I benrsie van amber. 



7 naeldekokertgens van amber. 

3 schaeltgens van amber. 
2 blompotgens van amber. 

1 compasie van amber. 
5 lepels van amber. 

2 kommichies van amber, met ooren. 

1 horologiekast van amber. 
5 dobbelsteenen van amber. 

2 hartjens, van binnen met een tronie, van 
amber. 

1 rooster. 
1 tangh. 

1 schop. 

4 messen ende een gafelken, met ambre 
hechten. 

5 platte stucken amber. 

2 hartskoppen van amber. 
2 paer ambre brasiletten. 

2 kettingen van amber. 

5 ambre ringentgens met een kleyn cachetje 
ende 12 kleyne taillioortgens, tesamen 
in een doosie geleyt 

3 cruysiens van amber. 

10 ambre corallen, groot ende kleyn. 

2 ambre vingerhoeden. 

1 tollichien van amber. 
14 beesiens van amber. 

3 pannekens van amber. 

2 potgens van amber. 

2 commichies van amber. 

6 schotelkens van amber. 

1 treeft van amber. 

2 brantisers van amber. 
1 spit van amber. 

1 kroon van ambre korallen« 

3 spinnewielen van amber. 

2 tabeletten van amber. 

Porceleyn. 
2 groote flesschen. 
6 viercante porceleyne flesschen. 
1 witte flesch. 
1 rode ende blouwe flesch. 
Een kan met een silver dexeL 
1 schoutpot, gekoleurt van diverse kleuren. 
1 beker. 
1 diepe schotel. 

1 vlacke ut supra. 

2 botterschoteltiens. 



*) Aan den kant staat: , Ut supra". 

J » » » » * Des ' is im un doos gesloten buyUn het cabinet". 

* » » » » **>'** is mede in de doos gesloten". 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VFANEN. 



191 



7 koppen van blau en wit 
3 sausiertiens. 
3 kopiens, wit. 

3 ut supra van gaut ende wit. 
2 gedeckte koppen, gekoleurt. 

1 kassolet van gekoleurt. 

4 kleyne schulpschotelen. 

2 witte doosen met dexels. 
i kleyne witte doosie. 

2 gekoleurde doosiens. 
i blau ende wit doosie. 
2 vierkante doosen van blau en wit. 
2 vierkante gekoleurde kisiens. 
2 dubbelde doosiens met dexels van blau en 
wit 

1 inckkoker, gekoleurt. 

2 kasseletten, gekoleurt. 

5 blauwe kopiens. 

2 witte potiens met dexels. 

i porceleyne mosterpot van blau en wit. 
i potie van blau en wit, met een dexel. 

3 kleyne potiens van blau en wit, met dexels. 

1 kopie ende kannichie van blau en wit, met 
dexels.. 

3 witte kopiens met beeldichiens daerin. 

2 bennetiens, gekoleurt. 
2 witte osiens. 

i wit kopie met een oortie. 

i potie met drie voetiens. 

I kleyn bekertie van blau en wit. 

1 kleyn wit kopie. 

2 kleyne gekoleurde kopiens. 

2 kleyne schoteltiens, blau en wit. 

1 kleyn kopie van blau en wit. 

6 blomflesschens van gekoleurt en wit. 

2 blauwe ut supra. 
2 roode ui supra. 

13 kleyne gekoleurt van blau en witt blom- 
flesschens, daeronder 2 met silvere schroef- 
kens sijn. 

1 kleyn root doosie met een dexel. 

Terra sige later. 

6 roode potiens. 

1 kannichie met een vergult dexel. 

Een ut supra sonder dexeL 

Terpentijn. 

Een achtkante flesch van terpentijn. 
Een vijsel en stamper van terpentijn. 
Een bekertie Van terpentijn. 



Lackwerk. 
1 groot lampet met een becken. 
4 roode verlackte flesschen. 

1 schoupot met een dexeL 

4 swart ende gaude ver lackte flesschen. 
4 tabeletten. 

2 kabinetten, met perlemoer ingeleyt. 

4 koffertiens, met perlemoer ingeleyt. 
I schrijfkoker. 

1 ronde gelackte doos, drie hooch. 

1 pot met vier voeten. 

I vierkant koftertie met een lay. 

5 backiens. 

1 p. kopiens met vergulde ooren. 

5 vergulde doosiens. 

1 kopie met een silver beeltie. 

6 blomvleschkens. 

15 doosiens. 

8 kleyne doosiens met roode dopiens. 
4 strooykopiens, 

1 vergult schoteltie. 

2 blauwe kandelaertiens. 

I calïabassflesch met silver beslacb. 

II Oostindische boonen. 

16 hoorens. 
1 lepelde. 

10 hoorens van perlamer, 3 mosselscbulpen, 
2 parlemoer schulpen, 6 schulpen met een 
hoorn. 

1 schulp van een callebas. 
4 mantiens van strooy. 

Albast. 
Een kan met een dexel, met silver beslagen. 

2 kannen met dexels. 
1 kom met een dexeL 

1 kleyn ut supra. 

2 achtkante flesschen. 
1 doos. 

1 ut supra, kleyn. 

1 soutvatie, albast. 

2 schaeltiens. 
1 bekertie. 

1 konnichie (su) met een dexeL 

2 beelden. 

1 beeltie van pleyster. 

8 blompotiens van pleyster. 

Christal. 

2 groote seskante vlesschen met vergulde 
schroeven. 

1 kop met een dexeL 

25» 



192 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



i ketel. 

5 gedrilde bierglasen. 
i gedrilt schaeltie met 3 voeten, 
i kroesie met een dexel. 
1 kelckie, gedrilt 
1 gedrilt schaeltie. 

1 gemermert kopie, genaempt spiritus van 
porceleyn. 

Alderkant glas. 

1 gedrilde kop met een dexel. 

1 gedrilt wijnglaesie. 

2 wijnromertgens. 

2 geslnede (sic) schaeltgens. 

4 gesnede kelckiens. 

1 gesnede glaesie met blauwe oortgens. 

5 platte schaeltkens. 

1 hoge kelck. 

2 schaeltgens met ooren. 
1 incktkoker. 

1 dexel van een kop. 

6 kopiens van gemermert glas. 

4 flesckens van gemermert glas met silvere 

schroeven. 
1 ut supra met een evore schroefken. 
4 eyeren, van binnen verciert 
14 vergulde blomflesschen. 

1 vergulde kop met een dexeL 
4 vergulde kopiens. 

6 witte koppen met dexels. 
4 witte blomflesschen. 
4 blauw ende witte ut supra. 
4 witte kopiens. 

2 krale kroontiens. 

1 1 kleyne flesckens van blau, verguit en wit 
2 krale korven. 

Schiltpat. 

1 plat keldertie, met silver beslagen. 

I hooch kabinetie, met silver beslagen. 

1 schrijffkoffertie, met silver beslagen. 

1 kleyn koffertie. 

1 lanckwerpige doos met een estuy. 

1 groot ebbenhoute koffertie, met silver be- 
slagen. 

1 gitte koffertie, met 2 gitte bokettiens daerin 
ende een klau van een vis. 

1 kleyn schiltpadde koffertie, met perlaraoer 
ingeleyt, met een heydense spelt daerin. 

2 gebloemde koffertiens. 



1 gebourdurt achtkante doosie. 
9 stucken uyt silveremeynen. 
Twee eetwietiens. 

1 doosie met 2 palmhoute vigueren daerin. 

2 gesnede hontiens. 

1 geamiljeert spiegeL 

2 p. geamiljeerde hechten van messen. 
2 kleyne silvere doosiens met schiltpat 
2 silvere geamiljeerde doosiens« 

1 geamuljeert balsembusie. 

1 geamatfeert naeldekokertie. 

4 Senese beeltiens op crotgens. 

1 kabinetkoffertie, met evoor ingeleyt 

1 papegaeyskoy van evoor. 

2 evoore doosiens, waerin het bierwagentie 
gesloten is. 

Een evoore {tic) met 12 lepeltiens daerin. 
Een plat evoor doosie. 

3 kleyne doosiens. 

1 compasie van hoorn. 

1 swartehoorne lepel. 

2 zeewortels. 

Silver vergult. 

1 lampet en Decken. 

1 kom, van binnen geamiljeert. 
Een kan met pluymen. 

2 kandelaeren. 

Een wieroock-kandelaertie. 

Een korff met een dexeL 

Een doorluchtig schoteltie. 

Een kom, decksel met een teljoor. 

Twee pocalen, een groot en kleyn. 

Een dubbelden beker met ses voeten. 

Vier, soo groot als kleyn. vergulde kannen. 

3 vergulde peeren met een seteroen. 
Drie vl ess hen. 

Een blaker. 

Een doosie met een cat daerin. 

Een snuyter. 

2 lepels. 

Een mes met een gavel. 

Een etwie, lepel, mes en gavel. 

Een bier- en wijnkan met vergulde leden. 

1 yntpot met een vergulde leeuw. 

Silverwerck. 

2 cassoletten. 

1 groote korff. 

1 doorluchtige korff. 

2 kleyne ut supra. 

1 blaker met 2 pijpen. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



198 



4 comfoortgens. 

2 schaeltgens. 

3 schalen op voeten, 
i pot met een dexel. 

2 silvere gantjeeren op een voet. 
i waslicht. 

i backie met een snij ter (sic). 
i nachtteljoortie met een kopie. 
7 doosiens. 
i vleschie. 

3 balsembusgens. 
i tantstoocker. 

i Oostindiiche lepel. 

i kleyn kommichie met i lepeltie. 

5 lepels en 5 gavels. 

1 wit kannichie met een silver lit. 
i albaste flesch, met silver beslagen, 
i kleerborstel. 

i koffertie met een silvere kant. 
1 casselet van filidegraen. 

1 p. kandelaeren. 

2 koffertiens. 

1 silver doosie. 

1 teljoor met een doosie« 

1 poteltie l ) met een glas. 

Cabinetten etc. 

4 s warte, soo kleyn als groot. 

3 schiltpadden, daeronder eene is toebeho- 
rende 't Vrele van Dona. 

2 sackerdane, met evoor ingeleyt. 

1 sackerdane. 

2 sackerdane kisiens. 

1 noteboomen sehr ij flay. 
Een schrijfkoker, met sackerdanenhout in- 
geleyt: 
1 blauweleere vergulde kapkoffer. 
1 koffertie van root leer. 

6 s warte voeten van kabinetten, 

1 swarte voet, daer de lacke koffertgens op 
staen. 

Een vergulde voet. 

Een noteboomen kamdoos. 

Houtwerck. 

2 tabeletten van noteboomen. 

1 tafeltie met eene voet van ut supra. 

2 geridons van ut supra. 
2 swarte geridons. 

2 swarte kassen. 
2 swarte tafels. 



2 swarte schabellentgens. 

2 ermstoelen van swart damast. 
4 ruckstoelen ut supra. 

Delffs porceleyn. 

3 groote schoupotten. 

6 ut supra % wat kleynder. 
1 witte pot. 

1 grooten beker. 

4 kleyn e ut supra. 

8 groote blomflesschen. 
20 ut su fir a , wat kleynder. 
22 ut supra, kleyne. 

7 schoutpotiens met dexels. 

1 oliepotie. 

2 blompotiens van drie aen malcander. 

4 kopiens met dexels. 

5 suyekerpotten. 
7 kleyne potiens. 

1 vruytback met eenige fruyten. 

I vuermantie met een steene pot daerin. 
4 mantiens met fruyt. 

II prentiens. 

3 globissen. 
81 boketiens. 

1 ingeleyde kist. 

3 kisiens. 

1 koffertie van Frêle VAN Dona. 

4 sattijne kussens met overtrecksels. 
1 kist met een schuyff. 

De bottelerij. 

6 tinne schotels. 

1 tinne smoor pot. 
1 tinne vergiettes. 
1 albaste kan met een tinne dexel. 

5 kannichiens met tinne leden. 
Een glase kan met een lit. 

1 boteltie. 

2 blicke doosen. 

2 spitiens. 

1 oliepotie met een peperdoos. 

1 appelbrayer met een rasp. 

1 blicke schulp. 

1 tangh en rooster. 

1 kleyne koeckepan. 

Een kleyn coper keteltie met een treefie. 

3 steene flesschen. 
1 borrelkannichie. 
I kleyn kannichie. 
3 eerde potiens. 



*) = Bottcltic? 



194 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

I rode schotcL Een kandelaer. 

i rockvleys-schaeff. 2 kommen. 

8 tralimantiens. 8 stijle konfetuerbackiens. 

1 witte vergiettest 21 vlacke ut supra. 
Een lepelhuys met een lepel. 1 blompotie. 

2 witte potiens. 1 papiere bennetie en kroontie. 

2 blauwe potiens. 1 sacq met seneverbessen. 

3 blouwe kopiens. 15 kelcken met dexels, glasen. 

1 incktkoker. 4 kelcken. 

2 witte suyckerpotiens. 1 fluytie. 

2 witte kannen. 5 asijnvlesiens. 

2 melckkopiens. 2 asijnkannetgens. 

2 botterschoteltiens. 2 blicke comptoircandelaers. 

2 soutvaten. 2 tinne ondersteecksels. 

12 schulpschoteltiens. 1 snuyterbackje met een snuyter. 

2 teltjoren. x t i nne commichie. 

Actum ten overstaen van DANIËL LOSSER, substituyt-schout, AUSONIUS 

Huyssinga, WijNOLDUS Terbruggen ende Peter van Oostrum, schepenen 

der stede Vianen. l n kennisse van mij, secretaris, 

O. van der Laken. 

d. uit de inventarissen van de goederen in de huizen bate- 
stein en amelestein, nagelaten door hedwig agnes fraulein 
van brederode, 1685. 

De vijf inventarissen van de nalatenschap van de laatste BREDERODE, 
waarvan de voornaamste inhoud volgt, vormen met mekaar één stuk 1 ). 

(0 

Huyden den 18e April 1685 hebben wij, CORNELIS BOTTER ende JUSTUS 
DE Gelder, schepenen der stadt Vianen, ter instantie van Sijn Excellentie CAREL 
Emilius, burggrave ende grave VAN Dona, erfgenaem onder beneficie van inven- 
taris van Hetwich Agnes, Fraulijn van Brederode, vrijevrouwe van Vianen, 
etc, goeder gedachtenisse, geassisteert met M r Johan VAN ALMONDE, desselfs 
advocaet, ten bijwesen van M» Antonij van Kinschot, griffier van den Hove 
van Holland, ende Jacob VAN DORTMQNT, advocaet vóór denselven Hove, als 
gestelde directeuren van de goederen van den huyse VAN BREDERODE, mitsgaders 
d' Heer Daniël DE Hartain, heere van Marquet, Mr CORNELIS DE LA PORTE, 
advocaet van de voornaamste crediteuren van opgemelten huyse, ende ELISA 
Gordon, secretaris van Haer Genade de gravinne douarière VAN SOLMS, ten 
onsen overstaen doen ontzegelen ende openen het torentje tusschen de antichambre 
ende de groote zael op den huyse Batesteyn bij Vianen, naedat ons alvorens 
gebleecken was, dat de opgedructe zegels waren gaef ende ongeschent; ende 
aldaer bevonden de naervolgende papieren: 

l) Op het Rijksarchief» 



KUNST IN DÉ ARCHIEVEN VAN VIANEN. 195 

Op de tafel bevonden : Op de groote ebbe kast gevonden : 

Enz. Enz. 

Op het kleyne kaste bevonden: In de groote ebbe kast bevonden: 

Enz, Enz. 

De voorsz. papieren in voegen voorsz. opgeschreven sijnde, is het voorsz. 

torentje wederom toegedaen ende met het stadtszegel gècachetteert. 

Aldus gedaen ten versoecke, bijwesen ende overstaen als in capite op 

den i8en ende igen April 1685 ouden stijl. 

In kennisse van mij, secretaris, 

O. van der Laken. 

Huyden den 8en Maij 1685 ouden stijl hebben wij, CORNELIS BOTTER 
ende JUSTUS DE GELDER, schepenen der Stadt Vianen, ten versoecke van M r JOHAN 
VAN ALMONDE, als advocaet van Sijn Excellentie Carel Emilius, burchgrave 
ende grave VAN DONA, erfgenaem onder beneficie van inventaris van Hetwich 
Agnes, Fraulijn VAN BREDERODE, vrijevrouwe van Vianen, etc, goeder gedach- 
tenisse, ten bijwesen van M rs Antonij van KINSCHOT, griffier van den Hove 
van Hollandt, ende Jacob VAN Dortmont, advocaet vóór denselven Hove, als 
gestelde directeuren van de goederen van den hüyse van Brederode, mitsgaders 
M r CORNELIS DE LA Porte, advocaet van de voornaemste crediteuren van opge- 
melten huyse van BREDERODE, ende ELISA GORDON, secretaris van Haer Excel- 
lentie de gravinne douarière van SOLMS, ten onsen overstaen doen ontzegelen 
ende openen de naergenoemde kasten ende deur op den huyse Batesteyn, naerdat 
ons gebleecken was, dat de zegels, daermede deselve waren gecachetteert, noch 
gaef ende ongeschent waren; waerinne bevonden is 't naervolgende linnen ende tin: 

In de confttuercamer g e opent ; 2 wat kleynder met wapens van Sijn Excellentie. 

eerstelijck de groote eycke kast, ende 3 van minder soort, 1 met 't wapen van Haer 

» , , Genade ende 2 sonder wapen. 

daertnne bevonden: „ „ , , „ , , \ 

2 Engelse schotelen met de wapenen van 

(Hier volgen lakens, sloopen en servetten.) sijn Excellentie. 

in de kleyne kast van koninxhout: 12 ordinaris schotelen voor de bodens. 

(Hiervolgenkkens,sloopen,gardijnen,servetten IO asietten met hct wa P cn v ™ Haer Genade. 

- o.a. van de Bloemen in 't perck, van Aller- ? porteplaes, waeronder 2 nieuwe, 

hande bloemen, van Allerhande figueren, en van l8 tafelbor <* en met wapens van Haer Genade, 

de Engelse roos -, handdoeken, benevens: 8 ^"»rden met wapens van Sijn Excellentie. 

1 Delfs porceleyne servies tot desert, wâervan 3 3 tafelborden voor de bodens. 

twee schotelen gebroocken sijn). 3 dubbelde-bolskannen. 

**.***•*** 3 tinne wat er potten. 

1« de kast met tm op de trap: 10 Meyne J^, 

4 groote tinne schotelen, 2 met wapenen van 2 groote soutvaten. 

Haer Genade ende twee sonder wapenen. 4 nieuwe kandelaers. 

1) Kanttekeningen van later tijd. over het openen van koffers, enz, in dezen en de twee volgende 
inventarissen, heb ik achterwege gelaten. 



196 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

Naerdat de voorsz. mcublen waren opgeschreven, sijn de voorsz. drie 
kasten wederom gecachetteert met het stadtszegel. 

Noch geopent in het torentje, van outs genaempt CATRljXEcamertfe een eyeke 

kleyne kast, waerinne bevonden is 't naergespecificeerde linnen: 

(Hier volgen slaaplakens, tafellakens — o.a. van Allerhande vissen — , servetten — o.a. 
van de Groote Plus oultre, van Allerhande vissen, van Plus oultrê, van Allerhande gedierten 
en van Nabal en Barseba, en kastdoeken.) 

Dit vorenstaende linnen opgeschreven sijnde, is de kast op Joffe Catrijne 
camertje wederom toegemaect ende gecachetteert met het stadtszegel. 

Waernae geopent ende ontzegelt is de deur van de meublecamer boven 
het groote salet, alwaer wij gevonden hebben de meubelen seer confues onder 
den anderen verstroyt, sulx dat het onmogelijck was, de voorsz. meublen in soo 
corten tijt te connen inventariseren, ende deselve oock nootsaeckelijck dienden 
verlucht te worden, om vorder verderf voor te comen, soo hebben opgemelte 
Heeren versocht, dat wij, schepenen, in presentie van den voorn. ELISA GORDON 
de voorsz. meublen, met de vordere ongecachetteerde meublen, op den voorsz. 
huyse Batesteyn sijnde, ende bij hooggemelte Frau lijn naergelaten ende metter- 
doot ontruympt, door den secretaris deser stede wilden doen opschrijven, ende 
besorgen, dat de voorsz. meublen mochten werden verlucht, tot welcken eynde 
aen den voorsz. secretaris de sleutel van de voorsz. meublecamer in bewaringh 
gegeven is; ende de voorsz. meublen verlucht ende opgeschreven sijnde, hebben 
wij aengenomen, deselve wederom in de earner te sluyten ende alsdan de earner 
te cachetteren. 

Aldus gedaen ten versoecke, bijwesen ende overstaen als in capite. 

In kennisse van mij, secretaris, 
O. van der Laken. 
(3) 
Deze en de volgende inventaris bevatten samen 228 schilderijen, behalve 
de aan het einde van no 4 vermelde „gesticte schilderije." 

Inventaris ende opteyekeningh vande vordere ongecachetteerde meu- 
blen, naergelaten bij Haer Genade HETWICH AGNES Fraulein 
VAN Brederode, loffelijcker memorie, die bevonden sijn op den 
huyse Batesteyn bij Vianen. 

Op de meublecamer boven het groot Noch 3 stucken tapisseiye van Joseph, met 

salet: 2 stucken van andere tappisserye, leggende 

_ A . , A * . „ . , . in een vuere kist, n° 2. 

u ^ TT 7 ^ bestaendc T ln 5 ***** f Een beslage koffer met oude bedtbehan*. 

beeldende de histone van Joseph, eggende tafellde eden ende schoorsteenkleeden^ 

m een houte vuere kist, geteykent n° 1. «w^«™,« j. 



KUNST IM DE ARCHIEVEN VAN VIANEN 



199 



Graeff Wolfert. 

Graeff Henrick. 

Een eycke ufel sonder kleet. 

2 groene guardijnen vóór de glasen. 

i groene trucktaeffel. 

4 armen, met kopere blaeckers daerop. 

In de kamer daer 't geeldamaste 
ledekant statt: 

i root goutleere behanghsel. 

i geeldamaste ledicant van Haerlem. 

2 ut supra armstoclen, met 6 rughstoelen. 

i out bedde. 

i matras. 

i peulue. 

i ijke taeffel met i damaste kleet. 

2 geridons, swarte. 

i spiegel met i swarte lijst. 

i geverft schenckbordetje. 

i geschildert scherm. 

I portrait van de Lantgravin van Hessen. 

In de garderobe of cabinet: 

7 portraitten, knyestucken. 
il borststucken, 
i eycke taeffeltje. 

In de camer aen de linckerhant van 
den deur loop: 

7 stucke tapijt, 

rode Pruysse stoelen. 

groenhontskote behanghsel. 
i achtkante spiegel met i swarte lijst, 
i bedde met i peulue. 
i rode, i witte deecken. 
i oudt grijne taeffeltje, met i out kleetje. 
i schilderije, zeestuckje. 
i lantscbapje. 

In den deur loop », met streepe behangen: 
3 kniestucken schilderije. 

8 borststucken. 

Freie Florentina van Brederodb, een kint, 

in 't geheel, 
i taeffeltje, i taeffelkleetje. 
6 swarte Spaensleere stoelen. 

In de gangh vóór de camer van 
Haer Excellentie: 
i behangsel van goutleer. 
i groote schilderije van Coriolan. 



In de camer van Haer Excellentie: 

Een groenfluwele ledecant met een bedde 

en sijn toebehoren. 
6 taberetstoelen, 2 armstoelen, 4 leunstoelen 

1 tafelkleet. ' 

6 roode matrasstoelen. 

2 gerredons. 
1 spiegel. 

1 swart ebbe cabinet, waerinne gevonden is: 
1 tour poinct-de- Venise met 2 mouwen. 

1 ruycksack. 
Eenige fraenjens en sijde. 

3 schilderijen. 

2 tafeltjens. 

7 glase blompotten. 

2 groenefluweele kussens, met een rustbedde, 

3 Japanse deeckens. 
2 matrassen. 

1 kleyn schilpatte koffertje mett voet. 

1 geschildert scherm. 

1 tappijtte parterre onder het bedt. 

1 tappijtte behangsel. 

2 groene gardijnen vóór de glasen. 

In de garderobe: 
1 gestreept ledekantje met een bedt ende 

2 deeckens. 
1 tafeltje met een tafelkleet. 

1 swart secreetkoffertje. 

2 taberetten. 

noch in een kast die de groef 
van Dona toecompt: 

(Hier volgen tafelkleeden, gardijnen, spreien 
enz.) 

Op Priticesse Marie earner: 

1 rootfluwele ledekant met sijde passementen 

ende sijn toebehoren. 
4 armstoelen. 
6 rughstoelen. 

4 taberetten. 

1 spiegel 

5 schilderijen. 

2 gerridons. 
2 tafeltjens. 

1 tapgtte behangsel. 

1 roottrijpe gardijn aen de deur. 

1 matras. 

1 bedjje. 

2 peulens. 



198 



UNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



i ut supra van Hans Wolfkrt. 
1 » » van den koningh van Engelandt. 
I kint, 't portrait van graeft HENDRICK. 
I ut supra van de koningin van Engelandt. 
i 9 „ YandedouarièreVANBREDERODB. 

1 „ „ van Heer Walraven van BRE- 
DERODE. 

i ut supra van Freie Sophia van Dona. 
i j, „ van de koningin van Polen. 
i , „ Freie Juliana van Brederode. 
i , 9 van H r Henrich van Brederode. 
i , 9 Freie Florentina van Dona, 
i ut supra, Freie Anna Trajectina van 

Brederode. 
i ut supra, Prins Hendrick. 
i kint, Freie Louise van Brederode. 
Haer Hoochheyt Princesse van Orangir. 
i ut sufra, Freie Amelia MargariET van 

Brederode. 
i ut supra, H r Walraven van Brederode. 
i n w Freie Walravina van Brederode. 
Noch acht kleyne conterfeytsels; onbekent. 

2 vierkante lantschappen. 
i seestuckje. 

i blompot van Verbeeck. 
i ut supra, Bosschart. 

2 achtkante spiegels met het wapen van Bre- 
derode daerboven. 

i lessenaer met i tacffel van notebomenhout. 

i cabinet van saeckerdanenhout. 

4 geele armstoelen. 

4 bruyne goutlaeckense stoelen. 

3 Delfse porcelijne blompotten onder de schoor- 
steen. 

2 kopere heertgsers. 

i theegereetschap van lakwerk. 

8 porcelijne theepotjes met 8 schoteltjes. 

4 witte glase blompotten. 
4 witte glasguardijnen. 

Op de beste earner: 

6 stucke tapijt. 

i parterre onder het ledikant 
i Igroendamaste ledekant. 
i matras, i bedde, i peulue. 
I groot spiegel met i vergulde lijst. 
4 groene armstoelen. 
6 rughstoelen. 
4 groene taberetton. 
6 Engels: armstoelen. 

i schiltpadde cabinet, onder en boven met 
vergulde ngueren. 



2 geridons met vergulde Mooren. 

i noteboome taeffeL 

i oude groene overtrecksels {sic) van 't ledekant. 

4 witte plumagiën van wolle op het voors«. 
groene ledecant. 

i glase hangh-almanack. 

i ijsere plaet met kopere ringen en doppen. 

2 heertijsers met kopere doppen, 
i kopere schop, i kopere tangh. 
i staende ijsere plaet. 

3 oude roodhonscote glasguardijnen. 

In de antichambre: 

5 stucke tapijt. 

6 rodedamaste armstoelen. 

2 schilderijen boven de deuren, 
i slaapbanck met i bedde. 

In 'tgroenbehange schrijffkabinetj e : 
i eyeke taeffeltje met i groen Ideetje, 
i groenfluwele taberetje. 
2 groenehontskote glasguardijnen. 

In 't groote salet: 
8 stucke tapijt, uytbeeldende de historie van 

Hercules, 
i groote Turxe tapijte parterre. 
i ut supra op een eyke uuttreckende taeffel. 
6 groenefluwele geblomde stoelen. 
6 ut supra taberetten. 
5 ut süpra rughstoelen, nog i rngstoel. 
2 eyeke taeffeltjes met groenefluwele geblomde 

kleeden. 

2 ovale groenefluwele geblomde speeltaeffeltjes. 
i vergulde geridon. 

3 groene glasguardijnen. 
i geschildert scherm. 

In de groote met bruyn goutleer 
behang ene voorsael: 

22 rughstoelen, met 2 armstoelen, van mo- 

kettrijp. 
I portrait van Prins Henrick met de Princes. 
Prins Willem met Princesse RoyaeL 
Ceurvorst van Brandenburgh, bis met Ceur- 

vorstin. 
(Sijn Excellentie, met beyde de douarières 

van Brederode. 
Sijn Excellentie, bis. 
Sijn gemalin van Nassou. 

Bij hetgeen hier tusschen haakjes staat, is later 
geschreven: Compt Haer Excellentie Van Solms, 
waarna tekst en aanteekening zijn doorgehaald.) 



KUNST IS DE ARCHIEVEN VAN VIANEN 



199 



Graeff Wolfert. 

Graeff Henrick. 

Een eycke tafel sonder kleet 

2 groene guardijnen vóór de glasen. 
i groene trucktaeffeL 

4 armen, met kopere blaeckers daerop. 

In de kamer daer 't geeldamaste 
ledekant staet: 

i root goutleere behanghsel. 

i geeldamaste ledicant van Haerlem. 

3 ut supra armstoelen, met 6 rughstoelen. 
i out bedde. 

i matras, 
i peulue. 

1 ijke taeffel met i damaste kleet. 

2 geridons, swarte. 

i spiegel met i swarte lijst. 

i gevcrft schenckbordetje. 

i geschilden scherm. 

i portrait van de Lantgravin van Hessen. 

In de garderobe of cabinet: 

7 portraitten, knyestucken. 
II borststucken, 
i eycke taeffeltje. 

In de camer aen de linckerkant van 
den deur loop: 

7 stucke tapijt« 

rode Pruysse stoelen. 

groenhontskote behanghsel. 
i achtkante spiegel met i swarte lijst, 
i bedde met i peulue. 
i rode, i witte deecken. 
i oudt grijne taeffeltje, met i out Ideetje, 
i schilderte, zeestuckje. 
i lantsebapje. 

In den deur loop ^ met streepe behangen: 

3 kniestucken schilderije. 

8 borststucken. 

Freie Florentina van Brederode, een kint, 

in 't geheel, 
i taeffeltje, i taeffelkleetje. 
6 swarte Spaensleere stoelen. 

In de gangh vóór de earner van 
Haer Excellentie: 
i behangsel van goutleer. 
i groote schilderije van Coriolan. 



In de camer van Haer Excellentie: 

Een groenfluwele ledecant met een bedde 

en sijn toebehoren. 
6 taberetstoelen. 2 armstoelen, 4 leunstoelen, 

1 tafelkleet. 

6 roode matrasstoelen. 

2 gerredons. 
1 spiegel. 

1 swart ebbe cabinet, waerinne gevonden is: 
1 tour poinct-de* Venise met 2 mouwen. 

1 ruyeksack. 

Eenige fraenjens en sijde. 

3 schilderijen. 

2 tafeltjens. 

7 glase blompotten. 

2 groenefluweele kussens, met een rustbedde« 

3 Japanse deeckens. 
2 matrassen. 

1 kleyn schilpatte koffertje mett voet 

1 geschilden scherm. 

1 tappijtte parterre onder het bedt 

1 tappijtte behangsel. 

2 groene gardijnen vóór de glasen. 

In de garderobe: 

1 gestreept ledekantje met een bedt ende 

2 deeckens. 

1 tafeltje met een tafelkleet 

1 swart secreetkoffertje. 

2 taberetten. 

noch in een kast die de groef 
van Dona toecompt: 

(Hier volgen tafclkleeden, gardijnen, spreien 
ens.) 

Op Princesse Marie earner: 

1 rootfluwele ledekant met sijde passementen 
ende sijn toebehoren. 

4 armstoelen. 
6 rughstoelen. 

4 taberetten. 

1 spiegel. 

5 schilderijen. 

2 gerridons. 
2 tafeltjens. 

1 tapgtte behangsel. 

1 roottrijpe gardijn aen de deur. 

I matras. 

1 bed$)e. 

2 peulens. 



200 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN, 



i kussen. 

2 witte deeckens. 

i geelesijde watte deecken. 

2 heertijsers. 
i tpngh. 

In de garderobe: 

I out blauw ledekantje. 

3 oude deeckens. 

1 bedde met een peulue. 

2 oircussens. 

In 't geschilderde cabinet doer achter : 

i glase kast. 

2 roode vergulde tabeletten 

i tafeltje met een groendamaste kleetje. 

4 groene Haerlemse damaste stoelen, 
i geele Haerlemse fluweele armstoeL 

i swartfluweele cabinetje met i voet. 

In V cabinet daer noest aen: 

2 glase swarte kasten. 

i tafeltje met een tafelkleetje. 

i stoel. 

i boeckekast 

Op de streept eskamer: 

1 grauwsaye ledekant met sijn toebehoren. 
6 stoelen. ,. 

i bedde met i peulue. 
i matras. 

2 deeckens. 

1 groen goutleere behangsel, 
i tafel. 

In de garderobe: 

i bedde met een peulue. 

2 deeckens. 

I hooftkussen. 

Op de vergulde kamer: 

i rootlakens ledekant met sijn toebehoren. 

io leunstoelen. 

i armstoel. 

x tafeltje. 

i bedt met een matras, i peulue, 2 kussens 

ende 2 deeckens. 
i root gouweleere behangsel. 

Op den deur loop: 

6 swarteleere stoelen, 
i tafel met een kleet. 



In de matte kamer, behangen met 
tapijten: 

i rootsaye ledekant, met armesijn gevoejert 

sonder sprey. 
i root scherm. 

i rustbedde, met 2 matrassen daerop. 
i bed en peulue, 
4 groote met 2 kleyne oircussens. 
1 watte deecken. 

1 witte deecken. 

2 tafeltjens. 

6 grauwefluwele armstoelen. 
4 ut supra rugstoelen. 
8 roodesaeye rugstoelen. 

1 spiegel. 

2 roye glaesgardijnen. 
2 gerredons. 

I ijsere plaet met koper. 

II schilderijen. 1 ) 

In de garderobe: 

1 out blauw ledekant. 

2 peulens, met 1 kussen. 
2 groene deeckens. 

2 tafels. 

1 vergulde gerredon. 

1 out tafelkleet 

3 ouwe stoelen. 

In de stoof y behangen met goutleer: 

12 rugstoelen van trijp. 

2 armstoelen. 
2 tafels. 

2 tafelkleeden. 
11 conterfeytsels. 

3 groene glasgardijnen. 

In de con fituer earner : 

8 Spaense stoelen. 

1 matte stoei. 

2 kasten, daer linnen in leyt, vóór desen 
geïnventariseert. 

1 vuere confituercasje. 
1 eyeke vierkante tafel. 
Eenige blicke confituervonnen 



*) Hierbij is later geschreven: „Omder geUlt de schiUUrije v66r de schoorsteen: 1 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



201 



i boute kist. 

i kleyn houte heldertje. 

i voetebanck. 

i root gevervt kisje. 

3 plancken, in malkanderen passende, daer 
men het desert op set. 

Een lankwerpigh beslagen koffer, waerinne 
bevonden ejjn: (Hier volgen stukken damast 
tot een behangsel, stukken fluweel tot een 
behangsel van een ledekant, tafelkleeden, 
zitkussens enz.) 

Een swart coffer, ende daerinne bevonden : 
52 silvre felegraine marques, 58 silvre 
penningen, geteyckent met den 
naem van Sijn Excellentie, ende 81 
andere silvre penningen, steeckende 
in een groenefluweele beurs. 

goude diamant-hantringh met 6 

steenen. 

diamantringh met 1 ronde en 

6 platte steenen. 

turkoisringh met 6 kleyne diamant- 

steentgens. 

kleyn gout hoepringetie. 

braselethaeckjens van diamanten, 

goudc doosien, daer men tabacq 

in doet. 

ront silvre verguit doosie. 

swartsegraine boeckje met een 

gout beslach, steeckende in een 

rootfluwele sackje. 

silvre kamdoos met kammen. 

silvre poeyerdoosen. 

silvre flessen. 

silvre mousiesdoosiens. 

silvre speldebackie. 

silvre blaeckertje. 

silvre verguit blaeckertje. 



Leggen- 
de in 
een 
schilt- 
padde 
koffer» 
tie. 



Leggen-/ 
de in 




paer Poind- de- Venise mouwen met 

lobben daertoe. 

poind* de- Venise neusdoeck. 

poind-de- Venise kantje. 

poincte neerstentje. 

poincU spreytjens. 

paer poincte lobben» 



1 groen armosijne spreytje met een silvre 

kant. 
1 nacbttabbert. 
1 idem met een rock. 
1 keurslijf. 

1 blauwe rock met goude bloemetjens. 
1 swarte rock met goude bloemen. 
1 blauwe rock met een Engelse kant. 
1 witte gesticte rock met 1 gaude kant. 
1 groenemore sprey met een gaude kant. 
1 bruyne tabbert met silvre bloemen. 
1 wittesattijne geborduerde Japanse rock. 
1 bruyne rock met eeïipoind-de-Spaenjekant. 
1 swartegaese tabbert met een rock. 
1 violette rock met witte blommetjens. 
1 grauwe nachttabbert met blauw voeyer. 
1 geel geborduert keurslijf. 

1 geele rock met silvre fraenje. 

2 groene ruyckkussens. 

4 paer ondermouwen. 

2 violette centueren. 

3 cachetten. 

1 schil padde memorieboeckje. 

2 roode ruyckkussentjens. 
I witte ut supra, 

1 wejer. 

1 roode kamsack. 

23 kappen ende cornetmutsen . 

1 poinde muts. 

5 swarte neusdoecken. 
1 cherp met kant. 

I mof. 

1 roodefluweele kappesack. 

4 witte camisolen. 

2 wittedamaste onderrockjens. 

10 hemden, soo oude als nieuwe. 
1 wittecattoene sprey. 
4 ca/c ons. 

1 voirschoot met kant. 

2 paer gesticte ondermouwen. 
4 damaste cornetten. 

2 stelsels nachtgoet. 

3 neusdoecken. 

2 paer cattoene ondermouwen. 

2 sloopjens. 

1 cornetmuts van milUrè. 

1 Mazarine. 

1 halstour van amber. 



202 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



De bovengespecificeerde klederen en kleynodiën wederom in het voorsz. 
koffer gesloten wescnde, is hetselve met het stadtszegel gecachetteert, ende ge- 
bracht op de meublecamer in het torentje, ende geteyckent no 9. *) 



In de camer van den secretaris: 

1 tafel. 

1 geel tafelkleet. 

1 roode guéridon. 

4 swarteleere stoelen. 

1 matte armstoel. 

1 schilde rije Tan een boerekermis. 

1 schilderijtje met een gardijntje daervoor. 

1 kaert van de heerlij ckhejt van Brederode, 

met een swarte Igst. 
1 spiegel. 
1 kopere kandelaer. 

1 blicke kandelaer. 

2 blicke snuyters. 

1 vuerenhonte kasie. 



1 hangkasie sonder deuren. 

1 bedde. 

1 hooft peulue. 

1 oireussen. 

1 materas. 

1 blauwewolle deecken. 

2 groenewolle deeckens. 
1 tangh. 

1 asschop. 
1 haertijser. 

Vóór de kamer van den secretaris: 

1 lange houte kist, met een kleynder houte 
kist, leggende daerinne eenige oude papie- 
ren van weynich importantie* 

(Slot volgt.) 



i) Hierbij is later geschreven: 9 0p den 13* April 1687 door ordre van Hoer Excellentie Mevromwe dg 
gravinne van der Lip 't bovengenoemd* koffer geopent ende de sleutel oen haer overgegeven? 




MELCHIOR VAN HARBACH, 



DOOR 

C. W. BRUINVIS. 




N het gemeente-archief van Alkmaar berust eene kwitantie 
van den volgenden inhoud: 

„Ick ondergescreuen bekenne ontfangen te hebben 
vuyt handen van BoRRlT HlENDRlCSEN fabrijemeester 
van weegen MELCHIOR VAN Harsbeeck die somme van 
vierentwijntich gulden ter cause van sekere patroenen 
die Melchior gemaect heeft tot dienste van die stadt 
vandie vriessche poort doer last van de heeren burge- 

meesteren des oerconde dese onderteyekent op den vierentwijntichsten decembris 

sestien hondert vierthien. 



24 — — O 



bij mie Jacob Jansz.' 



Lang heb ik gezocht om van genoemden van Harsbeeck wat meer te 
vinden, maar gilde-, doop-, trouw- en grafboeken gaven geen licht. 

Het artikel van den heer A. Muller in den loopenden jaargang van 
„Oud- Holland? 9 over het fraaie raadhuis te Klundert noemt als vermoedelijken 
ontwerper daarvan Melchior VAN Harbach, steenhouwer en bouwmeester van 
Prins MaüRITS te Breda; en nu is het zeker niet te gewaagd, ook wegens het 
zelden voorkomen van den naam MELCHIOR, om dezen van Harbach te houden 
voor denzelfden persoon, die door een voor hem in commissie optredenden 
alkmaarder op zijn hollandsch van Harsbeeck werd genoemd. 



204 MELCHIOR VAN HARBACH. 

De patronen, waarvan in de kwitantie gesproken wordt, zullen wel niet 
betroffen hebben de in 1616 en 17 in middeleeuwschen kasteelvorm opgetrokken 
Friesche buitenpoort; veeleer valt hierbij te denken aan den bovenbouw van de 
in 1588 en 89 gestichte binnenpoort, welke bovenbouw nog ontbreekt op de in 
1597 door Drebbel naar de teekening van Adriaen AnthONISZ. fraai gegra- 
veerde kaart van Alkmaar. En vergelijken wij nu dien bovenbouw met den 
voorgevel van het raadhuis te Klundert, dan is er, wegens de boogvullingen 
boven de kruis vensters en de „kardoezen" onder de gootlijst, reden om beider 
ontwerpen aan denzelfden meester toe te schrijven. 

En hoe is Alkmaar nu aan den bredaschen steenhouwer gekomen ? Dienaan- 
gaande is slechts te gissen. De bekende gouwenaar FREDERICK HOUTMAN keerde, 
na zijn gouverneurschap van Amboina, in 161 1 naar het vaderland terug en 
nam toen of iets later Alkmaar tot woonplaats. Op het einde van 1613 werd 
hij daar tot schepen benoemd, welke betrekking hij vervulde in 1614, 15, 17, 
19, 25 en 26 (van 19 tot 24 was hij op nieuw naar Indië). Den 8. December 
161 4 was hij ook tot vroedschap verkoren, en Prins Maurits handhaafde hem 
als zoodanig bij de regeeringsverandering van 11 October 1618. Hij bewoonde 
een groot huis aan de Koorstraat, 't welk in 1779 door de stad werd aangekocht 
voor fransche jongeheerenschool, van 1843 tot 1875 diende voor stads-bank van 
leening en in 1877 verbouwd werd tot sociëteit. Hoewel het al reeds groote veran- 
deringen had ondergaan, was tot 1877 een gedeelte van den voorgevel bewaard 
gebleven, en bezien wij de daarvan vóór den verbouw genomen fotografie, als- 
ook een paar in het Stedelijk Museum bewaarde boogvullingen, dan kunnen wij 
dien gevel tot het eerste kwartaal der 17 e eeuw rekenen en de veronderstelling 
opperen, dat Houtman dien heeft doen bouwen naar het ontwerp van van 
Harbach; immers een man van beteekenis als Houtman kan niet vreemd ge- 
bleven zijn aan Prins Maurits of onbekend met hen die het vertrouwen van 
deze genoten. 




I 




DE FRIESCHE BINNENPOORT TE ALKMAAR 
kort vóór de afbraak in 1802. 
Teekening van J A. Crescent in het Gemeente-Museum te Alkmaar. 



Us.//~..J ,.~Q 



u..^/.i«j.,i.UA.ii ., v. rc^v.- ntn..»» A««tn^. 



i 



5" 

Ou 



o* 



•o 



O Q 

** 

"» < 

OS çù 

2 > 

1 ? 

11 



C 

o. £ 

CO ^ 



0. « 
</> o 

a N 
OQ * 
' < 

o 
o 



% 



O 
O 

70 

H 

m 

2 

O 

m 

< 
O 
O 

70 

> 

r- 

O 

m 

co 

H 
> 
O 
co 

H 

m 
m 

70 
"Tl 

> 
> 
z 

m 

H 

O 
25 

2 




& 


tójfe 


Ü»§^ ff^T^ff 


wfiäf vfêc 




Ajj wSritV 








^"V9f * HI 


JU IlS 


tSätV 




^3Lll 




If/^Tyf 




^iffl 


L- 'ii UBagE 








l^^^&^-./r "" 


^- -* Ta* 


— *— ^^3J ^>. ^ 


Sms 





De Nederlandsche Bouwkunst omstreeks 1600 



DOOR 

A. W. WEISSMAN. 




[an de Nederlandsche bouwkunst omstreeks 1600 is nog maar 
betrekkelijk weinig bekend. Terwijl VAN Mander's in 
1604 verschenen „Schilderboeck" omtrent hen, die in dezen 
tijd het penseel voerden, heel wat bevat, is de eenige 
mededeeling over de bouwkunst, door den schrijver ge- 
daan, de volgende, die op PlETER KOECK VAN AELST 
betrekking heeft. 

„In dezen tijdt, te weten in 't jaar 1549, maeckte 
„hij de Boecken van de Metselrije, Geometrije en Perspective. En, gelijck hij 
„wel begaeft en gheleert was, d'Italiaensche spraeck ervaren wesende, heeft de 
„Boecken van Sebastiaen Serlij in onse spraeck vertaelt, en alsoo door sijnen 
„ernstigen arbeydt in onse Nederlanden het licht gebracht, en op den rechten 
„wech geholpen de verdwaelde Const van Metselrije: soo dat men de dinghen, 
„die van PoLLiO VlTRüVio doncker beschreven sijn, lichtelijck verstaen can, oft 
„ViTRUViUM nouw meer behoeft te lesen, sooveel de ordenen belanght Dus is 
„door Pieter Koeck de rechte wijse van bouwen opghecomen, en de moderne 
„afgegaen; dan, 't is moeijlijck, datter weder een nieuw vuyl moderne op sijn 
„Hooghduytsch in ghebruyck is ghecomen, die wij qualijck los sullen worden: 
„doch in Italien nemmer aenghenomen sal wesen". 

Oud-Holland, 1908. 27 



206 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

Dat VAN Mander classicist was, is bekend genoeg, en dus is zijn waar- 
deering voor Serlio en Koeck zeer begrijpelijk. Maar wat de schrijver met 
het laatste deel van zijn betoog bedoelde, bleef duister. 

Dr. Georg Galland schreef in 1890 in zijn „Geschichte der Holländi- 
schen Baukunst' 9 het volgende; „In Haarlem traten um die Wende des Jahr- 
hunderts die Gegensätze einer populären Architekturrichtung und einer akade- 
mischen Richtung der Malerei besonders stark in die Erscheinung, und das 
„ Schild erboeck" kann als das litterarische Denkmal dieser Harlemer Kunstverhält- 
„nisse betrachtet werden. Nicht bloss desshalb, weil es zu einer Zeit, als alle 
„Geister — und die Architekten voran — von den Aufgaben der Gegenwart 
„leidenschaftlich erfüllt waren, die Meister der Vergangenheit verherrlichte, sondern 
„auch darum, weil van Mander, während er dem SERLIO-Uebersetzer PlETER 
„Koeck den höchsten Beifall spendete, von der Baukunst seiner Umgebung nicht 
„anders urteilte, als dass sie die Nachahmung einer neuen schlechten hochdeut- 
schen Manier sei. Und indem er offenbar die Barockrichtung eines WENDEL 
„DlETTERLlN mit . der Bauweise des Harlemer Stadtsteinmetzen LlEVEN DE KEY 
„vermischte, beging er die Ungerechtigkeit, diesem Meister, den wir als den vor- 
nehmsten Vertreter nationaler Kunstgestaltung in der holländischen Architektur 
„betrachten und der ihm, als gleichfalls eingewanderter flandrischer Landsmann, 
„besonders am Herzen liegen musste, tot zu schweigen, sodass ihn erst unsere 
„Gegenwart der Vergessenheit entreissen konnte. Das Urteil des alten VAN 
„Mander war aber nicht das Urteil seiner Zeit, jener jugendlich fühlenden Zeit, 
„die sich den Künstlern, deren Ideen in der Vergangenheit wurzelten, durchaus 
„abgeneigt zeigte. So fand unser Malerbiograph Veranlassung, den Erfolg seines 
„in Alkmaar gedruckten Werkes nicht in Haarlem, sondern in Amsterdam ab« 
„zuwarten." 

Om te kunnen beoordeelen, of deze beschouwing van den Duitschen 
schrijver juist is, dient eerst te worden nagegaan, wat VAN Mander bedoeld 
heeft. In zijn waardeering voor het werk van PlETER KOECK VAN AELST, dat 
ïn 1553 door Marijke Verhulst, zijn weduwe, was uitgegeven, stond VAN 
Mander niet alleen. Dr. Galland zou zeker niet geschreven hebben: „Das Urteil 
des alten van Mander was aber nicht das Urteil seiner Zeit", wanneer hij 
geweten had, dat Koecks werk in het begin der 17e eeuw zóó gezocht was, dat 
CoRNELis Claesz., boekverkooper „int Schrijfboeck" op „het Water" te Amsterdam 
er nog 1606 een herdruk van ter perse legde. 

Het eerste gebouw in ons land, waaraan men den invloed van KOECKS 
werk kan bespeuren, is het Stadhuis in den Haag. De gevel van 1564 heefteen 
zuiver antieke Dorische kroonlijst, met fijn gedetailleerde Jonische pilasters 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 207 

daarboven. Alle lijsten zijn hier volgens Serlio geprofileerd. Rijker nog is de 
gevel van 1565, die zoowel met een Dorische als meteen Jonische orde versierd is. 

Het onrustige tijdperk, dat de Nederlanden van 1565 tot 1585 doorleefden, 
was voor de bouwkunst ongunstig. Een der zeldzame monumentale scheppingen 
uit deze periode is de Kanselarij te Leeuwarden, van 1566 tot 1571 door 
Bartholomeus Jansen opgetrokken. Hier is echter van Pieter Coecks invloed 
niets te bespeuren. De middeneeuwsche vormen zijn nog toegepast. 

In 1582 werd te Alkmaar een middeneeuwsche kruiskerk tot Waaggebouw 
ingericht en van een nieuwen gevel aan de westzijde voorzien. De stijl van dezen 
gevel is streng. De benedenste verdieping mist alle versiering; dan volgen, naar 
de voorschriften van Serlio, Dorische, Jonische en Korinthische pilasters boven 
elkander. 

Wanneer men het Stadhuis te Oudewater, welks gevel van 1588 zeer 
eenvoudig is, buiten beschouwing laat, dan is de eenige monumentale schepping 
vóór 1598 in ons land tot stand gekomen, de gevel van het Stadhuis te Leiden. 
Hier is de strengheid van Serlio niet meer te vinden, doch vertoont zich een 
overlading met versierselen, die slechts aan andere invloeden kan worden 
toegeschreven. 

Galland meende, dat de Haarlemsche stadssteenhouwer Lieven de Key 
de ontwerper van dezen gevel was. Hij grondde die meening daarop, dat „Herr 
„Archivar Mr. Dozy in Leiden das Glück gehabt hatte zufällig eine Notiz zu 
„finden, die sich auf den nach Haarlem zu Lieven DE Key gesandten städtischen 
„Boten bezieht". Reeds in 1889 wees ik er op, toen ik in den „Nederlandschen 
Spectator" Gallands boek besprak, dat dit geen bewijs mocht heeten. Want 
daar niet gemeld werd, waarom de stadsbode naar Lieven de Key te Haarlem 
werd gezonden, ging het bezwaarlijk aan, hieruit op te maken, dat dit was om 
DE Key de opdracht tot het ontwerpen van den nieuwen gevel voor hetLeidsch 
stadhuis te brengen. 

En daar op een teekening voor den gevel, in 1593 vervaardigd, die het 
Leidsch archief bezit, niet den naam van Lieven DE Key, doch de namen van 
Andries Jacobsz., Pieter Willemsz., Jacob Dircksz. en Claes Cornelisz. 
vermeld worden, scheen Gallands bewering nog minder waarschijnlijk. Het was 
slechts een gissing van den schrijver, dat „die Aufgabe der vier Meister, deren 
„Namen sich auf dem Blatte finden, war, die Kosten der Ausführung zu veranschlagen." 
Een andere teekening, van 1594, die op het archief te Leiden berust, 
draagt geen naam. Toch schrijft Galland haar aan de Key toe, en, wel 
opmerkende, dat het ontwerp niet den geest van dien meester vertoont, verklaart 
hij dit, door aan te nemen, dat niet de Key, maar iemand anders den gevel 

27» 



208 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

heeft uitgevoerd. Maar hij geeft toe »dass der prächtige Giebel (van het ontwerp) 
eine schreinermassige Behandlung erfahren hat". En daar in de ons bekende 
werken van Lieven de Key niets „timmermansachtigs" te vinden is, zoo had 
deze eigenaardigheid van het Leidsche ontwerp Galland reeds aan DE Key's 
auteurschap moeten doen twijfelen, te meer, daar het eerste werk van den 
meester, de in 1598 voltooide Waag te Haarlem, een klassieken stijl vertoont, 
dien zeker VAN MANDER niet heeft misprezen. 

Vast staat, dat de Key in 1 596 uit Haarlem naar Leiden ontboden werd, 
om voor Rijnland een nieuw Gemeenlandshuis te ontwerpen. Hij heeft daarvoor 
een bedrag van 75 gulden ontvangen. Maar of nu een teekening, die in het 
archief bewaard wordt, het ontwerp van DE Key is, staat niet vast. Zijn naam 
komt er niet op voor. In ieder geval werd dat ontwerp niet uitgevoerd, maar is 
het Gemeenlandshuis van Rijnland aan de Breestraat te Leiden in 1598 door 
Pieter Albertsz. Clocq uit Medenblik in een gansch anderen trant gebouwd. 
Galland maakt dien Clocq tot „einen Bauunternehmer" maar vergeet, dat de 
„entreprise générale 1 ', ons tegenwoordig stelsel van aannemen, nog nauwelijks 
een eeuw oud is. 

Lieven de Key was in 1598 nog classicist. Zelfs Galland ontkent dit 
niet daar hij van de toen voltooide Waag zegt: „Dieses Eckgebäude, mit seiner 
„in Haustein giebellos gestalteten Doppelfront, mit seinen dreieckigen und 
„geschweiften Fensterfrontons am Mittelgeschoss, repräsentiert einen, ins derb- 
»holländische übertragenen Klassicismus von ebenso hoher Brutalität als Eigenart." 

Iets bepaald Hollandsch heeft echter deze Waag niet. Reeds vroeger heb 
ik er op gewezen, dat de vormen eer aan die der Florentijnsche kunst van 
Vasari en Ammanati herinneren. 

Trouwens, wat de heer C. J. Gönnet in 1886 omtrent het leven van 
Lieven de Key openbaar maakte, leert ons dat de meester, uit Gent afkomstig, 
reeds op jeugdigen leeftijd naar Engeland verhuisd is, waar hij 21 Augustus 1585 
ook trouwde met Catelyna de Calune uit Gent. In 1591 kwam hij te Haarlem, 
waar hij 3 Juli 1593 als stadssteenhouwer werd aangesteld. Een Hollandsche 
stijl was van dezen in Engeland grootgebrachten Vlaming niet te verwachten. 

Wat gedurende de tweede helft der 16e eeuw in Engeland werd gebouwd 
heeft een klassiek karakter. Ik wijs slechts op de poort van Cajus College te Cam- 
bridge (1574) wier gevels van klassieke pilasterorden voorzien zijn en die door 
een koepel wordt bekroond. Een zelfden stijl vertoont Longleat House (1579), 
waarvoor een meester uit Florence, Giovanni da Padüa, het ontwerp maakte. 
Eindelijk moet nog Wollaston House (1580) genoemd worden, waar gekoppelde 
pilasters naar den Italiaanschen smaak de gevels versieren. 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 20d 

In zulk een klassieke school moet DE Key gevormd zijn. Wanneer men 
den stijl van Wollaston' House met dien van de Waag te Haarlem vergelijkt, dan 
ziet men dezelfde profileering, hetzelfde streng-klassieke karakter der onder- 
deden . 

In het noordwesten van Duitschland, vooral in de streken nabij de Weser, 
werd in dezen tijd ook veel gebouwd; de stijl, daar gebezigd, verschilde echter 
van dien, welke wij in Engeland aantroffen. De Duitsche meesters volgen de 
Italianen niet na in het toepassen der klassieke orden, doch scheppen behagen 
in het aanbrengen van overvloedige versierselen, waardoor wel een schilderachtig, 
doch dikwijls ook een onrustig effect wordt verkregen. In het bijzonder de trap- 
gevels worden met een tot dusver ongekenden rijkdom behandeld. Voorbeelden 
zijn het kasteel te Schmalkalden (1583), het kasteel te Bernburg (1575), het 
kasteel te Oels (1580), de Hämelscheburg bij Hameln (1588), verscheidene gevels 
te Hameln. Alleen het stadhuis te Emden (1574 — 1576) is klassiek en geheel 
in Nederlandschen trant. De bouwmeester was dan ook geen Duitscher, maar 
een Nederlander, Maerten Arentsz. uit Delft. 

Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat deze Duitsche stijl zich onder 
den invloed van Hans Vredeman de Vries heeft gevormd. De ornamenten 
zijn blijkbaar met meer of minder goeden uitslag naar die der plaatwerken van 
Vredeman da Vries gevolgd. Dikwijls hebben deze navolgers echter de grillig- 
heid van hun voorbeeld overdreven. Hans Vredeman de Vries is van 1585 
tot 1589 te Wolfenbüttel werkzaam geweest, en later te Hamburg enteDantzig. 

Deze Duitsche opvatting is hier te lande het eerst waar te nemen aan den 
gevel van het Stadhuis te Leiden. Zoolang werd verondersteld, dat Lieven 
DE Key dien gevel ontworpen had, scheen, het raadselachtig, hoe deze meester, 
wiens Waag te Haarlem nog in 1598 zulke streng klassieke vormen kreeg, zich 
voor het een jaar vroeger voltooide Leidsche werk van den Duitschen trant had 
kunnen bedienen. 

Doch de zeer belangrijke ontdekking van Mr. J. C. Overvoorde, die de 
overeenkomst ons deed kennen, door het Stadsbestuur van Leiden 23 Mei 1595 
met Luder van Bentheim gesloten, heeft licht gebracht. 

Uit die overeenkomst toch blijkt, dat Luder VAN Bentheim te Bremen 
woonde, en dat hij op zich nam om „het Radthusz als di Patron uthwiset vonn 
„gudenn Bückeburger Steyn schonn und rein gewarckt" te maken, de steenvoor 
zijn kosten aan scheepsboord te Vegesack te leveren en twee gezellen om „solch 
gehouwen und bearbeiden werck na einander ordentlichen voir thozamen brin- 
gen" naar Leiden te zenden. 

Hieruit volgt dus, dat de gevel te Bremen gemaakt is, dat de stukken 



210 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

steen geheel gereed te Vegesack werden verscheept, en dat twee gezellen uit 
Bremen de stukken hebben gesteld en geaccordeerd. 

In 1597 werd met het stellen begonnen en kwam LUDER VAN BenTHEIM 
te Leiden „tot vorderinge van het gebou van het raedthuys", waarvoor hem eene 
vergoeding van 60 gulden werd toegekend. 

Moet men nu hieruit afleiden, dat Luder van BENTHEIM ook den gevel 
ontworpen heeft? Wanneer wij bedenken, dat in de 1 6e eeuw, gelijk in de 
middeneeuwen, een meester-steenhouwer was, wat wij nu een architect noemen, 
dan kunnen wij met vrij groote zekerheid een bevestigend antwoord op deze 
vraag geven. Lieven de Key en Hendrik de Keyser, wier architectonische 
bekwaamheden bekend genoeg zijn, hebben nooit een ander ambt bekleed dan 
dat van stadssteenhouwer. 

Wanneer wij aannemen, dat Luder VAN BenTHEIM den Leidschen gevel 
heeft ontworpen, dan is niet slechts het karakter van dit bouwwerk te begrijpen, 
doch wordt tevens duidelijk wat van Mander met den „vuyl modernen stijl op 
sijn Hoogduytsch" heeft bedoeld. 

Wat pleit tegen het auteurschap van den Bremer meester? De heer 
OvervoordE vond een stuk van Isaack Claesz van Swanenburgh, waar deze 
in 1595 kwitantie geeft voor bedragen, die hij in rekening had gebraeht wegens 
werk „aent patroon bij den meester van Haerlem gemaeckt met een draeyende 
„trap, deselve verandert in een rechte trap" en „wegens coppie, om voir de 
stadt te bewaren; van het patroon vant stadthuys in sulcker voeghen als het 
(be)steedt es" en dat „tot Bremen soude worden ghesonden". 

Deze Swanenburgh, die burgemeester van Leiden is geweest, stierf in 
16 14. De Lakenhal te Leiden bezit door hem vervaardigde schilderijen, die op 
de lakennering betrekking hebben; van zijn hand is ook het carton voor een 
glas, dat de stad Leiden in 1601 aan de St. Janskerk te Gouda schonk en dat 
door CORNELIS Clock, misschien een familielid van den reeds genoemden PlETER 
Albertz Clock, werd uitgevoerd. 

Dit carton toont ons SWANENBURGH als een classicist, die geheel onder 
den invloed der Italiaansche meesters staat, en die zeker niet de eerste de beste 
„copiist" was, welke door het Stadsbestuur te Leiden aan het werk werd gezet. 

Er wordt niet vermeld, aan welk „patroon" van „de meester van Haerlem' 9 
SWANENBURGH een verandering maakte. Wij zijn dus omtrent het bouwwerk, 
waarvoor het bestemd was, in onzekerheid. Maar de classicist SWANENBURGH 
zal waarschijnlijk wel in den geest van Serlïo hebben gewerkt, en daaruit mag 
worden afgeleid, dat het ontwerp van den Haarlemschen meester ook klassiek is 
geweest. Nu wij weten, dat Lieven de Key nog in 1598 te Haarlem de Waag 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600, 211 

in klassieken trant bouwde, is er dus geen bezwaar om in hem den ongenoemden 
meester, door S WANENBURG H genoemd, te zien. 

Heeft Lieven de Key — wat echter niet vaststaat — dus dit „patroon" 
voor het Leidsche Stadhuis gemaakt, dan moet het een klassiek ontwerp geweest zijn. 

Het ontwerp, door SWANENBURGH gecopieerd, is naar Bremen gezonden, 
heeft daar voor de uitvoering gediend en moet dus den. gevel van het Stadhuis 
hebben vertoond in zijn tegenwoordige gedaante. Waarom zou dit ontwerp niet 
uit Bremen gestuurd en eer het daar weder hun werd teruggezenden, voorzichtig- 
heidshalve gecopieerd zijn? Dit ligt als het ware voor de hand. 

Waarom zou LUDER VAN Bentheim heel uit Bremen naar Leiden gekomen 
zijn, om de uitvoering te leiden, als men den ontwerper, Lieven DE Key, slechts 
uit het nabijgelegen Haarlem had behoeven te ontbieden? 

Dit alles maakt Gallands veronderstelling, dat DE Key de ontwerper 
zou zijn, niet houdbaar. Maar er is meer. De heer C. J. GÖNNET heeft er in 
1886 reeds op gewezen, dat LIEVEN de Key nog in 1601 een klassiek ontwerp 
voor de Vleeschhal te Haarlem heeft gemaakt. Dit schijnt niet in den smaak 
gevallen te zijn en toen beproefde DE Key het met de „vuyl Hooghduytsche" 
manier, die hij door het zien van den Leidschen stadhuisgevel had leeren kennen. 
Niets pleit meer voor het talent van den Haarlemschen meester, dan dat men 
van hem getuigen kan : *pour son coup <F essai il fit un coup de maître". Wat 
geen enkelen Duitscher gelukt was, gelukte den in Engeland opgeleiden Vlaming. 

Van Mander zal die Vleeschhal afgekeurd hebben, daar kan geen twijfel 
aan bestaan. Maar het nageslacht erkent in dit werk het schoonste voortbrengsel 
onzer bouwkunst van het begin der 17e eeuw. 

Eigenaardig is het evenwel, dat DE Key in de meeste zijner latere werken 
niet op dezelfde hoogte gebleven is. Galland heeft volkomen gelijk, wanneer 
hij zegt dat het van 1607 tot 161 3 door DE Key gebouwde Oudemannenhuis te 
Haarlem „architektonisch eher einen Rückschritt als einen Fortschritt des Meisters 
dokumentiert". Hij poogt dien achteruitgang te verklaren daardoor, dat DE Key 
„sich mit zunehmendem Alter mehr auf die jüngere Kraft seines Fabrikgenossen, 
des Zimmermeisters Claes PiETERSZ. verwies." 

Maar wanneer dit werkelijk zoo mocht geweest zijn, hoe komt het dan, 
dat de in 161 3 voltooide toren van de Nieuwe Kerk te Haarlem weder al de 
kwaliteiten heeft, die wij in de Vleeschhal waardeeren? Hoe verklaart men, dat 
de gevels van huizen, tusschen 1600 en 1627 te Haarlem gebouwd, dus terwijl 
de Key leefde, zulk een uiteenloopend karakter vertoonen? Men vergelijke, 
bijvoorbeeld, de sierlijke poorten, in 1624 aan het Barbara Vrouwen Gasthuis en 
in 1625 aan het Frans Loenenhofje gebouwd, — die ons beide DE Key op zijn 



212 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

best toonen, — met den onbeteekenenden noordelijken gevel der Bakenesserkerk 
van 1620 en met den gevel van het Stadhuis in de Zijlstraat, in 1625 begonnen, 
welke op weinig gelukkige wijze, zooals Galland terecht opmerkt „bloss aus 
„Motiven der Fleischhallen- und Stadtwaag- Architektur" is samengesteld Het is 
inderdaad waar, wat Galland zegt: „In der Haarlemer Fleischhalle gelang es 
DE Key, die von Haus aus heterogenen Bestandteile organisch zu verschmelzen! 
„und seitdem entschwand ihm immer mehr die Neigung für die Ornamentik eines 
„Stils, der auf keinen andern als Vredeman de Vries hinweist." 

Galland meent, dat de Key den stijl „aus der flandrischen Heimat" 
heeft medegenomen. Maar deze kwam uit Engeland als classicist, en bleef dit 
tot 1601, toen hij zijn eerste ontwerp in de nieuwe manier maakte. Het Vlaamsche 
vaderland — dat sinds 1566 zijn beste zonen naar den vreemde zag trekken — 
kan DE Key niets medegegeven hebben. VREDEMAN DE VRIES werkte in 
Duitschland, en van daar kwam de nieuwe stijl, waarvan het Leidsche stadhuis 
hier te lande het vroegste voorbeeld is. 

Wat wij den „Oud-Hollandschen" stijl noemen, die tusschen i600eniÓ3O 
gebloeid heeft, is niets dan een korte episode geweest in de Nederlandsche 
architectuur, welke in de klassieke richting, haar door PlETTER COECK gewezen, 
is blijven voortgaan, totdat Jacob van Campen aan Palladio de zege verschafte. 

Ook in de schilderkunst is het zoo gegaan. De classicisten zooals COR- 
NELis Cornelisz. van Haarlem, Joachim Wtewael van Utrecht zijn tot onge- 
veer 1630 het meest bewonderd. Toen scheen de meer vrije richting, die 
Rembrandt insloeg, waardeering te zullen vinden. Doch spoedig wonnen de 
classicisten het weder, en schaarden zich zelfs Rembrandts beste leerlingen, 
zooals Ferdinand Bol en Govert Flinck aan hunne zijde. 

Wij hebben met de classicisten, hetzij schilders of bouwmeesters, niet meer 
op. Doch wij zouden dwaas doen, indien wij meenden dat de Nederlanders der 
17e eeuw geoordeeld hebben zooals wij. 

Niet uit het oog mag worden verloren, dat de richting van LIEVEN DE KEY 
en Hendrik de Keyser door hun opvolgers reeds zeer spoedig na hun over- 
lijden is verlaten. Het klassieke ontwerp, dat JACOB VAN Campen in 1626 voor 
het huis van Balthasar Coymans te Amsterdam maakte, ontstond, toen 
Lieven de Key nog leefde en werd openbaar gemaakt in een verzameling van 
ontwerpen, door Hendrik de Keyser vervaardigd. 

Weten wij althans van Lieven de Key dat hij vóór 1591 in Engeland 
verbleef, en daar dus ook wel door de Italiaansch voelende meesters, die daar 
toen werkzaam waren, zal zijn gevormd, omtrent Hendrik de Keysers oplei- 
ding is ons niets bekend. 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 218 

Het geeft ons weinig licht, dat Salomon de Bray haast tien jaar na 
de Keysers dood zegt,' dat vader CORNEUS DE Keyser kistenmaker was en 
dat „'t schijnt of door sulckx onse konstenaer toegangh tot de Bouwkunste 
ghekregen heeft". Omtrent Hendrik de Keysers leermeesters zegt de Bray niets 
anders dan dat de beeldhouwer CORNELIS BLOEMAERT daarvan de voornaamste 
was. Doch wat weten wij van CoRNELis Bloem AERT? Carel van Mander geeft 
wel enkele bijzonderheden omtrent zijn leven, doch noemt geen zijner werken. 

Men heeft uit het feit, dat de Keysers vrouw, Beyken van Wildert 
uit Antwerpen afkomstig was, meenen te mogen afleiden, dat Hendrik in de 
Scheldestad heeft vertoefd en daar zijn vak geleerd. Doch na 1585 zijn er zooveel 
'Antwerpenaren, die protestant waren, naar Amsterdam gevlucht, dat de kennis- 
making van DE KEYSER en zijn aanstaande vrouw niet noodzakelijk te Antwerpen 
behoeft te hebben plaats gevonden. 

Als het oudst bekende werk van Hendrik de Keyser beschouwde men 
de poort van het Tuchthuis aan den Heiligeweg te Amsterdam, omdat in 1595, 
volgens de Kroniek van Staets, „gemaeckt het Tuchthuys is," en DE KEYSER 
in hetselfde jaar als stadssteenhouwer is aangesteld. 

Maar ik heb onlangs pogen aan te toonen dat, al is het ontwerp dezer 
poort ongetwijfeld van Hendrik, de uitvoering niet vóór 1630 door zijn zoon 
PlETER is geschied, terwijl de bekronende groep er na 1663, waarschijnlijk door 
zijn zoon Thomas, op geplaatst is. 

Heeft Hendrik de Keyser dit ontwerp reeds in 1595 gemaakt, dan had 
de meester toen eer klassieke dan moderne neigingen. Trouwens de lof die VAN 
Mander voor de Keyser overheeft maakt dit zeer waarschijnlijk. 

De vraag werd gedaan, ot men de ontwerpen van al de gebouwen, die 
volgens de „Kroniek van Staets" tusschen 1595 en 1621 van stadswege te 
Amsterdam werden gesticht aan Hendrik de Keyser mag toeschrijven. Toen 
Mr. N. DE Roever de „Kroniek van Staets" in 1885 openbaar maakte, wees 
hij er op, dat daarin staat: „de Noorderkerck ontworpen van dese meester 
wordt", en hij voegde daarbij: „Wij wisten tot dusver niet beter of DE Keyser 
„was de ontwerper van deze kruiskerk en wij hielden daaraan vast op de verze- 
kering van Salomon de Bray, die de eerste was, om in zijn „Architecture 
„Moderna" de eer aan de Keyser te geven. Wat moet men er thans van denken? 
„Heeft Laurentius of heeft de Bray hier onwaarheid gesproken?' 1 

In zijn studie over de Noorderkerk heeft de heer C. H. PETERS betoogd, 
dat DE BRAY onwaarheid sprak en dat Dominus LAURENTIUS, de dichter der 
„Kroniek", het bij het rechte eind had. Daarentegen blijf ik bij mijn meening, 
die ik reeds aan DE Roever kenbaar maakte, dat in zaken van architectuur een 

Oud-Hoüand, 1908. 28 



214 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

architect als DE BRAY meer vertrouwen verdient dan een predikant, die als 
pleitbezorger van een meester-timmerman naar de lier greep. 

Ofschoon ik dus de Noorderkerk voor een ontwijfelbaar werk van HENDRIK 
DE Keyser houd, zoo heeft het mij sinds 1885 reeds getroffen, dat er in de door 
Staets tusschen 1 595 en 162 1 opgesomde werken verschil van stijl valt op te merken. 

De eene trant van bouwen heeft een classicistisch karakter. Voorbeelden 
daarvan geven de Tuchthuispoort, die ik reeds noemde, en die, zoo zij niet 
in 1595 werd ontworpen, toch wel in 1607 zal zijn ter papiere gebracht; 
de Zuiderkerk van 1603, de Beurs van 1608, de Haarlemmerpoort van 161 5, de 
Noorder- en de Westerkerk van 1620. Hierbij kunnen nog gevoegd worden het 
grafteeken voor Jacob van Heemskerk in de Oude Kerk (1607) en dat voor 
Prins Willem I te Delft (1616). 

Al deze werken vertoonen een betrekkelijk strenge toepassing der klas- 
sieke orden.. 

Maar ook werken in zeer grilligen trant ontstonden te gelijkertijd« Voor- 
beelden daarvan zijn de huizen aan den Vijgendam van 1599, het nieuwe 
Bushuis aan den Singel — nu Militiezaal — van 1605, het Oostindische Huis 
van 1605, de huizen in de Beurssteeg van 161 1. Kenmerkend voor deze schep- 
pingen zijn vooral de gebogen lijnen, die zoowel aan bekroningen als „omlijs- 
tingen werden toegepast. In de „Architecture Moderna" komen deze ontwerpen 
niet voor. 

Daaruit zou men mogen afleiden, dat Hendrik DE Keyser ze niet ver- 
vaardigd heeft, indien men zeker kon zijn, dat de „Architecture Moderna" al het 
werk van den meester bevat. Doch die zekerheid bestaat niet. Daarenboven is 
de waarschijnlijkheid groot dat in 1630, toen het plaatwerk werd samengesteld, 
en het classicisme reeds weder in den smaak was gekomen, alles wat te grillig 
scheen, terzijde is gelegd. Reeds Galland heeft hierop gewezen, toen hij zeide: 
„In der „ Architecture Moderna" von 1631, die man gewöhnlich der Beurteilung 
^unseres Meisters und seiner Richtung zu Grunde legt, fehlen, ausser der Zuider- 
„kerk, DE KEYSERS sämtliche Schöpfungen bis zum Jahre 1615, und es lässt 
„sich dieser Mangel nur daraus erklären, dass sich der Herausgeber streng an 
„sein Programm hielt und nur dasjenige seiner Sammlung, die eine Art Muster« 
„schätz fur Baubeflissene bilden sollte, einverleibte, was von den Bauten DE KEYSKRS 
„und j,van verscheyde andere Meesters desen tegenwoordigen tijts" noch im Jahre 
„1631 als modern gelten konnte.' 9 

Galland neemt aan, dat de Keyser in 161 3 en 1614 een reis naar 
Frankrijk en Italie gemaakt heeft en dat deze tocht „ihn von der Unzuläng- 
lichkeit seiner bisherigen Formensprache überzeugt hat." Daaruit volgt dan 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 215 

„dass DE Keyser sich gleichsam gezwungenermassen der Antike näherte um 
„dem litterarischen Klassicismus der Amsterdamer Schöngeister zu entsprechen" . 

Tegen deze gissing, die wel aannemelijk schijnt, pleit echter veel. In de 
eerste plaats het vaststaande feit, dat DE KEYSER reeds in de Zuiderkerk van 
1603 en de Beurs van 1608 klassieke neigingen toont. En verder blijkt uit de 
stukken, dat Hendrik DE Keyser in 161 3 zijn oudste dochter Maria „assisteerde" 
bij haar huwelijk, den 25 April gesloten, en dat hij 2 Juli 161 3 voor den notaris 
Westfrisius compareerde. In het laatst van 161 3 vallen de onderhandelingen 
met de Staten-generaal over de graftombe te Delft, waarvoor HENDRIK DE Keyser 
12 Februari 16 14 opdracht kreeg. Daarenboven is in dat jaar, volgens Staets 
v^oock heel op- gemaeckt de Suyder-kercks-Toren", een werk, waarbij de stads- 
steenhouwer niet gemist kon worden. 

Dat Hendrik de Keyser dus in 161 3 en 1614 Frankrijk en Italie 
bezocht heeft is niet wel mogelijk. Slechts e'éns heeft hij, volgens de stukken, 
een buitenlandsche reis gemaakt, en wel in 1607, toen hij naar Londen vertrok 
„omme aldaer inspectie te neemen op seeckre wercken". Evenals DE Key heeft 
dus ook DE KEYSER in Engeland vertoefd. Was de Amsterdamsche stadssteen- 
houwer daar reeds eerder, in zijn jonge jaren, geweest? Onwaarschijnlijk is dit 
niet, daar DE Keysers oudste dochter met een Engelschman trouwde en zijn beide 
jongste zoons lange jaren in Engeland zijn werkzaam geweest. Dit wijst op 
relaties in dat land, die HENDRIK kan hebben gehad. 

Maar toch geloof ik niet, dat HENDRIK de KeVser in Engeland is opgeleid. 
Veeleer komt het mij voor, dat Cornelis Bloemaert en Willem Danielsz. 
van Tetterode zijn meesters zijn geweest en dat hij ook de prentwerken van 
Hans Vredeman de Vries heeft bestudeerd. Het is jammer, dat omtrent 
Bloemaert en van Tetterode zoo weinig bekend is. Van Willem Danielsz. 
van Tetterode, die in de zestiende en zeventiende eeuw een grooten naam 
had, zegt Kramm, dat hij te Delft werd geboren. GuiCClARDlNl vermeldt, dat 
van Tetterode verscheidene jaren te Rome heeft gewerkt Van zijn beeldhouw- 
werken is niets meer aan te wijzen, doch de prenten, die er naar gegraveerd 
werden toonen ons den meester als geestverwant van GIOVANNI DA BOLOGNA, 
de Vlaming, die gezegd wordt een leerling van MICHELANGELO geweest te zijn. 

Van Tetterode was ook bouwmeester. Hij wordt in 1570 als hofarchitect 
van den aartsbisschop van Keulen genoemd en van het hoofdaltaar in de Oude 
Kerk te Delft, door hem tusschen 1570 en 1575 uitgevoerd, wordt gezegd, dat 
het een Dorische ordonnantie vertoonde. Misschien geeft, wat nu nog van het 
hoofdaltaar der Groote Kerk te Haarlem over is en in 1570 vervaardigd werd, 
eenig denkbeeld van deze architectuur. 

28» 



216 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

Valt het te betreuren, dat wij zoo weinig weten van hen, die de leermeesters 
van Hendrik de Keyser geweest zijn, niet minder jammer is het, dat omtrent 
de Amsterdamsche bouwkunst van de tweede helft der i6* eeuw zoo weinig 
bekend is. 

Dat men daar nog lang aan de Gothische tradition bleef vasthouden, 
bewijzen zoowel de Oude Kerk als de Nieuwe Zijds Kapel, die tusschen 1555 en 
1565 belangrijk verbouwd en vergroot werden. Alleen het noordelijk gedeelte 
der Oude Kerk vertoont details in den geest der Renaissance, ofschoon de con- 
structie nog volkomen middeneeuwsch is. 

Maar het Paalhuis, dat in 1560 aan de Nieuwe Brug gebouwd werd, 
werd versierd met een Dorische en Jonische pilasterorde, die geheel in den geest 
van Serlio waren behandeld en die als bekroning een frontispies kregen. Een 
dergelijke klassieke opvatting vertoonde ook het huis op den hoek van het 
Damrak, in 1558 tegenover het Paalhuis gebouwd en welks fragmenten in het 
Rijksmuseum bewaard worden. 

De Waag op den Dam, van 1565, die in 1808 werd gesloopt, had eveneens 
een klassiek karakter, al waren haar gevels van gehouwen steen eenvoudig en 
al bepaalde de toepassing der Dorische orde zich tot de stoep. 

Den stijl van het Paalhuis vindt men terug aan de twee poortjes van de 
voormalige Stadstimmerwerf, die op den hoek van de Oude Turfmarkt en de 
Doelenstraat gelegen was. Men ziet die poortjes afgebeeld op de kaart van 
Amsterdam, door BALTHAZAR Florisz. VAN Berckenrode in 1625 uitgegeven. 
Een daarvan werd in 163 1 voor het Atheneum Illustre geplaatst en is nog op 
den Oude Zijds Voorburgwal aanwezig, het andere verhuisde in 1634 naar de 
St. Luciënsteeg, waar het sedert als toegang tot het Burgerweeshuis bleef dienen. 

De Stadstimmerwerf werd in 1 546 van den Grimburgwal naar de Doelen- 
straat verplaatst. Of toen reeds onmiddellijk de poortjes gemaakt werden, weten 
wij niet. Ik houd het voor waarschijnlijk, dat wel een vijftiental jaren verloopen 
zullen zijn, eer men die toegangen dus deed versieren. 

Ik heb het altijd eenigszins vreemd gevonden, dat men een Stadstimmer- 
werf van dergelijke fraaie, in ieder geval kostbare, poortjes voorzag. Meer aan- 
nemelijk komt het mij voor, dat zij, vóór 1578, geplaatst waren voor andere 
gebouwen, waar zulke weelde meer gepast was, en dat zij later naar de Stads- 
timmerwerf zijn overgebracht. 

Dat de poortjes geheel in hun oorspronkelijken toestand zijn, geloof ik 
niet. In het bijzonder de bekroningen schijnen in 163 1 en 1634 gewijzigd. 

De poortjes vertoonen eene rustieke architectuur met pilasters, die vrij 
streng naar de Dorische orde zijn gevolgd. De breedte-afmetingen komen onge- 



DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 217 

veer overeen; blijkbaar hebben de poortjes, toen zij nog op de Oude Turfmarkt 
stonden, ook dezelfde hoogte gehad, doch is dat van het Atheneum bij het 
overplaatsen verhoogd, hetwelk men nog aan de plompe diamantkoppen in het 
tweede vak van onderen kan zien. Bij die verandering heeft men den boog 
tusschen de pilastars laten zakken, zoodat die op weinig fraaie wijze tegen het 
rustiekwerk der pilasters aansluit. Ik houd het zelfs voor mogelijk, dat stukken 
van het eene poortje bij het andere gebruikt zijn, toen zij hun tegenwoordige 
plaatsen kregen. » 

Het rustiekwerk dezer poortjes herinnert aan dat, door Philibert de 
L'Orme in 1552 aan den gevel van het kasteel Anet toegepast. De eigenaardige 
fijne en grillige figuren, daarin uitgehouwen, zijn gevolgd naar de stucwerken der 
oude Romeinen, welke in eenige vertrekken, omstreeks 1500 te Rome ontdekt, 
waren gevonden. De school van Rafael maakte van deze „grottesken" gebruik, 
en zoo paste GlULlO ROMANO ze toe in het Palazzo del Te te Mantua, vanwaar 
Primaticcio, die daar gewerkt had, ze naar Frankrijk bracht. Sedert zijn „grot- 
werken" tot ver in de 18e eeuw in den smaak gebleven. 

Het is niet onwaarschijnlijk, dat de meester, die zoowel het Paalhuis als 
de beide poortjes heeft ontworpen en uitgevoerd, de Fransche architectuur heeft 
gekend. Dat hij een goed beeldhouwer was, bewijzen de fraaie maskers van het 
poortje voor het Atheneum. 

De Roever vond in 1562 een „Cornelis Blomert" als te Amsterdam 
werkzaam. Hij durft niet beslissen, of deze dezelfde was als de reeds genoemde 
CORNELIS BLOEMAERT, Hendrik DE Keysers leermeester. En daar geen enkel 
werk van BLOEMAERT ons bekend is, zoo kunnen wij de stijlkritiek niet gebruiken 
om na te gaan of deze drie Amsterdamsche werken inderdaad van den meester 
afkomstig zijn. 

Galland meent dat wij aan Joost Jansz., gezegd Bilhamer, als ont- 
werper moeten denken. „Der Meister, welcher seiner Vaterstadt in dem Oudekerk- 
„Turm eine der eindrucksvollsten Bauschöpfungen des Landes hinterlassen, ist 
„unleugbar der interessanteste Amsterdamer Künstler der zweiten Hälfte des 
„Jahrhunderts. Ein urkundlicher Nachweis last sich freilich in keinem einzigen 
„Falle erbringen, und so muss uns die Wahrscheinlichkeit genügen." 

Hiertegen kan worden aangevoerd, dat de oorkonden Bilhamer slechts als 
architect, ingenieur en teekenaar van kaarten vermelden, doch dat hij nergens als 
beeldhouwer wordt genoemd. Aan den anderen kant moet echter erkend worden, 
dat ook CORNELIS Bloemaert in 1591, toen Bilhamer was gestorven, als 
ingenieur in dienst der stad werd genomen. 

Als werk van Bilhamer noemt Galland de poort van het Burgerweeshuis 



218 DE NEDERLANDSCHE BOUWKUNST OMSTREEKS 1600. 

in de Kalverstraat. Deze poort zien wij afgebeeld op de kaart van BALTHAZAR 
Florisz , echter zóó klein, dat wij geen andere bijzonderheden kunnen herkennen, 
dan dat zij in 1625 uit een ingang met een bekroning bestond. Het muurwerk, 
nu daarboven aanwezig, met een fronton en een groot wapen der stad versierd, 
moet, wat ook met den stijl overeenkomt, omstreeks het midden der 17e eeuw 
zijn aangebracht. 

Beschouwen wij de poort, zooals zij zich thans vertoont, dan zien wij, dat 
het benedendeel een fragment is van een arcade, die zich blijkbaar naar de beide 
zijden heeft voortgezet, en die, met haar gedrukten boog, het karakter van het 
begin der 17e eeuw heeft. Daarboven is, echter zonder verband met het overige 
het bekende relief geplaatst, met daarnaast, doch weder zonder bepaald verband, de 
twee nissen, waaronder ANNO 1581 staat uitgehouwen. Het is duidelijk te zien, 
dat deze nissen en het reliëf oorspronkelijk niet bij elkander hebben behoord, 
doch eerst later naast elkander zijn gezet en met een lijst en zoogenaamd 
„gebroken" fronton in het begin der 17e eeuw zijn bekroond. 

De twee maskers onder de nissen hebben ongetwijfeld het karakter van 
1581. Maar of daarom ook het reliëf toen vervaardigd is, schijnt mij niet zeker. 

In de «Kroniek van Staets" zegt Dominus Laurentius, dat hij alleen 
vermeldt: „'t gene dat van Magistraten wegen" sedert 1594 is gemaakt, maar 
„laet ongeroert hetgene dat de Vaders van 't Weeshuys" hebben laten verrichten. 
Hieruit blijkt derhalve, dat er in Hendrik DE Keysers tijd aan het Burger- 
weeshuis is gebouwd. Nu komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de poort 
toen, met gebruikmaking van enkele reeds aanwezige deelen uit 1581, in haar 
tegenwoordigen staat is gebracht, en dat het relief door DE KEYSER is gemaakt. 
Als men dit aanneemt — en de stijl van het relief is zeker geen beletsel — 
dan wordt het duidelijk, waarom VONDEL zijn bekende gedichten maakte, waarvan 
één voor het relief boven de poort, de beide andere voor de twee reliefs in de 
muren de huizen aan het pleintje waren bestemd. Ook die twee reliefs zijn wel 
in DE KEYSERS manier, al werd in het zuidelijke in de 18e eeuw eenige wijzi- 
ging aangebracht. Maar het noordelijke is nog intact. 

De dikke laag verf die deze reliefs bedekt maakt het echter bezwaarlijk, 
over de details van het beeldhouwwerk te oordeelen. Pas als die verf eens ver« 
wijderd was, zou men kunnen zien, of de eigenaardigheden van DE KEYSERS 
manier inderdaad aanwezig zijn en of dit relief als een werk van den meester 
kan gelden. 

Haarlem, 15 Mei 1908. 




REMBRANDTIANA; 



DOOR 



A. BREDIUS. 



I. EEN TESTAMENT VAN REMBRANDT. 

f OEVEEL er ook ïn den loop van vijf en twintig jaren 
door mij — bladzijde voor bladzijde — was doorgezien, 
altijd bleven er nog enkele protocollen der Amster- 
damsche, helaas door den i8en eeuwschen brand ge- 
havende protocollen over, die ik tot het laatste had 
bewaard, omdat zij bijna niets dan scheepsbevrachtingen 
en wisselprotesten bevatten. 

Juist onder die papieren bevindt zich het hier 
volgende Testament van Rembrandt met zijne Saskia, ruim een jaar na hun 
huwelijk onderteekend. 

Het is begrijpelijk, dat het een mutueel Testament is; even begrijpelijk 
dat Rembrandt de / 2000. — die aan familieleden door den langstlevende moeten 
worden uitgekeerd, aan zijne moeder toedenkt. 




220 REMBRANDTIANA. 

Hier volge het document: 

In den name des Heeren, Amen. In den Jare van der geboorten desselfs 
ons Heeren en Salichmaeckers Jesu Christi duysent ses hondert vyff en dertich 
op den xvij Novembris savonts de clocke omtrent seven uren, Impererende &c 
compareerden voor my Sybrant Corneussen, Openbaer Notaris tot Amster- 
damme residerende by den Hove van Hollant geadmitteert ter presentie van de 
ondergeschr. getuygen d'Eersame Rembrant VAN RHYN ende SASKIA VAK 
Uylenburch syne wettige huysvrouwe, wonende binnen deser Stede, my Notaris 
bekent, beyde gaende, staende, gesont van Lichamen ende tgebruyck van haer 
verstant en uytspraecke door Godes genade wel hebbende ende gebruyckende, 
als uyterlyck bleeck, diewelcke Innesiende des menschen cranckheijt en brosheyt, 
de seeckerheijt des doots ende de onseeckere ure van dien, Begeerden deselve 
voor te com men met dese hare Testamentelycke dispositie, hebben daeromme 
te samen en bysonder, in der bester forme en maniere doenlycke synde met 
rypen rade ende vryen wille soo sy seyden, gedisponeert ende haer Testament 
uyterste en laeste wille gemaect gesloten en geordineert in maniere naer- 
. volgende : 

In den eersten bevelende haer Sielen in de handen en onbegrijpelijcke 
barmherticheyt ende genade Godts Al ra acht ich ende hare lichamen de christe- 
lycke begraeflenisse. Alvooren revoceerden de voorn. Testateurs dooden en 
deden te niette mits desen alle Testamenten codicillen oft andere disposition by 
hen beyden tesamen oft elx bysonder voor dato deses gemaect, bekent oft 
gepasseert, sonder dat deselve cracht hebben oft effect sorteren sullen dan dit 
alleene. Ende op nieuws disponerende, hebben de voorn. Testateurs malcan- 
deren ende d'een den anderen reciproce dat is d'eerst afflijvinge den langst* 
levende van hen beijden met vollen rechte van Institutie, geïnstitueert en geno- 
mineert als sy institueren ende nomineren mits desen tot elx anders eenige en 
volcomen erffgename in alle ende yegelycke de goederen soo roerende- als onroe- 
rende, renten, actiën, crediten, gerechticheden, contante penningen, meublen, 
clederen, clenodien, Juwelen en alles meer wes d'eerst afflyvinge van hen beijden 
eenichsints metter doot sal commen te ontruijmen ende nae te laten, niets ter 
werelt uijtgesondert, omme alles by den langstlevende uyt eygener authoriteyt 
sonder eenige Immissie oft solemniteyten van rechteren oft rechten daertoe te 
derven versoecken, geaenvaert, genoten en eeuwelyck en erffelyck behouden 
te werden, sonder yemants tegenseggen, mits alleenlijck uytkeerende aen des 
eerstafflyvigens naeste vrunden de somme van Twee duysent carolus guldens 
oft de renten van dien tegens 5 pr cento jaerlijx ter tijt toe de langstlevende 



REMBRANDTIANA. 221 

sal mogen goetvinden de capitale somme aff te leggen. Sullende 't eerste jaer 
rente, soo de langstlevende de penningen onder hem hout, verschenen sijn een 
jaer nae des eerst afflijvigens overlijden. In welcke voorsz. Twee duysent carolus 
guldens oft de renten van dien, de Testateur, soo hij de eerste afilijvige waren 
tot sijn erffgename institaeert sijne moeder soo sij als dan int leven is, toevoe- 
gende haer deselve somme voor en in voldoeninge van hare legitime portie. 

Ende de Testaterse d'eerst afflijvige sijnde, sullen de voorsz. 2000 gis. 
oft de renten van dien, genoten werden namelijck deene gerechte helft bij hare 
suster HlSKE VYLENBURCH oft hare kinderen, ende d'ander helfte bij haersuster 
Tietge Vylenburchs en haer broeder Idsert Vylenburch oft mede hare 
resp: kint oft kinderen in hare plaetse. Ende dit bij aldien deerst afflijvige quame 
te overlijden sonder kint oft kinderen te samen geprocreert int leven naetelaten. 
Alle twelcke voorsz. staet seyden en verclaerden de voorn. Testateurs ende een 
yder van hen alsoo te wesen hare uyterste en laeste wille. Ordinerende en 
begerende expresselijck dat deselve nae haer overlijden volcomen cracht hebben 
en effect sorteren sal, tsij als Testament solemneel, codicille, gifte onder de 
levenden oft ter saecke des doots oft andersints soo sulx nae rechte opt crachtichste 
sal connen bestaen. Al waert &c. Versoeckende voorts aen mij Notaris wettelyck 
stipulerende &c. sonder fraude. Gedaen binnen der voorsz. stede Amsterdamme 
ter woonplaetse van de testateurs, ter presentie van Jan Volckertsz. Oli, 
mede Nots. ende Jacob van der Swalme (teekent Jacob Swalmus) hiertoe 
versocht: 




II. UIT OUDE INVENTARISSEN. 

De in 1652 overleden oud-gouverneur generaal van Indtë, JACQUES SPECX, 
bezat onder meer schilderijen twee bekende schilderijen van REMBRANDT: 
een Europa, 
en een scheepgen Petri. 
Oud-Holland, 1908. 29 



222 REMBRANDTIANA. 

De portretten van den overledene en van zijne laatste huisvrouw, in dien 
boedel, waren door Ovens geschilderd, Flinck was door 2 Evangelisten, DOü 
door 3 een soldaet" vertegenwoordigd. ') 

In den Inventaris van Gerard van der Voorde te Amsterdam wordt 
door schatsters een trony van Rembrant in de zijdelkamer op / 6. — gewaar- 
deerd. Andere stukken veel hooger. Maar men schreef 20 Sept. 1663 1 •) 

In den Inventaris der nalatenschap van Clara DE Valaer, Wede van 
Eduart van Domselaer, 16 Oct. 1660 door Not. P. de Bar y te Amsterdam 
opgemaakt, komen merkwaardige schilderijen voor. De enkele stukken, die ge- 
taxeerd worden door Rembrandt's leerlingen Bol en Ovens doen ons zien, hoe 
bij zijn leven nog zijn werk niet meer zeer hoog gewaardeerd werd. Wij zien 
verder dat de groote Danaë van Petersburg toen ook wel degelijk voor een 
Danaë gehouden werd. En voorts zijn er onder de schilderijen allerlei curiosa. 

De volgende Schilderijen, conterfijtsels. syn getaxeert by Ferdi- 
nandus Bol ende J. Ovens, schilders. 

Twee, synde Evert van Domselaer met syn huysvrouw Clara 

van Valaer, beyde op ƒ 14. — 

twee synde Thobias Michiels Valaer, en syne huysvrouw, 

beyde op 14. — 

Ende een conterfeijtsel van Rembrandt sijnde wylen Hendrick 

van Domselaer 42. — 

(In elk geval toch heel wat hooger dan de voorgaande portretten getaxeerd 1) 

De volgende schilderijen zijn niet getaxeert alsoo die sullen 
vercocht worden: 

Een bruyn lantschapien. 

een Emausien van Coenraet. 

een naeckt leggende kintien. 

een Johannes in de Woestyn. 

een bancketien. 

een Perspectieff van Pieter Willemsz. 

2 conterfeytsels van kinderen. 

een Diana. 

een conterfeytsel kint in de wiegh. 

een romer ende silvere schael van Camphuijsen. 

1) Prot. Not. P. de Bari), Amsterdam. 



RE M BK AN DTI AN A. 223 

een Pan ende syringe. 

een schildermodeL 

een bloempot van VERTANGEN. 

een lantschapgen der Stadt Rpaen van Jan Moyaert. 

(volgen vele stukken zonder namen.) 
een out bessie in een camer van Gerrit Doü van Leyden. 
een cleyn perspectieff van Steenwyck. 
Dansende boeren van Both. 
Een vissers strantie van WiLLAERTS. 
een wintertie van Arent Arentsz. 
twee boerengeselschappiens van Vincent Malo. 

NB. Een zoo'n uitnemend stukje is in 's Rijks Museum! 
een onweer van Stalpaert. 
een moy wéér van idem. 
een boeredans van Ostade. 

een lantschap met mijnen van Govert Jansz Mijnheer. 
een italiaense kop van MlNDERSCHA. 
een batalle van EsAiAS van de Velde. 
een lantschapien van Jan Moeyaert. 
de brandende bergh by Napels van idem. 

een perspectieff van van Bassen, de beeltenis van Vredenbergh. 
een boerépredicatie van Quast. 

een Battalje van Don Cordua en vorst Christiaen door Jan Martsz de Jonge. 
een stilleven van SORGH van Rotterdam. 

een schilderkonst ende Poesie van de Jonge Francken vau Antwerpen, 
vier clyne elementies van Roeland Savery. 

De volgende goederen wesende Restant van een meerder party 
syn in desen boedel verpant. O.a.: 
Een groot stuck schildery van REMBRANT VAN RHYN synde een 

Dane (Danaé). 
een bataille van Jan Martsen de Jonge. 
een Venus en Cupido van Govert Flinck. 
een sangeres van Ter Brugghe. 

een convoy van spelende soldaten van Jan Martsz DE JONGE. 
een stuck synde twee pauwen ende een kmt van REMBRANT. ') 
een Vanitas synde een dootshooft van SOEDERWIEL (Isaack JOUDERVILLE.) 
een fruytage synde een goude kan ende lampet van Ryckhals. 



1) Het prachtstuk nu in de Verzameling Cartwright. 



324 REMBRANDTIANA. 

een lantschap van Govert Jansz Mynheer. 

een dito van deselve. 

een slaepert met een naeckte Goddin van Jordaens. 



Inventaris vant resterende huysraet, meubelen enz. by CORNELIS 
Joan Reyxse naargelaaten ende in desselfs sterfhuijs be- 
rustende onder syn Weduwe Marritge Dirxs. 7 No- 
vember 1659. 

Int voorhuys. 

Een groote teyckening van Mr. Lambert (Doomer?) in een groote vaste 

kas met twe glase ramen, 
twee schilderijen van Jan Lievesen (Lievens) synde twe hoofden van 

Petrus en Paulus, 
een groot stuck schilderij van CORN, van Holsteyn synde een vertoning 

van Bachus, Venus en Ceres. 

In de sydelcamer. 

een heel groot stuck schildery by TURCKENBURGH (Stürckenburgh) ge- 

maeckt, vertoonende een turcxse stadt en eenige schepen, 
een pap-eeter van Lange Pier, in de gangh. 

In de beste earner. 

een stuck schildery geschildert door DE VLIEGER vertoonende een zee 

met verscheyde groote scheepen, 
een lantschap schilderije by van GOYEN daer in comt een boer met een boerin. 
een schilder y e van des Overledens vader en moeder geschildert door Rem* 

BRANT VAN REIN. 

een dito met een vergulde lijst vertoonende de predicatie van Johannes, 
geschildert door GULDEWAGEN en EsiAS VAN DE VELDE. 

een dito acktkant, van Harder Oom gedaen door REMBRANT. 

een groot lantschap door CORNELIS HOLSTEYN synde een bosschaesje 
daerin een jacht. 

Opt achtersaeltge. 

een teyckeningh in een gesnede lijst gemaeckt door Willem VAN DE VELDE. 

Er waren nog andere schilderijen zonder namen, en het wapen van den 
overleden» met een vergulde lijst. 

Aan het slot wordt diens naam: CORNELIS JAN Rycxsz geschreven. 1 ) 

*) Prot. Not. V. Swanenburch, Amsterdam« 



Kunst in de archieven van Vianen, 



DOOR 

M* PETER VAN MEURS. 
II. 



Boven de camer van de secretaris: 
Aen den inganck: 

i out houte kasje. 

Op de earner, doer aen volgende: 

i out tapijte behangsel yan gedierten, 
i groenlakens ledecant met een tafelkleet. 
i bed met i peulen en 2 oircussens. 

1 oude roode Japonse deecken. 

2 roode glasgardijnen. 

6 roodefluweele stoelen. 

2 gesteecke taberetten. 

1 leunstoel met een fluwele kussen. 

1 tafelken. 

Op de camer, genaempt den kofmeesters 
camer: 

i out gestreept behangsel 

2 grauwesaeye stoelen. 

i root tenytmiwele l ) stoel, 

i) Wat is dit toot fluweel? 



Op den deur loop: 

7 pourtraicten van officieren. 

Op de earner van Fraulijn VanDona: 

1 grauw Haerlemdamast behangsel. 
1 spiegel. 

1 eycke tafeltje. 

2 gerridons, roode. 

1 bedde met peulue. 

1 witte matras. 

2 oircussens. 

1 kattoene deecken. 

2 roode deeckens. 
1 witte deecken. 

1 out grauw behangseltje van een ledekant. 

1 kleyn blauw matrasje. 

2 matte stoelen, 
i vuermant. 

In 't torentje, onder de Chartres bij 
het salet: 
2 oude groenelakense stoelen« 



?26 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



2 gesteecke stoeltjens. 
i swartnuwele lijckkleet 

In de staetjuffers kamer bij de grooie 
Moei: 

1 groenmoquette behangsel. 
I grauw tafettdeet. 

1 arm stoel niet matrassen. 

2 conterfeytsds* 

i schilderij e van scheepen. 

4 grauwe taberetten. 

2 tafels. 

i ledekantje van Haerlems damast. 

i bedde met i peulue. 

2 oircussens. 

i gerridon. 

In de edelluydens earner: 

4 onde stoelen. 

2 beddens. 

3 peulens. 

i oircussen. 
3 deeckens. 
i out scherm, 
i tafeltje. 

In % t hoender hoek: 

3 faisanten. 

Op de bottellerije: 

Tin. 

Drie groote Potafeschotéls. 

Een platte assütU. 

Acht assiettes, 

Vjjf kleynder assiettes. 

Ses schotels van sleght tin. 

64 tailloren met wapens. 

16 tailloren van sleght tin. 

Vijf kommen» 

Twee soutvaten. 

Twee beeckers. 

Drie kannen. 

Vier vierkante kandelaers. 

Twee ronde kandelaers. 

Een steeckbecken. 

. . waterputten» 

Een incktkoocker. 

Een theepot 

Twee juffertjes om de handen te warmen. 

Nogh een theepot 



Bliek. 

Een tteeckbeckea. 

Twee snuytertaÜloren, 

Drie snuyters. 

Een hanghblaecker« 

Twee guéridons om oonfitaren op te satten. 

Drie doosen. 

Een lantaren. 

Root koperwerek. 

Twee confituerpannen. 
Een chocolaetpot. 
Twee pannen met steden. 
Een theeketeUje. 
Een schuymspaen. 

Geel koper. 
Een confituerpan. 
Een weeghschaeL 
Een cleyn toocbekauffoir. 
.... blaeckers, soo heele als gebroocken. 
Een rasp. 

Peauter. 

Een lampetschoteL 

Een gebroocken soucoupe. 

Drie oude guéridons. 



Drie houte kassen. 

Een ovale tafel. 

Een vierkante langhwerpige tafel. 

Drie Pruysleere stoelen. 

Een kleyn houte kasje. 

Een kaerskist 

Twee tonnen, daer men porceleyn in packt. 

Een teene instrument, om fruyt op te setten. 

Ses sleghte schilderijtjes. 

Een kannebort 

Een paer hartshoornen. 

Een kaerslade. 

Twee leere kokers tot lampetschotels. 

Twee leere messekoockers« 

Een ijsere vleetkroon. 

Een deel confituerpotten T aerde kannen, potten 

ende glasen. 
Drie houte conntuerdoosen. 
Een banck op een buffet. 
Een glasebenne. 
Een deckmande. 

Een ronde ijsere plaet met drie pooien. 
Een slijpplanclge. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



»7 



Twee ronde plancken met voetjes, om dessert 
op te setten. 

Vóór de bottellerije: 

Een lantaeren. 

Een ovael bladt van een tafel. 

In de keuchen ende backcamer: 
Coperwerck. 

Twee groote ketels. 

Vijf kleyne ketels. 

Ses decksels« 

Drie cassarolles. 

Drie diepe pannen met lange steelen. 

Drie taertpannen met de decksels. 

Een broederpannetje. 

Twee deurslagen. 

Een koeckpan. 

Drie schuyraspaenen. 

Twee drooplepels, 

Een rasp. 

Een vijsel met de stamper. 

Een kandelaer. 

Drie asketels. 

Een oude taertpan met het decksel. 

IJserwerck. 

Twee braetpannen. 

Drie roosters. 

Een drooplepel. 

Een tangh. 

Een groote asschup. 

Vier treeften. 

Vijf speten. 

Twee kleyne speetjes. 

Drie haelen of heugels (j*V). 

Twee lange haertijsers. 

Een gser daer 't spit in loopt. 

Twee braets pit- we reken. 

Drie hackmesse n. 

Een ovenhaeek. 

Een blicke suyekerdoos. 

Twee blicke lampen. 

Een haert 

Houtwerck. 

Een block. 

Twee houte kassen. 

Twee emmers. 

Een deel houte lepels. 

Een soutbackje. 



Twee tonnetjes. 

Een backtrogh met een planck daerop. 

Een brootplanck. 

Een kruytdoosje* 

Een scherm voor 't gebraet 

Een teems. 

Een turfmande. 

Een houte weeghschaelemeteendeelgewighten. 

In 't verwulf vóór de keucken: 

Enz. 

In éteetzael van de dienstboden: 

Enz« 

In 't waschhuys: 
Enz. 

In de kelder; 

Een vliegekas. 

Een partij ledige oxhoofden. 

Een groote badttobbe. 

In de lacquayencamer ; 

Twee slaepbancken. 

Een bedde ende twee hooftpeuluwen. 

Drie oude deeckens. 

Een quackelkooy. 

Drie oude schilderden. 

In de cockscamer: 

Enz. 

Op de haver solder : 

Enz. 

In de dispensier s camera 
Enz. 

In 7 earner tje boven de keldertrap: 
Enz. 

In de caetsbaen: 
Eenich branthout ende tackkebossen. 

In V quartier van den rentmeester 
INGENHOUSZ: 

2 contexfeytsels. 

i out goudeleere behangsel. 

i loode kloek, om rooswater in te branden. 



288 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



Op de galerij e boven: 

28 conterieytsels, groote en kleyne. 
1 slaepbanck. 
1 kleertaiel. 
3 oude kaerten. 
1 oude groene stoel. 

Op de solder boven het beste quartier* 

i partije out houtwerck van ledecanten en 
anders. 

1 kerckstoel, met 1 armstoel van gebloemt 
fluweel. 

2 oude armstoelen. 

1 rooden esel tot een pavilloen. 

De steenen en 't ijser van een uutgebroocke 

each el. 
Wat out leer en andere prullen. 

In de beslote benedengalerije onder het 
beste quartier: 

Een draechzetel. 

I vuerijser. 

i groot ovale bladt van een tafel. 

3 vuerenhoute packkisten. 

Twee houtwereken van ledecanten. 
1 voet van een groote tafel. 

In 7 speelhuysch op de wal van den 
palmhof: 

1 goudeleeren behangsel aen de mueren. 
6 blauwe stoelen van Haerlems damast. 
1 achtkantige leye tafel. 
1 velttafeltje. 

In 't coetshuysch en piqueurschuyr : 

1 caros met spiegelglasen, van binnen met 

geel en swart caffa bekleet. 
1 cales à la mode % met blauw trjjp bekleet 
1 Berline, met grouw stof van binnen. 
1 carosse coupé, met root van binnen. 
1 legerwagen. 
1 legerkarre, 
i open wagen, 
i sleepslede. 
1 platte groote mande, met een houten bodem. 

In de stal: 

3 haverkisten. 

1 sadel. 

6 toornen en tuygen, met haer toebehoren. 



6 deckkleeden. 
2 roskammen. 

1 houte paert, daer men op voltigeert. 

2 emmers. 

1 bedde, peulue en 2 hooftkussens. 

2 deeckens, 

1 beerenhuyt. 

2 voreken. 

Op de wapenkamer: 

1 tafel 

1 leere stoel. 

4 ezels, om sadels op te hangen. 

Eenige oude stormheeden, vuerroers, musquet- 
ten, pistolen, corceletten, landen, bande- 
liers etc*. 

1 kleyne trom. 

Op de solder van de kleyne stal: 

Eenich out hoy. 

In de gracht: 

1 aeckje. 

Silverwerck % onder de bewaringh 

van den dispensier RAMOT: 

4 kandelaers. 
6 sontvaten. 
1 soucoupe. 

1 vierkant verguit soutvat, met een lepel, 
vorek ende mes, daertoe behorende. 

2 vergulde gondoles, 1 groote met 1 kleyne. 
1 ront verguit soutvat, met x lepel, vorek 

ende mes daertoe. 
6 eyerlepeltjens. 
1 deckseltje. 

1 mostertpot met 1 lepeltje. 
X suyekerdoos. 

I peperdoos. 
12 fourchettes, 
12 messen. 

II lepels. 

1 lepel, tot de conntueren gebruyckelijck. 

2 witte kannetjes met silvre decksels. 
1 snuiter. 

1 blaeckertje. 

2 kandelaers. 

Linnen onder de bewaeringh van 
den dispensier RAMOT: 

(Hier volgen slaaplakens, tonder opgaaf 
van de merken.) 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



S39 



Tafellakens: 
2 van 't Oyevaersnestje. 
2 van 't France werck. 

2 van 't werck van de graef van Dona. 

3 van 't Jerusalems cruys. 

1 van Plus (mitre. 

2 van de Meniste pluym, waervan een seer 
gebrant is. 

a van 't Hartecransje. 

i van Pavy. 

i ut supra, out. 

i van 't Capittelstockje. 

4 grove voor de dienstboden. 

Servetten : 

30 van 't Oyevaersnesje. 
12 van 't Jerusalems kruys. 
32 van 't France werck. 
24 van 't Cruysroosje. 

31 van Pavy. 

19 wat grover, van Pavy. 

3 van d' Engelse roos. 

32 van de Meniste pluym. 
6 van 't Hartekransje. 



6 van een Roosje. 

15 oude. 

22 seer oude. 

9 voor de dienstboden. 

3 grove bantdoecken. 

Sloop m : 
25 sloopen. 
3 grove sloopen. 

Hofgercetschap, in bewaringh van 
den hovenier Padé: 

(Hieronder : 
3 hackouwen. 
1 entzaech. 
1 snoeybeytel. 

1 palmscheer. 

2 swaenebaecken. 

1 blicke meloenboor 
1 molleval. 

16 meloenkassen. 

17 meloenstolpen. 

3 steene Cupidoos. 



140 bloempotten.) 
Catalogus van de boecken: 
(Hier volgen 141 nom mers, de meeste in het Fransch, en eenige in het 
Nederlandsch en het Latijn, benevens een Spaansche bijbel. De boeken zijn 
grootendeels van geschied-, aardrijks- of letterkundigen of godsdienst igen aard. 
Er komen onder voor: 

In quarto; 
Court Narré de la Maison de Brederode. 
]. van der Muelen, Commentarius in statuta Vianensia. 

In octavo et minori forma. 
La liturgie Angloise.) 
Meublen die bevonden syn op den huyse Amelesteyn in het Viaense Bosch: 



In het cabinet] e: 

6 geeletrijpte rughstoelen. 
1 eyke taeffeltje. 

Op de sael: 

6 blauwe geblomde tqjpte stoelen 
1 eycke taeffeltje met 1 vuere voet 

Boven het cabinet: 

i vuere vierkante taeffei. 
Ond-Holland, 1908. 



Op de solder: 
6 stulpjes sonder glasen. 
3 houte beelden met een houte hooft 

3 glasraempjes sonder glasen. 

In de kelder: 
1 vuere aenrecht. 
I houte banckje. 

In den hoff: 
1 ouwe scheer, die den hovenier heeft laten 
vermaecken. 

4 houte klejne Deeltjes met een borststuck* 
1 spiegel. 

30 



280 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



7 racmpten met glasen op den back, daervan 
den hovenier een ducaton over reparatie 
heeft betaelt 

I ouwe schoffel, met i spaey, onbruyckbaer. 



2 ouwe vuere bledden. 
I ladder van 15 sporten« 
1 schnytboom. 



Aldus gedaen ende de voorsz. meublen opgeteyckent in presentie van 
EUSA GORDON, secretaris van Haer Excellentie de gravinne douarière VAN SOLMS, 
ten overstaen van CoRNELis Botter ende Justus de Gelder, schepenen der 
stede Vianen, op den Xlen, Xlllen, XHIIen en XVen Maij XVIc vijf-ende- 
tachtich. 

In kennisse van mij, secretaris, 

O. van der Laken. 



(4) 

Ten versoecke van Sijn Excellentie Heer Carel Emilius, burchgrave 
ende grave van Dona, erfgenaem onder beneficie van inventaris van Hetwich 
Agnes, Fraulijn VAN Brederode, vrije vrouwe van Vianen etc, goeder gedach- 
tenisse, geassisteert met Mr Johan van Almonde, desselfs advocaet, in 't bij* 
wesen van de Heeren directeurs, mitsgaders Mr CORNELIS DE LA PORTE, advo- 
caet van de voornaemste crediteuren, ende Elisa Gordon, secretaris van Haer 
Genade de gravinne douarière van Solms, geïnventariseert ende opgeschreven 
de naervolgende meublen, op den huyse Batesteyn, bij Vianen : 

Op het torentje, tusschen de antichambre van Haer Excellentie ende 't groot salet : 

In de kast achter het goutUer beneffens de schoorsteen: 

(Hier volgt een inventaris van archiefstukken, gevolgd door inventarissen 
van archiefstukken in een koffer en drie kisten.) 



Op het torentje daer men opgaet uut 

het groote salet, genaempt 

het chartrestorentje: 

Aldaer gevonden verscheyden kisten en lo- 
quetten met papieren, dewelcke ten deelen 
naergesien wesende, en sijn daeronder 
geene papieren van importantie gevonden, 
en is onder andere een doos geweest 
daerop geschreven was »Dit sijn papieren 



van importantie", doch sijn deselve daerinne 
niet soodanich gevonden. 

Op de chartrescamer achter de oude 
meublecamer aen de steene trap: 
Aldaer gevonden 2 houte kasten met 6 enckelde 
deuren, genombert 1, 2, 3 en 4, daerinne 
waren leggende veele reeckeningen van de 
respective rentmeesters van de domeynen, 
secretarissen, dispensiers en andere, doch 
deficieren verscheyden reeckeningen van de 
laetste jaren. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



281 



Op het porccUytu cabinet: 

In de kaste oen de oostzijde van de 

glasen, van beneden op: 

ie bord, i porceleyne smoorpot met 2 roll- 

wagens. 
2e bord. 1 groote lampetschotel. 

2 vierkante flesschen. 

2 teeflesjes met kruys. 

2 gekartelde Chineese kopjens. 

1 wit backje met een spinnekop. 
3e bord. 1 dubbelde boterschotel. 

1 enckelt gekartelt boterschoteltje. 

2 wijnkannen sonder lith. 
2 papegayskoppen. 

2 gekartelde klapmutsjens met vogelt- 

jens daerinne. 
2 witte Chineesjes. 
4e bord. 1 deurgewrocht porceleyne bennetje. 
2 wijnkannen sonder litten. 
2 papegayskoppen, waervan een ge- 

broocken is. 
2 klapmutsjens. 

1 achtkantig poppe-smoorpotje met 
1 deckseL 

2 witte poppe-teepierinckjes. 
5eofbo- 1 ordinaris spoelkom. 

venste 1 gecouleurde vlesch« 
bord. 1 gebroocke vlesch. 

4 achtkantige kopjens. 

1 ront platbuyckje met 1 deckseltje. 

1 schiltpadde cabinet. 

Onder het cabinet: 
1 albaste witte Cupido. 

Boven op het cabinet: 
4 albaste beelden van de vier jaer- 

getijden. 
1 swart cabinetje,daer een porceleyne 

smoorpot op staet. 

1 geel amber cabinetje. 

2 porceleyne serpente rolwagentgens. 
2 vierkante serpente oliepotten. 

2 calebasflesjens. 

2 blomflesjens. 

2 ruytpotjens met decksels. 

2 vierkante inetpotten met ooren. 

2 doosjes met decksels. 

2 kopjens met decksels. 

1 kleyn dickbuy ckje met een deckseltje« 



Op de eerste rey boven het cabinet: 

3 platte vierkante teeflessen. 
2 teepotten, gelijmt. 

2 hooge gedecte suyckerpotjens. 

4 sauciertjens. 

2 poppe-smoorpotjens. 

2 kopjens met knoppe deckselrjens. 

Op de 2e rey: 

2 platte teevlessen met decksels. 
1 asijnfles met een star. 
1 oliepotje, daervan 't oor gebroo er- 
ken is. 

1 suyekerpotje met oir en decksel. 

2 gekartelde schaeltjens. 
2 halve sauciertgens. 

2 poppe-smoorpotjens met tuytjens. 
2 dickbuyekjens met decksels. 

Op de ie rey: 

1 platte teevles met een decksel. 
1 kleyne suyekerpot met een decksel. 

1 ut supra sonder decksel. 
4 halve sauciertgens. 

2 inctpotgens met tuytgens. 
2 dickbuyekjens. 

Op de vierde of bovenste rey : 

1 oüepot. 

2 dubbelde gedecte teekoppen. 

2 kleyne flesjens. 

In de kast of hoeck naest het cabinet: 

ie of be- 1 groote porceleyne smoorpot. 
neden- 2 groote rolwagens. 
stebord. 1 vierkante fles. 

3 dubbelde boterschotels. 
2 tailjoren. 

1 enckelde gekartelde botterschotel. 

2 achtkante kopjens. 

1 mostertpotje met een silvre voet 

en lepeltje. 
7 poppeschoteltjens. 

3 blauwe chockelaetkopjens. 

1 ront kopje. 
2e bord. 1 lampetschotel. 

2 flessen met ringen. 
1 groote kanne. 

3 dubbelde boterschotels. 



288 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



3 witte gekartelde boterschotels. 
i suyckerpotje met i decksei. 
i witte suyckerpot met een door- 
luchtig decksei. 

2 dolphijntjens met ruytbackjens. 

3 strickschaeltjens. 

i vierkant doosje met een decksel. 
2 poppe-teepierinckjens met backjens. 
2 kopjens van spiritus van porceleyn . 
2 poppe- rolwagentjens. 

4 poppe-flesjens. 

3e bord. 1 driedubbelde spoelkom. 

2 vierkante teeflessen. 

1 vierkante fles met een silvre schroef. 

3 fruytschotels. 

1 kleyne ronde fles. 
1 dubbelde klapmuts. 

1 witte gekartelde boterschotel. 

2 taillioren. 

12 stucks poppegoet op de gront. 
4e bord. 1 driedubbelde spoelkom. 
1 enckelde spoelkom. 

3 fruytschalen. 

1 papegayskommetje. 

5 tailljoren. 

2 suyckerpierinckjens. 
2 kelckjens. 

1 teekopje. 

1 poppeflesjen. 
5e of 1 suyckerkop met een decksel. 
boven- 2 pijpkandelaers. 
ste bord. 3 papegayskommen. 

1 waterpot. 

2 soutvaetgens. 

3 suyckerschoteltgens. 
1 boterschoteltjen. 

1 swarttabelet met een baluystertje en 
vergulde pilaertjens. 
Daer binnen in : 

1 porceleyne beecker met een decksel. 

2 tailljoren. 

1 roode teepot met gout beslach. 

2 porceleyne kelckjens. 
2 achtkante kopjens. 

2 pierinckjens met backjens. 

Boven op het onderste fabelet: 

1 porceleyne papegayskom. 

2 callebasjens. 

2 kelckjens. 

3 poppe-teepierinckjens met een kopje. 



Daerboven een tabelet met 8 püairen. 
Binnen in het tabelet: 

1 porceleyne suyckerpot met een 
decksel. 

2 enckelde klapmutsjens. 

3 confituerschoteltjens. 

4 halve klapmutsjens. 

Boven op het cabinet (sic): 

1 papegayskom. 

1 chookelaetbeeckertje. 

2 poppeflesjens. 

2 Chineesjens. 

In de kast daer noest aen, in 't midden 
van de kamer of cabinet: 

ieoibe-i kandeelpot met decksel en koo- 
nedentte pere oiren. 
bord. 1 starsnel met decksel en tuyt. 

1 snel met een plat deckseL 

3 tailljoren. 

2 Chineesje (sic) kopjes met oiren. 

2 ovale suyckerbackjens. 

4 schaeltjens. 

1 poppe-suyckerpotje met een decksel. 
2e bord. 1 suyckerpot met een deckseL 
1 snel met een tuytdeckseL 

1 snel met een silvre lit. 

3 tailljoren. 

2 flesjens. 

2 suyckerschoteltjens. 

2 kelckjens. 

2 getraillide teekopjens. 

s pierinckjens met backjens. 

2 poppeflesjens. 

2 poppecalebasjens. 

1 geel gedect kopje. 
3e bord. 1 spoelkom. 

2 snellen met silvre litten. 

3 tailljoren, een van gebroocken. 
2 Chinese copjens. 

2 botterschoteltjens, gebroocken. 
2 gebroocke suyckerschoteltjens. 
2 doorluchtige teekopjens. 

1 poppe~suyckerpotje met een deckte!. 
4e of bo- 1 kleyne spoelkom. 

venste 2 blomporjens. 

bord, a Chinese kopjens sonder oiren. 

2 suyckerschoteltjens. 

3 schaeltjens. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



288 



2 kelckjens. , 
2 doorluchtige teekopjens. 
2 poppe-suyckerbackjens. 
i root-are doosje. 

I swart fabelet met ien baluystertje 

van vergulde pilaertjens daer natst aen. 

Daer binnen in: 

i porceleyne beeeker sonder decksel* 
2 tailljoren. 
2 kelckjens. 

i vierkant teepotje met gout beslach. 
2 achtkante teekopjens. 
2 gebroocke pierinckjens met heele 
backjens. 

Boven op het tabelet; 

i porceleyne papegayskom. 
2 calebassen. 

2 kelckjens, d* eene met een barst. 

3 teekopjens, waervan 2 geborsten, 
i teepierinckje met sgn backje. 

I tabelet daerboven % met aeht pilairen. 
Daer binnen in: 

i porceleyne suyckerpot met een deck- 
sel. 

2 Chineese koppen. 

2 suyckerschaeltjens, daervan een 
gebroocken. 

i confituerschaeltje. 

4 kleyne klapmutsjens. 

Boven op het tabelet: 

i papegayskop. 

2 chockeladekoppen. 

2 poppeflesjens. 

3 Chineesjens. 

In de kast in den hoeck bij de deur: 

ie of be- i smoorpot met een decksel. 
nedenste 2 groote flessen, 
bord. i vierkante fles. 

3 dubbelde boterschotels. 

2 enckelde boterschotels. 

i witte gekartelde boterschoteL 

3 teekopjens. 

i achtkante teekopje. 



2 blauwe teekopjens. 
2 poppeschoteltjens. 
2e bord. i lampetschotel. 

2 flessen. 

i groote wijnkanne. 

3 dubbelde boterschotels. 

3 gekartelde boterschotels met witte 

randen, 
i poppe-suyckerpotje. 
i achtkant backje. 
i papegayskelckje. 

2 blauwe suyckerpotjens met decksels. 
2 strickschaeltjens. 
2 kleyne asijnkannetjens. 
2 poppekelckjens. 
2 poppebackjens. 
i kopje met een bakje van spiritus. 

doch 't kopje gebroocken. 

2 backjens van spiritus, een van ge- 
broocken. 

3e bord. i driedubbelde spoelback. 

3 schotels. 

i vierkante Chineese fles. 
2 geblomde kelderflessen. 
i dubbelde klapmuts. 
i tailljoer. 

2 boterschotels, waervan 't een ge- 
kartelt is. 

i blomfles. 
9 stucks poppegoet. 
4e bord. i treck-teepot. 

3 schotels. 

i kleyne spoelkom. 
5 tailljoren. 
i papegayskop. 
3 suyck er backjens. 
a kelckjens, daervan een gebroocken. 
i poppe-teekopje. 
i poppeflesje. 
5eofbo- i suyckerpot met een decksel. 
venste 2 seskante kannen met oiren. 
bord. 2 seskantige flessen. 
3 papegayscoppen. 
i snel sonder oiren. 
i boters chotel. 
3 suyckerbackjens. 

I tabelet met 6 pi/air en daernevens oen. 
Daerbinnen in: 

i witte dubbelde teekopje. 

i achtkantig kopje, gebroocken. 



284 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



2 halve papegayscommigjens. 

5 confituerschaeltjens. 
i poppebackje. 

Boven op het tabelet; 

i bierkannetje. 

2 poppefiesjens. 

3 Chineesjens. 

i gebroocke kopje. 

I tabelet met sespilairen oen de andere 

sijde van de deur, nae de glasen. 

Daerinne: 

6 suyckerbackjens. 

i achtkant Chinees kopje. 

2 achtkante Chineese kopjens met 

ooren. 
i wit dubbelt teekopje. 

Boven op 't tabelet: 

i bierkannetje. 
2 poppeflesjens. 

i wit teekopje met een Chineesje 
daerinne. 

In de casse nevens de glasen: 

ie of be- i doofpot met een tnytdecksel. 
nedenste2 rolwagens. 

bord« 
2e bord« i lampetschotel. 

2 Tierkante kelderflessen. 

i wit schelpkommetje. 

2 teekopjens, gekartelt. 

2 backjens met voetgens. 

2 krabbetjens. 

2 witte poppekopjens. 
3e bord. 1 schoteL 

2 papegayskommen. 

2 callebasflessen. 

1 gekartelde boterschotel met een 
witte rant. 

2 schaeltjens, waervan 't eene ge- 
broocken is. 

2 witte backjens met Chineesjens. 

Aldus gedaen ten versoecke ende 
WlJNOLDÜS TER BRUGGEN ende JUSTUS 
op den 21 en ende 22en Maij 1685 ouden 



4e bord. 1 gecoleurde schotel. 
2 papegaysbacken. 

2 kannen, d'eene met een silvre lit 
en d' andere boven gebroocken. 

1 boterschotel. 

2 schaeltjens. 
1 kelckje. 

4 poppekopjens. 
5eofbo-i papegayskom. 
venste 1 wit suyckerpotje met een tuyt. 
bord. 1 poppeflesje. 

1 boterschotel. 

2 schaeltjens. 
2 kopjens. 

2 teekopjens. 

1 dickbuyckje sonder decksel. 

In de middel kast tusschen de glasen: 

1 kenckhoorn. 

2 Chineese mannekens. 

1 hoorn van peerlemoet. 
Voort een partije doosjes van lacke- 
werck en horentjens. 

Deur boven vóór de spiegel: 

1 witte porceleyne oliepot. 

2 gedecte kommen. 

1 beecker met een decksel van glas. 
1 tas van glas. 

In 't midden van de kamer: 

1 christalle kroon. 

4 pourtraicten boven 't schilpadde 

cabinet. 
1 schilderije boven de deur, van een 

vrouw met 2 kinderen. 

Aen de rechter hant van de deur 
Een Mars van schelpen. 

Aen de lincker hant van de deur: 
Een sjjde gesticte schilderije van Jan 
Haselot. 

1 blauwdamaste tafelkleet. 
4 blauwedamaste armstoelen. 
1 tafeltje. 
4 lackwereke backjens. 

bijwesen als in capite ten overstaen van 
DE Gelder, schepenen der stede Vianen, 
stijl. 

In kennisse van mij, secretaris, 
O. van der Laken. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



985 



(5) 

Aparten inventaris van de gelegateerde meublen, naergelaten bij goeder 

gedachtenisse Hetwich AGNES, Fraulijn VAN BREDERODE,dewelcke 

sijn bevonden op den huyse Batesteyn bij Vianen, ende op den 

generalen inventaris onder de andere meublen mede gebracht sijn. 



Gelegateert aen Mevrouwe de Marquise 
van Mompoullian: 

Alle het silverwerck, bij den generalen inven- 
taris gespecificeert, [uutgesondert 'tgeene 
daervan aen andere gelegateert is, sooals 
hiernae volgen sal. 

Een rootfluwele ledekant met breede goude 
en silvre passementen, met de stoelen 
daertoe behorende, 't bedt, matras en geele 
pluymen. 

Het beste Turx parterre. 

De tapisserijen van de historie van Joseph. 

Alle het linnen, uutgesondert 'tgeene daervan 
aen andere is gelegateert, in voegen als 
volgen sal. 

Een kleyn schütpadde cabinet, staende op 
het porceleyne cabinet. 

De helfte van 't porceleyn, op den generalen 
inventaris gespecificeert. 

Aen Fraulijn MariaLouise VAN DONA : 
i groenfluweel geborduert ledekant, met de 

stoelen, tafeikieet, bedt en matras, daertoe 

behorende. 
2 paer van de fijnste vierbaense slaeplaeckens 

met sloopen. 
Het tweede Turckse parterre, en de tapijten 

hangende in de earner van Haer Excellen- 
tie, sijnde een verduere. 
i van de beste damaste tafellaeckens en 

30 servetten van 't selve werek. 
De helfte van alle het porceleyn, waervan de 

wederhelfte gelegateert is aen Mevrouwe 

de Marquise van Mompouillian. 
De helfte van alle de ^0*'*i&-kanten, waervan 

de andere helfte gelegateert is aen Fraulijn 

van Mompouillian. 

Aen Fraulijn ARMELINA VAN 
Mompouillian : 

Het silvre toilet in des overledens nachttafel, 
bestaende in 't naervolgende : 

2 kandelaers met een snuyter. 
I silvre kamdoos. 



4 silvre poeyerdoosen. 

2 silvre vlessen. 

2 silvre mousjesdoosjens. 

1 silvre speldebackje. 

1 silvre blaeckertje. 

1 silvre verguit blaeckertje. 
Het grauwefluwele kaffa ledekant, met de 
stoelen, «bedt en matras, daertoe behorende. 
De tapisserijen sijn op den huyse Batesteyn 
niet gevonden. 

Aen Fredrick Rosenboom, fiscael 
van de Generaliteyt : 

Alle de schilderijen hangende in het root- 
damaste cabinet, bij den generalen inven- 
taris gespecificeert. 

Het beste en grootste schütpadde cabinet, 
met landschapjens op steen geschildert 

De grootste vergulde spiegel en more ge- 
ridons. 

Het groote groenedamaste ledekant met 
campanen, met de stoelen, bedt en matras, 
daertoe behorende. 

Twee paer van de beste en fijnste vier- 
baense laeckens met sloopen. 

Het derde parterre. 

3 stucken fijne Brusselse tapijten, sijnde een 
verdure. 

Alle de ringen en juweelen, die bij den 

generalen inventaris sjjn gespecificeert. 

Het grootste silvre lampet is op den huyse 
Batesteyn niet gevonden, dus voor memorie. 

Aen het kint van Do. Walingiüs, 
predicant tot Vianen: 

2 silvre kandelaers ter waerde van driehondert- 
en-vijftien guldens. 

Aen Joffrouwe Heert ende Lucretia 
Abcoude, ij der voor de helfte: 

Alle de klederen en linden, ten lijve van 
de overledene behorende, bij den generalen 
inventaris gespecificeert. 



236 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

Aldus de voorsz. gelegateerde meublen opgeschreven ter instantie van Sijn 
Excellentie Carel Emilius, burggrave en grave van Dona, erfgenaem onder 
beneficie van inventaris van opgemelte Fraulijn VAN BREDERODE, ten overataen 
van Cornelis Botter en Justus de Gelder, schepenen der stede Vïanen, 
den 2ie Junij 1685. 

In kennisse van mij, secretaris, 

O. van der Laken. 

II. UIT DEN INVENTARIS EN ANDERE STUKKEN 
BETREFFENDE SCHILDERIJEN VAN JOHAN OF 
JAN CARTWRICHT OF CARTWRIGHT, 
TE VIANEN, 1653- 

In het schepenarchief van Vianen op het Rijksarchief bevinden zich eenige 
stukken van den desolaten boedel van Joh AN of J AN CARTWRICHT of CARTWRIGHT, 
die van Vianen geaufugeerd was. De inventaris, van 22 Januari 1653, begint met de 
vermelding van 38 schilderijen. Bij appointementen van 7 en 28 Februari 1653 werd 
een kurateur aangesteld, die, blijkens een onderschrift van den inventaris, op 
14 Maart d. a. v. de namen van de schilders aan den kant van den inventaris 
door een paar meesters schilders, Jan Baeck en CORNELIS Matheu, liet aan- 
teekenen. De kantteekeningen stemmen niet altijd overeen met het in het 
lichaam van het stuk vermelde, of vullen dit aan. 

Dat de verzameling op waarde geschat werd, blijkt uit de bewaking waarin 
zij, blijkens een later onderschrift van den inventaris, gesteld werd. De opbrengst 
was ook tamelijk groot, want blijkens de rekening van den boedel, van 12 Juli 
1654, bedroeg de erfhuiscedel 1128 gulden 17 stuiver, waarin de meubelen 
behalve de schilderijen geen groot aandeel kunnen gehad hebben, omdat ze in 
den inventaris slechts 31 nummers vormden. 

Uit de rekeningen, door tal van schuldeischers ingeleverd, blijkt, dat 
Cartwricht ongeveer 5 jaar te Vianen gewoond had. De eerste post in die 
rekeningen is van 2 November 1648. In een register van allerhande akten vindt 
men een overgifte van 9 Mei 1650, van twee aangrenzende huizingen en erven, 
aan de Oostzijde van de Voorstraat, en aan de Westzijde van de Eerste Achter- 
straat, ten behoeve van Sr Johan Cartwrigt. Hij was zeker een Engelschman, 
want behalve dat zijn eigen naam dat aanwijst, wordt hij ook eenige malen in 
betrekking tot dragers van andere Engelsche namen vermeld, Zoogaf hij blijkens 
een register van allerhande akten 12 April 1652 een obligatie van 9 April 1651, 
sprekende op kapitein Cleeff Corbeth, ten behoeve van de diakonie-armen van 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 237 

Vianen over. En de stukken van Cartwricht' s boedel bevatten een volmacht van de 
kurateuren over den boedel van wijlen Pearce Brendon, te Amsterdam 25 Maart 
1653 verleden, voor een inwoner van Vianen, om van „Johan Cartwricht, 
onlancx geweesde coopman van Middelburgh, in Zeelandt", ƒ 660 in te vorderen, 
grootendeels wegens geleverd« hennep. 

Onder de stukken van den boedel trekt nog de aandacht een rekening 
van een timmerman, waarop een post voor het maken van een eiken doodkist 
voor een kind, op 8 Mei 1652, voorkomt. In andere rekeningen is sprake van 
zijn vrouw en een of twee dochters, Johanna en Margriet, met een van welke 
namen echter ook zijn vrouw kan bedoeld zijn. 

Een paar rekeningen hebben betrekking op schilderijen. Een er van luidt: 

„JOHAN Cartwrichts heeft gemijnt in 'terfhuysch van Joffr. BOLCK : 

5 schilderijen à 7—2 — 

ransoen o — 7 — o 

treckgelt .... o — 6 — o 
somme . . ~ 7 — 15 — 2 
O. van der Laken. l f 

In een andere rekening, die ook posten voor het witten van potten, het 

schilderen van het prieel, enz. bevat, leest men: 

„Spesivacasi voor S r Catrex." 
Enz. 

„Voor sijn stucken schoon te maecken ende uut te haelen, ende de leysten 
schoon te maecken 1 — 5 st. 

Noch een stuck verholpen ende opghespannen ende gestopt. 18 „" 

Enz. 

„Bij mijn gedaen, 

Baltesaer de Prins". 

Blijkens een hierbij liggende „memorie" had „Baltasar DE Prins, schilder 
alhier 91 , op 6 December 1652 een sententie tegen Cartwricht verkregen. 

Het huis in de Voorstraat (de koop van 1650) werd 11 Mei 1654 door 
den kurateur voor / 5380 aan een ander overgegeven. Dit bedrag, verminderd 
met een gevestigden last van / 3000, en de opbrengst van het boelhuis vormden 
de eenige posten van ontvang op de boedelrekening. 

De twee bovengenoemde meesters schilders die de schilderijen op naam stelden, 
waren inwoners van Vianen. CORNELIS Matheü, schilder, werd 14 en 28 Februari 
1653 door een houtwerker voor een schuld vervolgd. (Stadsrol, Rijksarchief.) Een akte 
van 28 April 1653, in een register van allerhande akten op het Rijksarchief, luid t: 

1) Sekretaris ran het gerecht, vóór hetwelk de erfbuUen gehouden werden. 
Oud-Holland, 1908. 81 



288 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

„Compareerde Mr PlETER Matheu den ouden» neffens CORNELIS ende 
Pieter Matheu, sijn twee sonen, ende verclaerde voor haer en haren erven, te 
cederen, transporteren ende over te geven, gelijck sij doen bij desen, aen ende 
ten behoeve van Jan van Oosterum, procureur alhier, ende Cathalina Hamels, 
echteluyden, seeckere huyssinge ende erve, staende ende gelegen aen de Oostzijde 
van de Voorstraet", enz. „belovende, deselve te vrijen ende te waren boven de 
laste van eenduysent vijftich gulden, die daerop gevesticht staen" enz. 

Een klad van een „inventaris van de goederen van Matheu", van 23 Dec 1656, 
op het Rijksarchief, vermeldt zijn goederen „in de camer aen de rechter hant" (waar- 
onder „4 schilderijen sonder lijsten"), „in de kamer aen des lincker hant (waaronder ook 
„4 schilderijen"), „in de achterkeucken", en „in de achterkamer" (waaronder „3 
schilderijen met 6 paneelkens", „ 1 santloper/' „een esel omme te schilderijen" [su]). 

Jan BaecK komt in een register van allerhande akten van Vianen op het 
Rijksarchief voor op 17 Juni 1650, toen hij en een ander volmacht gaven. Zie 
ook Immerzeel, I, 17, en von Wurzbach, I, 38. 

De boedelinventaris van Cartwricht luidt als volgt: 

„Achtervolgende den appointemente, staende op de requeste, gepresenteert 
bij Aeltgen Willems, wede van Gerrit Cornelisz. Hol zaliger, aen den E. 
gerechte der stede Vianen, in date der 22e Januari] 1653, hebben wij, BOUDEWIJN 
van Steenhuysen ende Johan de Man, schepenen, ende als commissarissen 
in desen, in 't bijwesen van den Heere officier deser stede voornoemt, ten ver- 
soecke van de voornoemde Aeltien Willems ons vervoecht ten huyse van 
Johan Cartwricht, van hier geaufugeerde, ende aldaer bevonden dese naervol- 
gende goederen: 

In de achtercamer : 
Schilderijen. 

Van der Ast. i groten blompot, van van dkr Ast 1 ), geteyekent n* 1. 

Copie van Portengen •). 2 lantschappen, van Mr Pr Matheu *), n° 2 ende 3. 
(Dit is doorgehaald en in 
de plaats geschreven:) 

Principael van Verha- 
gen 4 ). 

Principael van van der 
Laeck *). 

1) Zie Kramm, 32, Immerzeel, I, x6, von Wurzbach, 1, 33, en Catalogus der Tentoonstelling vmm oude 
schilderkunst te Utrecht (1894). 
t) Zie boven» 
S) Zie Kramm, 2303, Immerzxrl II, 321, en von Wurzbach, II, 346. 

4) Zie Kramm, 6x7, 630 en 17x0, Immerzeel, II, 8, en von Wurzbach, II, 633. 

5) Zie Catalogus der Tentoonstelling voornoemd, Catalogus der schilderijen van het Gemeenie-mu 
van 's-Gravenhage en misschien Kramm, 924, en von Wurzbach, II, 1. 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



889 



i van Croos. 

Onbeken t. 

Principael van CROOS 1 ). 

Ut supra. 

Principael van Lettré. 

Principael van Mathku. 

Ut supra. 

Van Heyns. 

Ut supra. 

Ut supra. 

Ut supra. 

Quast. 

Croos. 

Heyns. 

Hals. 

Hals. 

Ut supra. 

Hals. 

Heyns. 

Sachtlevbn. 

Heyns. 

Hals. 

Hals. 

Lettré. 

wouwerman. 

Lettré. 

Hals. 

Hals. 

Matheu. 

Hals. 

Lettré. 

Matheu. 

Baltus. 

Een Itailjaens stuck, on- 
bekent, van een fraey 
meester. 

Van Heyns. 



i lantschap, van Croos *), n° 4. 

1 stuck uyt Geneseos 31, n° 5. 

1 lantschap, remontrerende 't huysch van Haer Hoocheyt «), n° 6. 

1 lantschap, representerende de Stadt Leyden, n° 7. 

1 fruytage, van Luytrée, n 9 8. 

1 lantschap, van Matheu, n° 9. 

1 ut supra, n° 10. 

1 kanneken met taback, van Hegnius, n° 11. 

1 ut supra, n 9 12. 

1 dootshooft van ut supra, met een santloper, n 9 13. 

i romer met een krabbe, van ut supra, n° 14. 

i kaertspel, van Quast «), n° 15. 

'T huysch te Rijswijck, n° 16, van CROOS l ). 

'T conterfeytsel, van Hbgnius, n° 17. 

Een vroutien met een fluytien, van Hals, n° 18. 

1 vrijer ende vrijster, van Hals, n° 19. 

1 boer engesei schap, van Hals, n° 20. 

1 boerenkeucken, van ut supra, n 9 21. 

1 romer met citroenen, van Hegnius, n° 22. 

1 lantschap, van Matheu, n° 23. 

1 kan met een romer, n° 24. 

1 boer met een kan, van Hals, n 9 25. 

1 boer met een boerin ne, n 9 26. 

1 tulpa, van Lettré, n° 27. 

1 passagier te paerde, n* 28. 

1 fruytage, van Lettré, n 9 29. A 

1 luysevanger, van Hals, n 9 30. 

1 boer met een tabacksuyger, van Hals, n 9 31. 

1 ceysnijder, van Cornelis Matheu 4 ), n 9 32. 

1 tabacksuyger, van Hals, n° 33. 

1 tulpa met een vogeltien, van Lettré, n 9 34. 

1 lantschap, van Matheu, n 9 35. 

1 kanne met een romer, van Mr Baltus •), n 9 36. 

1 St.-jACOBsbroeder, n 9 37. 



1 kan met een kreeft, van Hegnius, n 9 38. 
Enz. 

In de ganck: 
Enz. 

In de keucken: 
Enz. 

In de achter keucken: 
Enz. 



i) Zie Kramm, 30a, en AanAamgut, 38, Immerzeel, I, 158 en 159, en von Wurzbach, I, 360. 

*) Het Huis ten Bosch. 

s) Zie Kramm, 1397 en 1398, Immerzeel, I, 33a, en von Wurzbach, II, 368. 

*) Zie boven, en Kramm, 1077 en 1078, vor Wurzbach, II, 126, Dr. P. Scheltema, AimsUls 
Oudheid, IV, 67, en Oud-Holland VIII, Mo. 

») Zie misschien Kramm, 48, 49 en 51, Immerzeel, I, a 8, en von Wurzbach, . 1, 50. Of zon Baltus 
van der Ast weer bedoeld rijn? 



*40 KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 

Boven: 
i groote schilderte, waerinne sgn vrouwe is afgebeelt ende hij uytgewist. 

In 7 voorhuysch: 
Enz. 

Alle welcke goederen wij door den gerechtsbode ten huyse als voren 
hebben doen bewaren. Gedaen op den 22e Januarij 1653. 

Op den 29e Januarij 1653 hebben wij, bovengenoemde commissarissen, 
ten versoecke van den officier, als daertoe geauthoriseert bij appointement van 
desen E. gerechte, staende op de requeste, gepresenteert bij de samentlijcke cre- 
diteuren van den gemelten Cartwricht, in date den 26e Januarij 1653, ons 
wederomme vervoecht ten huyse van den voorn. Cartwricht, ende de goederen 
alle tesamen volgens den inventaris aldaer noch bevonden, ende de camere daer 
de principaelste in sijn, met stadtszegel toegesegelt. 

Op huyden, den 14e Martij 1653, hebben wij, ADR1AEN STICHTER ende 
Dani£l Losser, schepenen, ende als neffens den schepen-borgemeester commis- 
sarissen, in 't bijwesen van den officier, ter requisitie van den curateur, BALTHASAR 
DORTMONT, ons vervoecht ten huyse van den voorn. CARTWRICHT, ende de 
zegels bevonden ongequetst, ende de toegesegelde camer ontsegelt ende geopent, 
ende de goederen daerinne unvermindert volgens den inventaris bevonden, ende 
de meesters der schilderijen, alhier aengeteyekent, op de kant doen specificeren 
bij m« Jan Baeck ^ ende CORNELIS Matheu, schilders, ende alsdœn de camer 
weder toegezegelt. 

Op den 26e Martij 1653 hebben wij, bovengeschreven commissarissen, 
neffens, in 't bijwesen ende ter requisitie als voren, ons weder vervoecht ten 
huyse van den voornoemden Cartwricht, ende de earner geopent, de schilderijen 
daeruyt genomen ende in de voorcamer op doen hangen, omme besichticht te 
mogen werden, ende deselve door den gerechtsbode, die aldaer des nachts sal 
gaen slapen, doen bewaren. 

III. UIT DEN INVENTARIS VAN DEN BOEDEL VAN 
ANTONIE BOON, OUD-RAAD VAN SCHOONHO- 
VEN ENZ , TE VIANEN, BETREFFENDE ZIJN 
SCHILDERIJEN, 1777. 

In het rechterlijk archief van Vianen, op 's Rijks Algemeen archief; vindt 
men een staat van den boedel van Antonie Boon, oud-raad in de vroedschap 

i) Zie Immmzbcl, I, 17, en von Wukzbach, I, 38- 



KUNST IN DE ARCHIEVEN VAN VIANEN. 



241 



van Schoonhoven en oud-drossaard van Langerak, wonende te Vianen, op 28 Ja- 
nuari 1777 gemaakt ten overstaan van een substituut schout en kommissarissen 
van Vianen door den kurator dien de magistraat van die stad over zijn persoon 
en goederen had aangesteld. Hierin worden eenige schilderijen vermeld, die bij 
een nadere inventarisatie op 7 en 9 Februari 1777 als volgt omschreven werden: 



In de gang: 

Enz. 

Een schilderije, verbeeldende een landschap 
met beelden, scheynende te weeaen de 
historij van JOB met sijn vrienden. Op paneel. 

Dito, verbeeldende een landschap met water- 
gesigten en een visserije. Paneel. 

Ens. 

In de zijdkamer: 

Een schilderij, verbeeldende een zeestrand 

van WlLLERT. 
Enz. 
(Hier volgen vele andere vertrekken en 

plaatsen.) 

Weder in de eetsaal: 

Een schilderije, verbeeldende een boerekermis 

door Droogsloot. Op paneel. 
Een dito, verbeeldende een zeehaven en fortres ; 

op de voorgrond eenig beeldwerk. Op doek. 
Een dito, verbeeldende een doode crem, een 

dito patrijs, hangende. Op doek. 
Een dito, verbeeldende een landschapje met 

eenige koejen, schaapen en geyten, en in 't 

verschiet vervalle muurwerk. In den trant 

van Klomp. Op doek. 
Enz. 

Op de voorkamer: 

Een schilderije, verbeeldende een landschap 
met eenj boerewooning en hooybarg; op den 
voorgrond een ouden boom, zonder bladeren, 
waarin eenige jongens, stoorende eenige 
vogelnesten; op den voorgrond een boer 
en boerin, eenige schaapjes, geyten en een 
hond; in 't verschiet koejen en schaapen. 
In de smaak van Blommrrt. Op doek. 



Een dito, verbeeldende een zeestrand met 
eenige visschers en visch, en eenige scheepen 
in zee. In de smaak van Willakrt. Op 
paneel. » 

Een dito y verbeeldende een dronke vrouws- 
persoon, welke op een kruywagen gelegd 
werd, waarbij eenige lachchende persoonen 
in bijzondere actiën. Op doek. 

Een dito y verbeeldende een musicqgeselschap 
van drie persoonen. Over de tafel legt een 
tapijtkleed. In een vergulde lijst, op paneel. 

Een dito» verbeeldende een landschap; op de 
voorgrond eenige groentes in mandens, 
een boer, twee boerinnen, twee muylezels 
en een anticq bordes; in 't verschiet een 
bergagtig landschap. Op doek. 

Een dito, verbeeldende een boeregevegt van 
vijff persoonen. In de voorste hoek defect. 
In de smaak van Brouwer. Op paneel, in een 
vergulde leyst. 

Een dito, verbeeldende een landschap off 
stad- en water ge sigt. Op paneel 

En dito, verbeeldende Maria, Joseph en het 
kind, met het zinnebeeld van het geloof; 
op den voorgrond een wieg en lamp. Op 
doek. In de smaak van Blommert. 

Een dito, verbeeldende Oostindische vogels, 
rotten en andere gediertens. Op doek. 

Een dito, verbeeldende een landschapje met 
een dorp- en berggesigtje. In de smaak 
van van Gojen. Op paneeL 

1 dito, verbeeldende een waterval over een 
rots, op welke twee beeldjes, daarbooven 
een vervalle antique brug en muragie, over 
dewelke een koets passeert. In de smaak 
van Griffioen. Op paneel. 

Ens. 

(Hier volgen nog andere vertrekkenen plaatsen.) 




SCHILDERIJPRIJZEN ENZ. IN DE XVII e EN XVIII e EEUW. 



DOOR 

Dr. A. H. GARRER. 




ij de inzage der Octoberaflevering 1907 van Oud-Holland 
viel mijn aandacht op de mededingen betreffende waard- 
schatting van schilderijen in de XVII* eeuw. Ik bezit, 
onder vele brieven en rekeningen van een Amsterdamsch 
koopman uit dien tijd, de volgende aanteekeningen die 
wellicht van eenig belang kunnen zQn. Men vindt ook 
de prijzen die toenmalige schilderij-herstellers rekenden. 



Joost Noord vck debet den 20:7ber 1661 aen den affslaeger Blocqh: 

No. 42: een stuck van Jan Pinas 15— — 

No. 44: een waetertje van Jan VAN Goy(EN) 15— O — o 

No. 143 : een stuckie van Jan van Goy(en) 16—0 — o 

No. 16: I stuckie van A. EvERDINGEN 18— O — o 

No. 121: een lantschap van de selve 36 — — 

No. 148: een lantschap van F. Moucheron 43 — 10 — o 

No. 95 : een lants. van LüDlCK 28—0 — o 

Somma . . 171 — 10 
Den 20 Desember 1661 dese een hondert een en seevintigh guide 10 str. 
ontfange bij mij 

Catharyna Moyaerts. 



I 



SCHILDERIJPRIJZEN ENZ. IN DE XVIIe EN XVIIIe EEUW. 243 

Ontf. van JOOST NOORTDYCK in gelde twintich gulden voor een schilderij 
No. 68 in de opveylinge op Leeuwenburgh door hem alsoo ingecocht, act. 30 
August. 1669 Amsterd. 

ƒ 20.— bekenne ontfange te hebben dese boovenstaande pennege 
vanwege het stuck schilderrij No. 68 den 30 Augusti 1669 

ISACQ SLOOTVAART 
alhier. 

1734 Mijn heer PlETER MERKMAN 

debet aen Frans Decker 

voor het opspannen van de pourtraitten van syn ed. en vrouw en 

het swarten van de lijsten ƒ 1 — 14 — o 

voor het opplakken en repareren van een schilderij verbeeldende 

een religionskrijg „1 — 10 — o 

voor 't schoonmaken en vernissen van een groot sluk van van 

Kampen „1—4 — 

aen armozijn tot een sassinet „2 — 5 — 8 

aen lint en spijkers tot het selve 9 o — 2 — o 

voor 't schoonmaaken vernissen en repareeren van een zeetjevan 

v. de Velde „ 1 — 10 — o 

voor 't schoonmaken en vernissen van 8 schilderijtjes en het 

swarten van 8 gesnede lijsten „1 — 4 — o 

voor het schilderen van een sassinet „9 — o — o 

Somme ƒ18 — 9 — 8 
In dank voldaan 

den 21 Maart 1736. 

uw dw. dienaer 
Frans Decker 

1743 Mijn heer PlETER MERKMAN 

debet aan Frans Decker 

voor het schoonmaken vernissen en repareeren van een kapitaal 

schilderij synde een bloemstuk ƒ4 — o — o 

Somme ƒ4 — o — o 
ten dank voldaan 

den 23 Maart 1744. 

uw dw. dienaar 

Frans Decker. 



244 SCHILDERIJPR1JZEN ENZ. IN DE XVIIc EN XVIIIe EEUW. 

1746. Mijn Heer PlETER MERKMAN 

debet aan Frans Decker. 
voor het schoonmaken, vernissen en veranderen van twee schil- 
derijen, verbeeldende landschapjes ƒ 1 — 4 — o 

voor 't repareeren van een swarte lijst aen Pr. TljTGAAT ... 9 o — 5 — o 
voor het repareeren schoonmaken en vernissen van een maane- 

schijntje „ O — 12 — o 

voor 't repareeren van een stukje van stroo gewerkt „ O — 16 — 

voor 't repareeren van een geschilderde solder in zijn E. sijkaamer „ 5 — 5 — o 
1747. voor het schoonmaken» vernissen en repareeren van een 
kapitaal stuk schilderij van LlNGENBAG verbeeldende de 

gesondheidsboom te Kleef „ 2 — O — o 

voor het vergulden en s warten van een gesneden lijst tot dito stuk „ 6 — 10 — o 
voor het schoonmaken en vernissen van een schilderij van 

de oude Moucheron „ o — 10 — o 

voor het schoonmaken van een geschilderde solder. in de groote 

zijkamer van sijn E. huys „4 — 10 — o 

voor het vernissen en gedeeltelijk overschilderen van dito solder „ 12 — 12 — o 
voor het vergulden en swarten van twee ovale lijsten tot de 

pourtraitten van zijn E. vader en moeder „6 — o — O 

voor het schilderen van een plafon in 't grauw in sijn E. kleyne 

sijkamer, verbeeldende de vlugt van Dedalus en Icarus . . ,63 — O — o 

Somma . . ƒ103 — 14 — o 
nog voor het schoonmaken en vernissen van een 

boeregeselschap van Vincent van der Vinne ƒ o — 10 — o 

Somma . . f 104 — 4 — o 
ten dank voldaan 

29 Julij 1748. Frans Decker. 

1751. De Heer PlETER MERKMAN 

debet aan Frans Decker. 

voor schoonmaaken en vernissen van twee stukken schilderij na 

Coijpel /i— 4 — o 

voor schoonmaaken en vernissen van een perspectief van stroo 

gewerkt » — 12 — o 

voldaan den 18 May 1752. Somma . . f 1 — 16 — o 

per ordre, de weduwe 

Dekker, Tako Jelgersma. 



FRAGMENT VAN EEN AUTOBIOGRAFIE VAN 

JOHANN HEINRICH WUEST. 




;et hieronder ons door de achterkleindochter van den 
schrijver medegedeelde fragment van een autobiografie 
u geschreven door Johann Heinrich Wu est, geboren 
te Zürich in 1741, Nagler, die dit handschrift zeker 
niet gekend heeft, maakt evenwel melding van zijn 
verblijf in Nederland, nadat hij zes jaar lang bij een 
huisschilder in de leer geweest was en slechts in zijn 
vrije uren had leeren teekenen. „Endlich ging er arm 
an Geld und Kenntnissen nach Holland, wo ihm aber das Glück lächelte, da sich 
Künstler seiner annahmen. Auch PLOOS VAN Amstel in Amsterdam nahm den 
jungen Schweizer freundlich auf, und bot ihm Gelegenheit zur weiteren Ausbildung. 
Dieser berühmte Kunstfreund Hess gute Gemälde und Zeichnungen durch ihn 
copiren, und gab ihm auch Anleitung zum Studium nach der Natur. Nach einem 
fünfjährigen Aufenthalte in Holland begab sich WüST nach Paris, wo er zwei 
Jahre verblieb. Von 1769 an war der Künstler in Zürich thätig, wo seine 
Landschaften grossen Beifall fanden." In 1822 is hij te Zürich overleden. 

1760 Nach 18 tägiger Reise mit mehrerem Aufenthalt langten wir Abends 
5 Uhr in Amsterdam an. Diesen Tag werde ich niemals vergessen und sollte ich 
hundert Jahre alt werden. Mein Innerstes wurde bewegt da wir den Amstel, einen 
breiten Canal gegen die Stadt, zufuhren, wo das Gloggenspiel ab allen Thürmen 
die Ste Stunde ankündigten. Jedes mal ehe die Stunde schlägt wird ein Stück- 
lein gespielt und dergleichen Werken sind sechse, die sich bei stillem Wetter auf 
Oud-Holland, 1908. 32 



246 FRAGMENT VAN EEN AUTOBIOGRAFIE 

einen gewissen Abstand ausnehmend lieblich hören lassen. Die Stadt hatte ich mir 
immer schön vorgestellt, allein beim nachsehen sie ioo mal schöner gefunden. Alles 
war noch in voller Thätigheit mit Kauffmannsgütern in den Canälen und auf den 
Strassen hin und her zu fuhren beschäftigt, Ach! wie that ich meine Augen aufj 
alles das Grosse und Schöne zu erblicken. Der Gedanke, ich gestehe es jetzt noch, 
machte mich so demüthig, dass ich lieber hätte weinen als lachen mögen, dass 
meine Wenigkeit hier sehr überflüssig sein müsse. 

Gegen den Mittelpunkt der Stadt wurde es immer lebendiger und sähe so 
aus wie bei uns am Schliesmarkt. Am meisten Eindruck machte mir aber doch 
der prächtige Seehafen, wo eine ungeheure Menge Schiffe aus allen Welttheilen 
zu erblicken waren, deren Mastbäume ganze Wälder aus zu machen schienen und 
einen majestätischen Anblick ge warten, alles weit über meine Erwartung. 

Zu einem Schweizer Landsmann, H. MAURER l ) aus Schaffhausen, der sich 
bereits seit 7 Jahren als guter Portrait-Maler einen Namen gemacht in dieser 
grossen Handel Stadt, wurde ich geführt. Er bewillkommte mich recht herzlich und 
fragte mich gleich mit schweizerischer Redlichkeit was meine Geschäfte hier seien 
und ob er mir zu dienen im Stande sei. Als ich ihm sagte, dass ich ein Maler 
sei, fragte er mich in welchem Fach ich mich auszeichne, war meine Antwort 
ganz natürlich : „Mein lieber Herr MAURER 11 sagte ich ihm, „ich kann noch gar 
nichts recht, aber auf das Anrathen eines braven Mannes, des Herren Prof. 
Bullingers, der mir Empfehlungen an seine Freunde ZlEGLER (Offiziere in 
holl. Diensten) mitgegeben, bin ich mit der Zuversicht gekommen hier etwas rechtes 
lernen zu können' 1 . Daraufklopfte er mir auf die Achsel und sagte: „Ihr seid führ- 
war ein echter Schweizer ; so ein einfaches Geständniss höre ich gerne. Wer mit 
dem festen Vorsatz von Hause reist um unter fremden Menschen etwas in der 
Welt zu erlernen, dem muss es gelingen wenn er sich recht Mühe gibt." Er hiess 
mich am andern Morgen wieder kommen, wo er Tuch, Palette und Pinsel in 
Bereitschaft hielt, und ich fing flux ohne Complimente eine Landschaft zu zeichnen 
an. Während zwei Tagen arbeitete ich so fleissig als möglich; dann war die 
armselige Landschaft da und Hr. Maurer der mich ungestört gelassen hatte fing 
nun an zu examinieren und wies mir Stück für Stück alle die Fehler vor« Ich 
stand da wie ein armer Sünder. Durch diese Lection erst gingen mir die Augen 
auf, dass ich noch ganz unwissend war von menschlichen Proportionen, von Per- 
spectiven u.s.w. Von all dem hatte man mir nie Lehren gegeben. Der liebe Mann 
bemerkte meine Verlegenheit und sagte dass ich nur Muth fassen müsse; es sei 



*) Jacob Maurer, in 173a te Schaffhausen geboren, is in 1760 lid van de Teeken-Academie te Am- 
sterdam geworden. 



VAN JOHANN HEINRICH WUEST. 247 

ihm genau so gegangen. Er brachte mich zu einem andern Landsmann, H. Creuz, 
von Gottlieben, der mir genauen Unterricht gab und alles mir noch Unbekannte 
gründlich erklärte. Ich arbeitete mit allem Fleiss und meine Meister wurden immer 
mehr zufrieden. Da führte mir das Glück noch einen andern Mann zu, der 
edel gegen mich handelte, einen A. ScHONENVELD, Flachmaler. Er brachte 
mir einst einen schon grundierten Aushangschild, denn es ist Mode dass 
Jeder nebst seinem Namen noch dasjenige war er feil hat noch benennt oder 
abmalen lässt. Çieser Schild sollte mit weiss und schwarz Brot bemalt werden 
und zeigte er mir wie Alles gruppiert werden müsse. Er legte mir die Broote 
vor, und gab mir auch noch gute Räthe für die Farbenmischung. Diese Lection nach 
der Natur zu malen war so belehrend dass ich es nie vergessen werde. Wie 
freute es mich dass meine Freunde mit der Arbeit zufrieden waren und sah ich 
mit weniger Ängstlichkeit auf die Zukunft. Gleich nach diesem bekam ich einen 
andern Schild warauf vieler Gattung Seidenzeug mussten gemalt werden. Hr. 
Maurer hatte die Güte mir auch da die schöne Gruppierung an zu weisen. Ich 
beobachtete jeden mir gezeigten Vortheil mit Sperberaugen und man wird es nicht 
lächerlich finden wenn ich gestehe dass ich oft während meiner Arbeit mit Herz 
und Seel zu Gott flehte dass er mir die Gabe schenken wolle alles Nützliche und 
Gute zu erlernen. Und Gott erhörte mein Gebet. Der Eigenthümer des Schildes 
erklärte sich recht zufrieden; ich sagte ihm aber dass ohne die gütige Anleitung 
des Herrn Maurer ich, dieses Compliment nicht verdienen würde. Um diese 
Zeit war eine Versteigerung im Alten Herren- Logement von den schönsten alten 
Niederländischen Gemälden, wo Hr. Maurer mich hingehen hies. Ach wie 
staunte ich, die herrlichen Prachtwerke zu sehen und ob ich schon über 4 Stunden 
dort verweilt hatte, konnte ich nicht satt werden, denn es befanden sich darunter 
von Rembrand, Bergheim, Du Jardin, van Huysem, Mieris, Netscher, 
Therburg, van der Werf, Hondengoeter, Reusdal, Wouwermann, Bott, 
Botter, Ostade, Brauer, van Steen und andern berühmten Meistern mehr 
die ein ehrenvolles Andenken verdienen. Dieser mir unvergessliche Anblick 
machte mich ganz wehmühthig so dass es mich beim heimgehen beinahe zum 
weinen brachte wann ich bedachte wie weit ich noch zurück sei um etwas leisten 
zu können das für des Kenners Auge erträglich sei. Obschon der Abend als 
ich zu Hr. Maurer ging heiter war, sah es in meinem Gemüth finster aus, so dass 
er fragte was mir begegnet sei. Ich gestund ihm meine Bedenklichkeiten. Er 
machte mir Vorstellungen wie gute Fortschritte ich seit meinem hier sein 
gemacht und ermunterte mich so liebevoll dass ich ihm mit inniger Rührung 
dankte. Zwei Tage später ging Hr. MAURER mit mir zu der Versteigerung wo 
sich viel reiche Kunstliebhaber eingefunden hatten 



248 FRAGMENT VAN EEN AUTOBIOGRAFIE 

No. i zu 3000 il. u. so eines nach dem andern zu noch höhere Preisen. Die 
Summe des für das Cabinet erlösten Betrages stieg auf 180000 fl. was mir 
ungeheuer erschien. 

Ab und zu bekam ich wieder einen Auftrag so von einem fameusen 
Kaufmann dem ich auf einer Galerie zwischen den Hinter- und Vorderhause die 
Wand mit einer Landschaft bemalen musste. Der Kaufmann ging des Tags öfter 
über die Galerie wohl 4 bis 6 Mal, aber guten Tag und guten Abend war alles was 
ich von ihm hörte während der 16 Tagen die ich dort malte. Ich klagte meinem 
Freund Maurer über diese Sprödigkeit. Dieser sagte ich solle mich daran nicht 
kehren; falls ich mit dem Herren über Handelssachen zn reden hätte, so würde 
ich schon merken dass er sprechen könne. Als ich die Arbeit beendigt hatte 
fragte ich den Herren ob alles nach seinem Wunsch sei. „Ich bin zufrieden' 1 war 
seine Antwort und nahm mich auf sein Comptoir wo er mir das aecordierte 
bezahlte und noch einige Dukaten mehr. Die Sache hatte eine gute Nachwirkung, 
denn ein Freund des Kaufmanns verlangte dass ich ihm 4 grosse Seitenwände in 
einem Salon statt der Tapeten mit Landschaft bemalen sollte. Ich war so glücklich 
auch diese Arbeit nach Beifall aus zu führen und so gingen die Jahre, Gott sei's 
gedankt, unter glücklichstem Erfolg dahin. Im Jahre 1764 wurde in der Lutherischen 
Kirche zu Amsterdam die Orgel repariert. Als der Orgelbauer ein Gerüst musste 
errichten lassen um die schweren Pfeifen besser ausheben zu können, beschlossen 
die Kirchenältesten bei diesem Anlass die Zierarten wieder frisch malen zu lassen. 
Es stellten die Malereien meistens prachtvolle Grnppen musikalischer Instrumente 
dar die durch die Länge der Jahre nachgedunkelt hatten und also wieder frisch 
heiter mussten nachgemalt werden. Herr PLOOS VAN Amstel, ein würdiger und 
achtbarer Freund der Künste, dem dieses Geschäft übertragen war, fragte mich 
ob ich diese Arbeit übernehmen wolle, sie musse aber vor Weihnacht beendigt 
sein damit das Gerüst wieder weggenommen werden könne. Es war zu Anfang 
October als ich zu malen anfing und bis zum letzten Augenblick herrschte un- 
erhörte Kälte in einem fort welche seit mehr als hundert Jahren nicht mehr in 
solchem Grade und nicht mehr so andauernd statthatte. Aller Schnee und alles 
Regenwasser war so erschöpft, dass für einen Kübel voll 10 ? bezahlt werden < 
musste, da es mehrere Stunden weit hergeholt wurde. Für arme Taglöhner, die 
im Freien arbeiten mussten, war es schier nicht zum aushalten und man kann 
sich vorstellen wie ich in der Kirche schwitzte wo ich von Morgens 8 Uhr bis 
um 4 Uhr arbeitete. Obschon ich oft schier meine Finger nicht mehr fühlte, 
obgleich ich diese noch am ehesten wärmen konnte, musste doch weiter gemalt 
werden so dass ich erst nach 4 Uhr zum Essen kam, das mir darin aber sehr 
gut schmeckte. Gott sei Dank blieb ich gesund und konnte die Arbeit zur 



VAN JOHANN HEINRICH WUEST. 249 

Zufriedenheit ausführen. Ich hatte viel dabei gelernt und guten Verdienst gehabt. 
Das Meer war in diesem Winter bis zum Texel mit dickem Eis zugefroren. 
Im Jahre 1765 bekam ich noch eine grosse Wand in einem Pavillon zu bemalen 
und in 2 Salons die Wand anstatt der Tapeten alles mit Schweizer Prospecten . 
Auch nach Rotterdam wurde ich berufen um eine grosse Tapete zu malen worauf 
eine schöne Gartenpartie muste dargestellt werden, in welcher eine ganze Familie 
von 8 Personen in Lebensgrösse von einem guten Portraitmaler in lieblichen 
Gruppen nach Kenntlichheit angebracht waren. Obschon meine Machenschaft 
hinter der prächtigen Arbeit des Portraitmaiers weit zurückstand so war die 
Herrschaft doch wohl zufrieden und schaffte mir in Rotterdam noch Gelegenheit 
in einem andern Haus einen schönen Saal zu malen. 

So nahte sich mein Aufenthalt in Holland der 6tj Jahr gedauert dem 
Ende; zudem es war beschlossen worden dass ich noch nach Paris zu reisen 
hatte, denn es war damalen wie auch jetzt noch bei den meisten Menschen der 
Glaube, dass wer in Paris gearbeitet habe ohne anders viel geschickter sein 
müsse. So reiste ich denn im Sommer 1766 dahin ab. 




DAVID BAUDRINGIEN 



DOOR 

A. BREDIUS en E. W. MOES. 




AVID Baudrtghem, holländischer Porträtmaler des 17. 
Jahrh. zu Amsterdam". Zoo luidt zijn levensbeschrijving 
in het Künstler-Lexicon van Dr. VON WüRZBACH. 
Heel veel korter kon het al niet. Al weten we ook 
niet heel veel van Baudringiens levensloop te vertellen, 
noch vele van zijn werken aan te wijzen, toch kon het 
bericht in het Künstler-Lexicon van Thieme en BECKER 
omtrent dezen portretschilder iets uitvoeriger zijn. De 
documenten die hiertoe het materiaal verschaft hebben, zullen wij hier publiceeren. 

Gelijk later zal blijken, is David Baudringien omstreeks 1581 geboren. 
Naar Jhr. B. W. F. VAN Riemsdijk ons mededeelde, bevindt zich op Catton Hall 
te Burton on Trent, bewoond door den heer H. ANSON NORTON, een jongens- 
portret, dat daar al sedert onheuglijke tijden aanwezig was en aangezien werd 
voor de beeltenis van den jeugdigen prins Frederik HENDRIK. Een kleine photo- 
graphie, helaas niet voor reproductie geschikt, deed een van ons aanstonds HENDRIK 
Frederik, Keurprins van de Palts, die 17 Jan. 1629 buiten Haarlem verdronken is, 
herkennen. De fraaie prent die Willem JACOBSZ. Delff in 1629 naar een door 
Miereveldt geschilderd portret gesneden heeft, sloot twijfel aangaande de juist- 
heid dezer toeschrijving uit. Welnu, dit portret van den Keurprins is gemerkt: 
D. BAUDRINGHIEN F. 1625. 

Op Catton Hall is eveneens het portret, levensgroot ten voeten uit, van 
burggravin Ursula VAN DOHNA, de zuster van Amalia VAN SOLMS, dat bij 
nader onderzoek misschien van dezelfde hand zal blijken te zijn; en dan is ook 
de toeschrijving van de herhaling van deze schilderij in 't Rijks Museum te 
Amsterdam, die jaren lang gegolden heeft als waarschijnlijk geschilderd door 
Paulus Moreelse, aan David Baudringien, niet te gewaagd. 



DAVID BAUDR1NGIEN. 251 

Treffen we hem in 1625 dus aan in connectie met het hof van den Winter- 
koning, eenige jaren later vertoefde hij te Napels; immers, uiteen inventaris schreef 
Mr. Ch. M. Dozy de posten af: „T portrait van Isaack van der Voort, van 
Baudringius geschildert , h 2.3 br. 1. 11." 

T portrait van Magdalena Stokman door Baudringius geschildert, seer 
fraay en konstig tot Napels, h. 2.3 br. 1. 11." l ) 

Isaack van der Voort nu was een te Napels gevestigd koopman en 
stierf daar 29 Aug. 1629, als weduwe achterlatende MAGDALENA STOCKMANS, die 
12 April 1598 te Dordrecht geboren was; en naar het copietje te oordeelen, dat 
naar bovengenoemd portret geteekend is, heeft zij wel ongeveer den leeftijd van 
dertig jaren bereikt, toen Baudringien haar schilderde. *) 

Eenige jaren later, 31 Aug. 1635, ontmoeten wij hem te Amsterdam in 
gezelschap van Hendrick Hondius, Jan van Wissel „en de wetgeleerde Mr. 
Gerrit Reynst," als getuige bij het passeeren van een testament van den koopman 
Isack Bernaert *). Die Isack Bernaert was een neef van Baudringien. Dit blijkt 
uit het testament, dat hij zelf 7 Maart 1640 voor den notaris L. Lamberti te Amster- 
dam opmaakte en waarin o.a. de volgende legaten toegezegd werden :/ 500. — aan 
neef Jan Baudringhien, ƒ2000. — aan nicht Catrine de Nys, ƒ1000.— aan nicht 
Maria Bernarts en aan neef Hendrick Meerman „constschüder", alle de schilde- 
rijen, behalve het groote landschap van den ouden Coninxloo, dat aan neef Isaack 
Bernaerts vermaakt werd; Andries Pels zou het fraaie Turksche tapijt krijgen. 

Hij blijkt dus een welgesteld man geweest te zijn. Als hij zijn vermogen 
met schilderen verdiend heeft, is het wel verwonderlijk, dat van zijn producten 
zoo weinig aan te wijzen is. Toch waren zijn modellen van goeden huize. 2 Dec. 
1639 schreef Barlaeus aan Joachim de Wicquefort, dat Baudringenius 
bezig was zijn portret te schilderen: Cupio te videre ad undecimam in aedibus 
pictoris Baudringenii, ut videas qua fronte, qua patientia premam pictoriam 
sellam. Adèo ad vivum expressit vultus meos, ut dubüetn, an prototypum ego sim, 
an tabula" In 1640 schilderde hij den Leidschen hoogleeraar Johannes POLYANDER 

à KERCKHOVEN (J. SUYDERHOEF SC.), in 164I ESAIAS DU PRÉ (C. VAN DALEN SC.). 

Uit een prent van Theod. Matham kennen we nog het portret van Thomas 
Maurois, terwijl Vondel zijn portret van Michiel Le Blon bezongen heeft: 

Dus maalde Baudringeen Le Blon 
Agent der Swedenrijcksche zon 
In Karels overmaghtig hof. 
Hy schept zijn eer uit 's Meesters lof. 

i) Oud Holland % VII p. 157. ») Oud-Holland, VII p. 155. S) Frot. Dot. J. Warkaertsz. 

te Amsterdam. *) Casp. Barlaeus, EpUiolarum liber, II, Amstelodami 1667 p. 783. •) Al uitgegeven 
la Vondel's Verscheidt gedichten, Amsterdam 1644, p. 13s. 



252 DAVID BAUDRINGIEN. 

In den boedel van de weduwe van Jacob Noirot, koopman te Amsterdam, 
werden 19 Jan. 168 1 twee schilderijen van hem geïnventariseerd: ^Myn man* s 
zalr. portrait van Baudringhien. Een levensgroote Turc k se vrou van BAUDRIN- 
GHIEN". In oude veilingen kwam zijn werk slechts uiterst zelden voor. Dr. C. 
Hofstede de Groot wees ons op „Een conterfeytseltje van Baudringeen op 
een silver e plaat, weegt 8 loot' 9 (veiling Amsterdam 18 Juni 1704) en op „Kaning 
Karel de Iste, geheel door BODRINGUIZ» hoog 1 v. en een half d. br. omtrent I v. 
(veiling JOAN DE VRIES, 'sGravenhage 13 Oct. 1738 — / 67). 

Wijzen die portretten van de twee Leidsche hoogleeraren POLYANDER 
van Kerckhoven en L'Empereur op een verblijf te Leiden, zoo was hij toch 
te Amsterdam gedomicilieerd. In een overigens onbelangrijke acte van 13 April 
1647 wordt zijn adres nauwkeurig opgegeven: „op de Cingel, aldemaest de 
Kersseboom" In deze acte, onderschreven met een fraaie handteekening, wordt 
zijn leeftijd als 66 jaar genoemd. Te Leiden was hij evenwel 13 Maart 1648 
getuige bij het testament van Anna Bernaerts, weduwe van Daniel de Hoest *). 

Niet lang daarna is hij gestorven. 18 Oct. 1650 begaf de notaris J. VAN 
der Ven zich in het sterfhuis van Sr. David Baudringhien op de Fluweele 
Burgwal, ten huize van Sr. Henrick Cock „daer de overleden by innewoonde" 
om naar het testament te zoeken, dat gevonden werd en waarvan wij den hoofdin- 
houd reeds mededeelden. Twee dagen later had de inventarisatie van zijn inboedel 
plaats. In een laadje werden „ver ff in papiertgens en penceelen" gevonden ; voorts 
een groot aantal obligation, eenig goud en zilverwerk, 32 ducatons, 58 rijksdaal- 
ders en in een andere kast nog meer zilvergeld; eindelijk een nette, weivoor- 
ziene inboedel met schilderijen, die helaas niet nader gespecificeerd zijn. 

De verschillende verklaringen der erfgenamen, dat het hun toegedachte 
door hen in ontvangst genomen is, zijn van weinig belang. Alleen leeren wij 
hieruit, dat de in 1640 genoemde nicht Catherin A DE Nys thans de weduwe 
van Salomon de Cot was, dat neef Jan Baudringhien zijn „cousyn Jarmyn" 
d.i. zijn volle neef en balancemaker te Rotterdam was, en dat naast MARIA 
Bernaerts ook Anna Bernaerts, de weduwe van Daniel de Hoest, tot de 
erfgenamen behoorde, evenals Maria Meerman en Paulus Meerman. Een zoon 
van Anna Bernaerts, ook Daniel de Hoest geheeten, insinueerde 11 Sept 
1652 nog bij den notaris VAN DER Ven, dat hem l j % toekwam van een huis en erve 
en zes bunders land gelegen bij Doornik, nagelaten door ANTONY BAUDRINGHIEN. 
Dit kan een aanwijzing bevatten om de herkomst van David na te sporen. Behoort 
„Jonch r . Alexandre de Baudrenghien, Heere van Coursureur [sur Eure?]", die in 
een acte van 1670 genoemd wordt, ook tot zijne familie, dan is deze niet onaanzienlijk« 

*) Prot, not C. Tou te Amsterdam. 2) Prot. not. C. Veriuyt te Leiden. 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1908. 



A. 

Aa (van der) 57, 61, 93, 105, 
106, 108 — no, 112 — 114, 153» 

i6o, 162, 163 

Abbing (C. A.) 90 

Abcoude (Heert) 235 

Abcoude (Lucretia) 235 

Abrahamsz. (Claes) 73 

Adam (Melchior) 24, 102 

Adolf, graaf van Nassau 9 

Adriaensz. (Adriaen) 52 

Adriaensz. (Hendrick) 108 

Adriaensz. (Jan) 95, 108, 130 

Adriaensdr. (Marytgen) 95 

Adrichem (Joost van) 4 

Aecken (Cornelis Claesz. van).. 107 
Aer (Tan Govertsz. van der) ... 10 

Aerscnot (François) 155, 167 

Aerschot (Nicolaes) 166 

Aerssen van Sommelsdijck (van) 8 

Aertsz. (Dirck) 129 

Aertsz. (Pieter) 224 

Aertsz. (Wouter) 162 

Albertus, Aartshertog van Oos- 
tenrijk 151 

Albrecht van Beieren, Graaf 

van Holland 116 

Alenborch (Sebastiaen van) 129 

Allertsz. (Wigger) 61 

Almonde (Johan van) 194, 195, 250 

Alva 60 

Am al ia van Solms, Prinses van 
Oranje 14, 250 



Amiel 102 

Ambrosius 106 

Ammanati 208 

Andreae 24 

Andriesz. (Adriaen) 58 — 60 

Andriesdr. (Aeltjen) 57 — 59 

Anselmus 106 

Anthonisz. (Adriaen) 204 

Arentsz. (Arent) 223 

Arentsz. (Maerten; 209 

Aristoteles 159 

Arkel (van) 75, 89 

Arminius (Jacobus) in 

Ascus (Joannes) 146 

Asseliers (Jan) 105 

Asseliers (Pauwels) 105 

Asseliers (Philips) 105 

Ast (Balthasar van der) ... 238, 239 

Ast (van 143 

Athenaeus 157 

Au Brebis (François) 141 

Augi (van) 79 

Aurelius Victor 158 

Aver (Louis) 173 

Aysma (H. L. van) 136 

B 

Back (Françoise) 10a, 103 

Back (Johan Baptista) .... 102, 103 

Back (Johannes Cornelis) 102 

Backer Maria) 67 

Backer (Juffr.) 13 

Baden (van) 91 



Baeck (Jan) 236, 238, 240 

Baemensz. (Cornelis 106 

Baersdorp 48 

Baert (Johan) 88 

Baexster (Beatrix de) 58 

Bailleul (Philippote van) 112 

Banchem (Johannes van) 169 

Bannos (A. de) 163 

Barentsz. (Adriaen) 1*7 

Barentsz. (Aernt) 95 

Barentsz. (Dirck) 60 

Barentsz. (Marytgen) 107 

Barlaeus (Caspar) 251 

Bary (P. de, 222 

Bassen (Bartholomeus van) 91, 223 

Battus (Carolus) 33 

Battus (Levinus) 29, 31, 33 

Baudius (Dominicus) 28 

Baudringien (Alexandre de) 252 

Baudringien (Antony) 252 

Baudringien (David) 250—252 

Baudringien (Jan) 251, 252 

Baxius (Nicasius) 102 

Beaumont (Aernout van) 142 

Beaumont (Simon van) ... 142, 144 

Becher (Everard) 160 

Beest (Elisabeth van) 13 

Beest (Johan van) 2 — 6, 14 

Bentheim ( Luder van) ... 209—211 

Berchem (Nicolaes) 247 

Berckenrode (Balthasar Florisz. 

van) 39, 216, 218 

Berckenrode (Floris Balthasanz. 

van) 16 



II 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



Beresteyn (Arnold van) 4 

Berg (f. van den) 76, 85 

Berg (Jhr. Mr. W. E. J.) 169 

Bergh (Graaf Hendrick van 

den) 7, 10 

Berkhout (Teding van) 11 

Berlicom (Daniël van) 113 

Berlicom (Elisabeth van; 113 

Berlicom (François Boude- 

wijnsz. van) 113, 114 

Berlicom (Jacob van) 113 

Berlicom (jacquelyne van) 113 

Berlicom (Jeremias van) 113 

Berlicom (Maria van) 113, 114 

Berlicom (Paulus van) 113 

Berlicom (Samuel van) 113 

Berlicom (Susanna van) ... 113, 114 

Bernaert (Anna) 252 

Bernaert (Isack) 251 

Bernaert (Maria) 251, 252 

Berrewyns (Abraham) 161, 163 

Berrewyns (Hans) 160 

Bertius (Petrus) 101, 111 

Beste (Jacques de) 114 

Beveren (van) n 

Beyers (Christina) 113 

Beyma (Julius) no 

Bicker 9 

Bilhamer (Toost Jansz.) 217 

Bles(Herry) i55 

Block (Anthonius Zacharias 

128, 129 
Blockland (Anthonie van) 5, 6, 

11, 109 

Bloemacrt (Abraham) 241 

Bloemaert {Cornelis 213, 215, 217 

Blok (Dr. P. J.) 151 

Blondel (Esticnnc) 166 

Bode (Dr, Wilh,) 41 

Bol (Claes Blasiusz. de' 108 

Bol (Ferdinand) 212, 222 

Bolck 48, 237 

Bologna (Giovanni da) 215 

Bombergen (Daniel) 161 

Bonrepos (dei. ,. 174 

Bontemantel (Hendrick) 146 

Boomkamp (G.) 71, 76, 82—86 

Boon (Anthonie) 240 

Bor (i'ieter) 51, 60, 61 

Borch (Gerard ter) 247 

Boscbhuysen (Elisabeth Dircks- 

dr. van) "3 

Bosschacrt (Ambrosius) ... 180, 198 

Bossche (D. van den; 168 

Bossche (Gilles van den) 99 

Bossa (Alexander) 161 

Bossu 61 

Both (Andries) 223 

Both (Jan) 147 

Botter (Cornelis) 194, i95> 2 3°> 2 3° 

Bouchorst (Daniel van) 98 

Bouckhorst 13 

Bouman (J.f? 74 

Boys (Jan de) 163 

Bovs (Fietcr Huygcnsz. de) 163 

Boys (Victor de') 163 

Brand (Hendrik 88 



Brandt (Marinus) 53, 54 

Brantius (Johannes) 25 

Brasser 9 

Bray (Salomon de) 213, 214 

Bredero (Nicolaes van) 12 

Brederode (Amelia Margaretha 

van) 198 

Brederode (Anna Traiectina 

van) 183, 198 

Brederode (Flo ris van) 179 

Brederode (Herwig Agnes van) 

178/188, 194—196, 230, 235 

Brederode (Helena van) 186 

Brederode (Hendrik van) 178, 

179, 186, 188, 198, 199 
Brederode (Johan Wolfert van) 

178—185, 198 
Brederode (Juliana van' ... 186, 198 

Brederode fLodewijk van) 179 

Brederode (Louise Christina 

van) 178, 198 

Brederode (Reinoud van)... 179, 197 
Brederode (Walraven van», 179, 198 

Brederode (Walravina van) 198 

Brederode (Wolfert van) 178, 

187, 188, 197, 199 

Brendon (Pearce) 237 

Brewer (Richard; 173 

Broeck (Anna van den) 141 

Brocck (Crispiacn van den) 155 

Bronckhorst (Dirck van) 108 

Brouckhoven (Hendrik vanl 66, 108 

Brouckhoven (Maria van) 105 

Brouckhoven 48 

Brouwer (Adriacn) 91, 92, 241, 247 
Brouwer (Johannes Jacobus)... 83 

Brouwer 14 

Brugghe (Hendrik ter 223 

Brugge (Lodewyck Pietersz. 

van) 54 

Bruggen (Wynoldus ter)... 194, 234 

Bruinvis (Jan) 86 

Bruno (Henricus, 82 

Bruyn (van Oosten de) 78 

Bruyningh (F.) 92 

Bucerus 106 

Buchelius (Arnoldus) 78 

Budeus 157 

Bueckcntop (Johan^ 162 

Beuscm (Jan) 91, 92 , 

Bullinger 106, 247 

Burger van Schoorel (Dirck)... ?■> 

Bus Jacob Fransz.) 128 

Busenval (de) v 160 

Buys (Paulus) 161 

Buys van Woeringen (Bartholo- 

meus) 68 

Bylcrt (Jan van) 179 

B'yler (Wol fart vanf 109, no 

Byler (van) 47 

Byster (Jan) 81, 82 

c. 

Cabeljau (Jacob) 160 

Caesar (Julius) 159 

Calaminus 31 



Callimachus 159 

Calstere (Anna van den)... 102 — 104 

Calstere (Catelyna de) 208 

Calune (Catelyna de) 208 

Camerarius 8 

Campen (Jacob van) 38, 180, 

a«, 243 

Camphuysen 222 

Campredon (de) 174, 175 

Canisius (Petrus?; 106 

Carleton (Dudley) 7, 10 

Carliers (Marie) 162 

Carloo 57 

Cart wight (Johan) 236 — 240 

Cartwitfht Johanna*! 237 

Cartwight (Margriet) 237 

Casembroot (Leonard de) 8 

Ca stagna (Vincent) 165, 166 

Cats (Jacob) 8 

Catullus 159 

Charodinius 32 

Chester 108 

Chombart (Jacqueline) ... 113, 114 

Chorin (Jean) * 174 

Christiaan, Hertog van Bruns- 

^ *% 223 

Chrysotomus 106 

Chys (van der) 9 

Cicero 157 

Claesdr. (Anna) 59 

Claesz. (Cornelis) ... 107, 2o5, 207 

Claesz. (Hendrick) 129 

Claesz. (Jani 65, 109 

Claesdr. (Sytgen) 65 

Claesdr. (Tryn) 56, 57, 84 

Claudianus 159 

Clemensdr. (Barbara) 56 

Cleonardus 157 

Clericus (Petrus) 20 

Clock (Cornelis) 210 

Clock (Pieter Albertsz.) 208 

Cloetingen (Floris van) 197 

Clomp 241 

Cluyt (Pieter Dircksz.) 2 

Cock (Henrick) 252 

Coelius 157 

Coemiterius 31 

C oe ten burgh (Adriaen Maertsz.) 72 

Coignct (Gillis) 5 

Colomesius 21 

Colterman (Johan) 73 

Coninxloo (Gillis) 251 

Constantinus 157 

Coolhaes (Casparus Jansz.) 106 

Coornhert (Dirck Vofckertsz.) o, 61 

Corbeth (Cleeff) 236—040 

Cordua (Don) 223 

Corf (Claes) 79 

Corf (Dirck Symonsz.) 79 

Corf (Gerarda) 79 

Corf (Maria) 79 

Corf (Wendelmoet) 79 

Cornelii (Arnoldus) 9 

Cornelisz. .(Clae9) m 

Cornelisz. (Cornelis) 4, 5, 59, 

107, 212 
Cornelisz. (Frans) 62 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



hi 



Cornel isdr. (Machtelt) 55 

Cornelisz. (Meynsgen) 65 

Cornelisz. (Nys) 96 

Cornelisz. (Pieter) 10, 106, 128 

Cornelisz. (Sybrant) 220 

Cornelisdr. (Truytgem) 63, 64 

Cornelius 157 

Corput (Elisabeth van de) 24 

Corput (Hans van de) 160, 164 

Corput (Hendrick van de)/ 24, 

31 1 32 

Corput (Jan van de) 24, 164 

Corput (Severyn van de) 164 

Cortenbach (Wilhelm van) 112 

Costerus 158 

Cot (Salomon de) 252 

Court 172, 173 

Coymans (Balthasar) 212 

Coypel 244 

Craenhals (Sebastiaen) 61 

Creuz 247 

Crispinus 157, 158 

Cromhout (Nicolaes) 73, 144 

Croon (Caspar) 160 

Croos (van der) 239 

Crucquius 157 

Cruyskerck (Adriaen Cornelis). 128 

Cuchlinus (Johannes) 30, in, 112 

Culemborch (Graaf van) 8, n, 16 

Cuno (F. W.) 22, 24 

Cupus (Petrus) 141 

Curtius (Quintus) 158 



Dale (van) 166 

Dalen (Cornelis van) 251 

Damen (Aeltgen) 14 

Dammannus 31 

Dapper 37, 39 

Davidsz. (Salomon] 99 

Decker (Frans) 243, 244 

Decker (Maria de) 147, 148 

Delf f (Christina) ... 4 — 6, 9, 10, 15 
Delff (Jacob Willemsz.) 2, 4—6, 

8—13, 15—17 
Delff (Willem Jacobsz.) 2—4, 

15 — 17, 250 

Demosthenes 158 

Dercksen (J. M. E.) 44, 46, 47 

Dictys Cretensis 159 

Diemen (Anna Maria van) 67 

Diemen (Gysbertus van) 67 

Diertsz. (Anthonis-1 50 

Dietterlin (Wendel) 206 

Diogenes Laërtius 158 

Dircksz. (Govert) in 

Dircksz. (Jacob) 207 

Dircksz. (Jan ; ) o 62 

Dircksdr. (Marritge) 224 

Dircksz. (Matthys) 50, 56 

Does (Anna van der} 94— -96 

Does (Dirck van deif 94 — 97 

Does f Frans van der) 94 — 97 

Does (George van der) 94, 162 

Does (Jacob van der) 94 



Does (Jan van der) 25, 26 — 29, 

46, 47» 93—99» "o» ^2 

Does (Jan van der) Jr 94 

Does Johanna van der) 94 

Does (Josina van der) 97 

Does (Pieter van der) 162 

Does (Steven van der) 94, 95 

Does (Warner van der) 94 

Dohna (Carel Emilius, Graaf 

van) 194, 195, 230, 236 

Dohna (Fabian, Graaf van) ... 178 
Dohna (Floren tina van) ... 198, 199 
Dohna (Maria Louise, Gravin 

van) 178, 235 

Dohna (Sophia van) 198 

Dohna (Ursula, Gravin van) ... 250 

Dol (Balthasar) 16 

Dommer (Elisabeth) 92 

Domselaer (Eduard van) 222 

D'omselaer (Hendrik van) 222 

Dooien (A. van) 168 

Dooien (D. van) 168 

Doomer (Lambert) ..• 224 

Dorp (Frederik van) 86 

Dortmont (Balthasar) 240 

Dortmont (Hendrick van) 186 

Dortmont (Jacob van) 187, 194, 195 

Dou (Gerard) 223 

Dou (Jan Pietersz.) 46, 161 

Doublioul (Lourens) 51 

Dozy (Mr. Ch. M.) 207, 251 

Drebbel (Cornelis) 204 

Droochsloot (Joost Cornelisz.) 

138, 139, 241 

Du Jardin (Karel) 247 

Dtilm an horst 100, 161 

Du Pré (Esaias) 251 

Du Quesne (Matheus) 167 

Dussen (Bruyn Dircksz. van 

der) 11 

Dnvenvoorde ( Adriaen van) ... 105 
Duven voorde (Arent van) 105, 109 

Duvenvoorde (Johan van) 61 

Duven voorde (Willem van) 105 

Dyck (Anthonius van) 128 

Dgck (W. van) 168 



Edenbottels (Bvcke van] no 

Eeckhout (Gerbrand van den)... 92 

Egbertsz. (Jacob) 112 

Egbertsz. (Mattheus) 118, 134 

Egbertsz, (Neeltgeri) 56 

Eggers (Bartholomews) 40 

Egmond (Karel, Graaf van) 138 

Elemans 136 

Ellenberger (Joan Anthonie) 

172, 173 

Elsevier (Rammelman) 26, 150, 160 

Embisius 31 

Engelbert van Nassau 116 

Engelsman (Jan Maertsz.) 75, 

77, 78, 80 81, 89 

Engelsz. (Cornelis) 99 

Epiphanius 158 

Episcopius (Simon) 141 , 144 



Erasmus 29, 157 — 159 

Ernst Casimir, Graaf van Nas- 
sau 10 

Es (Dionysius van) 147 

Esopus 158 

Eugeroo (Johan) 167 

Euripides 158 

E verdingen (Aldert van) 242 

Everdingen (Cornelis Lousz. 

van) 61 

Ewsum (Casper van) 95 

Exardus 31 

F. 

Fagel (Benjamin) 176 

Fagel (François) no 

Faille (André de la) 162 

Faille (Charles de la) 160 

Faille (Hester de la) 149, 152 — 156 

Faille (Jacques délia) 162 

Faille (jan de la)... 149, 155. 160 

Faille (Marie de la) 152 

Faille (Marten de la) 160 

Faille (Sibilla de la) 160 

Flinck (Govert) 212, 222, 224 

Florisz. (Claesj 56 

Florisz. (Jacob) 112 

Flory (Jon Goossensz. van) 56 

Fonteyn (Claude) 16 

Foreest (Nanning van) 71 

Francken (Frans) Jr 223 

Francelles (Sulpice) 166 

France (Crispyn de la) 161 

Franken (D.) Dz 41 

Frederik, Koning van Bohemen 

10, 11, 14 
Frederik III, Keurvorst van de 

Palts 32 

Frederik IV, Keurvorst van de 

Palts 28 

Frederik Hendrik, Prins van 

Oranje 14, 16, 133, 144, 250 

Frederik Willem, Keurvorst van 

Brandenburg 198 

Frederiks 100 

Freherus 33, 34 

Fruin 51, 57, 64, 105, 106, 108, 151 

Fruterius 31 



Gael 48 

Galenus 24 

Galland (Dr. Georg) 206 — 208, 

211, 212, 214, 217 

Gallus (Carolus) ui 

Gans (Steffen) 186 

Gardenier (Hans Matthysz.) ... 16 

Geeraerts (Jan) 162 

Geldenhauer 113 

Gelder (Justus de) 194, 195, 230, 

234, 236 

Gellius (Aulus) 159 

Genest (van) 11 

Geraerts (Arnoult) 160 

Gerritsdr. (Aeltgen) 56, 57 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1907. 



Gerritsz. (Barthout) 79 

Gerritsz. (Dirck) 95 

Gerritsz. (Heynrich) 55 

Gerritsz. (Tan, 79 

Gerritsz. (Jonas 95 

Gerritsz. (Lubbert) 9 

Gillisz. (Jan) 146 

Giovanni da Padua 208 

Goltzius (Hendrick) 5 

Gönnet (C. J.} 208, 211 

Gooi (Mattheus) 176 

Gordon (Elisa) 194 — 196, 230 

Gothofreàus (Dionysius) 159 

Govaerts (Heynric) 162 

Govertsdr. (Llsgen) 92 

Govertsdr. (Jan) 10 

Goyen (Jan van) 224, 241, 242 

Graeff (van de) 8 

Graeff (Jacob Aelbrechtsz. van 

der) 11 

Graham (Charles) 173 

Gramaye 160 

Grapheus (Anna) 113, 114 

Grapheus (Cornelius) 113, 114 

Graswinckel (Cornelia) 13 

Grebber (de) 5 

Grève (Dr. H. E.) 106, 109 

Grevius (Willem) 102 

Griffioen 241 

Groen van Prinsterer 151 

Groenewegen (Hendrick 14 

Grommé 169 

Groot (Dr. C. Hofstede de) 42, 

109, 252 

Groot (Hugo de) 11 

Groot (Willem de) 8 

Gruterus (Janus) 23 — 25. 28, 31 — 34 

Gryphius (Bartholomeus) 160 

Gualterus (N.) 31 

Guicciardini 215 

Guidewagen 224 

Gysbrechtsz. (Jan) 110 

H 

Haerleay (Ariaentje Jacobsdr.) 84 
Haes (Cornel is Pietersz. de) ... 113 

Haeusser 29 

Haga 13 

Hagen (Toris van der) 238 

Hagen (Pieter van der) 162 

Hallet (Antoyne) 160, 163, 164 

Hals (Frans) 19, 42, 239 

Hals (Frans) Jr 42 

Hamels (Catharina) 238 

Har bach (Melchior van) 122, 
126, 128—130, 132—134, 203, 204 

Harduinus 31 

Harington (Juffr.) 7 

Harmcnsz. (Heynrick) 56 

Harmensz. (Pieter) 74 

Haselot (Jan) 234 

Hasselt (Joris van) 92 

Hauldionius 31 

Havard (Henri) 1, 4, 6, 7, 9 — 11, 

Havicksdr. (Duyfgen) 65 



Havicksz. (Mees; 45, 64, 65 

Heck (Clacs van der) 75 

Heem (de, 197 

Heemskerck Jacob van. 214 

Hegnius 239 

Heller (Christof f er) 153. 156 

Helmichius (Werner) 110, m 

Helst (Bartholomeus van der) 18 — 20 

Hemel scoers (Pieter van) 16 

Hendricksz. (Borriti 203 

Hendricksz. (Claes) 71 

Hendricksz. (Dirck 66 

Hendricksz. (Vincent) 73 

Hendrik IV, Koning van Frank- 
rijk 21 

Hendrik Frederik, Keurprins 

van de Palts 250 

Hensboom (\V.) 168 

Herdesianus (Petrus) 33, 34 

Hertaing (Daniël de) 72, 194 

Hesiodus 159 

Hesseis 151 

Heuck (Hendrick) 165, 167, 168 

Heurnius (Joannes) 110, 113 

Heusch (Hendrick de) 187 

Heussen (Dirck van} 55 

Heussen (Gillis van) 55, 56 

Heussen (Jacob van 55 

Heussen (Xicolaes van) 55 

Heyde (Adriaen van der) 167 

Heyl (Freiherr) 42 

Heyn (Piet 38 

Heyns 239 

Hinojosa (Adriaen Pieter d')... 176 

Hoest (Daniël de) 252 

Hoeven (J. van der) 92 

Hohenlohe (Graaf van) 8, 10 

Hohenzollern (Prinses van) 7 

Hol (Gerrit Cornelisz.) 238 

Holmannus (Johannes) no 

Holsteyn (CornehY 224 

Holsteyn (Pieter) 76, 82 

Homerus 159 

Hondccoeter (Melchior de) 247 

Hondius (Hendrick'! 17, 251 

Hondius (Jodocus) yj 

Hondius (Willem) 16 

Hooft (Pieter Cornelisz.) 36 — 39, 60 

Hoogstraten (Graaf van) 79 

Hoojn (Diederik van) 116 

Hoozee (Jacobus) 146 

Hoozee (Sara) 146 

Horatius 157, 159 

Home (van) 179 

Horst (Jan van der) 52 — 54 

Houbraken (Arnold) 1, 88 

Houff (Adriaen van der) 44 

Hout (Bartholomeus van) 48, 101 

Hout (Jacob van) 48, 64 

Hout (Jan van) 21, 22, 43—66, 

93—114, 149—164 

Houten (Carel van; 92 

Houten (C. van) 83 

Houtman (Frederick) 204 

Hove (Pouwels van) 51 

Huyb (Lieven) 128 

Huysens (Annal 14 



Huygens (Constantin) ... 2, 13, 16 

Huyssinga (Ausonius) 186, 194 

Huysum (Jan van) 247 

Hyperius 106 

I. 

Immerzeel 238 — 240 

Ingenhousz 227 

I socrates 157 



Jacobsz. (Andries) 207 

/acobsz. (Anthonis) 52 

acobsdr. (Catryn) 112 

] acobsz. (Cornelis) 73 

/acobsz. (Foy) 79 

^acobsdr. (Geertgen) m, 112 

/acobsz. (Jacob) 130 

'acobsz. (Jan) 66, 95 

[acobsdr. (Machtelt) 16 

/acobsz. (Willem) n 

acquot (Nicolas) 172 — 176 

, amm 13 

'aneken (Frans) 114 

aneken (Hana) 114 

'ansdr. (Aechte) 56, 57 

ansz. (Amelis) 16 

/ansz. (Bart) 96 

ansz. (Bartholomeus) 207 

'ansz. (Broer) 16 

\ ansdr. (Trytgen) u 2 

m ansz. (Govert) 223, 224 

ansz. (Hendnck) 80, 81 

/ansz. (Herman) 133 

' m ansz. (Hobbe) 55 

"ansz. (Jacob) 96, 97, 162, 203 

. ansz. (Outger) 85—87 

ansz. (Pieter) 50, 164 

/ansz. (Reyer) 108 

/ansz. (Reynier) 72 

'ansz. (Ruth) 10 

'an Mourynsz. (Symon) ... 49, 50 

/ansz. (Vranck) ee 

1 aspersz. (Claes) 84, 80 

/aspersz. (Jan) 65 

Jeannin 10 

Jelgersma (Taco) 244 

Jochemsdr. (Mariteen) 16 

Johan graaf van Nassau 10 

Johan Casimir, Paltsgraaf 28—, 

Johan Maurits, graaf van Nas- 
sau io, 11 

Jonge (Reinier de) 79 

Jonge (de) 162 

/onghe (P. de) 119 

/oostensz. (Havick) 65 

'oostensz. (Hendrick) 107 

oosten (Joost) 91 

ordaens (Jacob) 224 

] orisz. (David) 9 

orisz. (Augustyn) 5 

/ouderville (Isaac) 223 

unius (Franciscus) 21, 22, 24, 

26— ji 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



Junius (Hadrianus) 158 

Justinus 159 

Juvenalis 157, 159 

K 

Kalff (Dr. G.) 93 

Karel I, Koning van Engeland 

10, 251, 252 

Keerbergîus 102 

Kempis (Thomas à) 106 

Kessel (Dirck van) 108 

Ketelaer (François) 176 

Kethullus (Caroms'- 31 

Kethullus (Franciscus) 31 

Key Lieven de) 206 — 212, 215 

Keyser (Cornells de) 213 

Keyser (Hendrick de) 36 — 40, 

210, 212 — 218 

Keyser (Maria de) 215 

Keyser (Pieter dej) 38 — 40 

Keyser (Thomas de) 40, 213 

Kies (Pieter) 60 

Kinschot (Anthonie van) 176, 

194, 195 

Kluyt 109 

Knibbius (Paulus) ..... 31 

Knotter (Adriaeo Jansz.) 107 

Knotter (Claes Jans*.) , 107 

Knotter (Jan Adriaensz.) ... 106, 107 

Knotter 47 

Koeckvan Aelst (Pieter) 205-207, 212 

Koning (Abraham de) 147 

Kramm 215, 238, 239 

Kronig 42 

Kocck van Aelst (Pieter) 205 — 

207, 212 

L. 

La Clavelière (de) 178 

Laeck (van der) 238 

Laen (Claes van der) 60 — 62 

Laet (Johan de) 113. 114 

Lafuclt (Theodore de; 99 

La Haye (Pierre de) 100 

Laken (Otto van der) 187, 194 

—196, 230, 234, 236, 237 

Lamberti (L 251 

Lamrechtsz. (Barent) 107 

La Meyn 13 

Langeroe (Adolf van) 57 

Lannoy (Josina van 164 

Lapidanus (Wilhelmus) 31 

La Porte [Cornells de) 194, 195, 230 

Lasenbe {Ritsard. 108 

Laurens (Daniel) 166 

Laurentius 213, 218 

Le Blon (Michiel) 251 

Le Clerc (Louys) 160 

Le Clerc (Robrecht) 160 

Leeghwater 116 

Leeuwen (Alewyn van) 105 

Leeuwen (Claes Philipsz. van) 113 

Leeuwen (Jacob van) m, 113 

Lefèvre (Julius) 92 

Leeuwen (Marytgen van) m, 113 



Leeuwen (Philips van) 113 

Leeuwesteyn (Gravin van) 7 

Lempereur (Anthoine) 160, 161, 

163, 164 

L'Empereur (Constantyn) 252 

Le Sage (Hendrik) ... 165, 168, 169 

Lesle JamesJ 173 

Le Tnuiüier ,. 166 

Lettré 239 

Leyden (Aertgen) 107 

Leyden (Lucas van) 107 

Leyster (Judith) 41 

L'Hermite (Anna) 138 

L'Homme (Jacques de) 186 

L'Homme (Samson de) 178 

Lieftinck (Johannes) 12 

Lievens (Jan/ 224 

Ligne (Kareî van) 72 

Linclaeo Wynant) 153, 162 

Lingelbach (Johannes 244 

Lippe gen Hoen (Dederich van 

der) 112 

Lippe gen. Hoen (Margarita 

van der) 112 

Lippe gen. Hoen (Veronica van 

der) 112, 152 

Lippe (Gravin van der) 202 

Lips (Maria) 102 

Lipsius (Justus) 22, 47, 93, 99, 

101— 105, 157, 158 

Livius 158 

Lodesteyn n 

Londersloot (Johannes) 167 

Loo (van) 48 

Loockeren (van) 14 

Looten (Jan. 92 

L'Orme (Philibert de) 217 

Losser (Daniël) 194, 240 

Lotichius (Petrus) 28, 31 

Louise HenrietlCj Keurvorstin 

%*an Brandenburg 198 

Louwerus (Daniël) 166 

Luchtenburgh 14 

Lucretius 159 

Ludiek 242 

Lumey 50 — 52 

Lus (Simon) 163 

Luther 106 

Luytrée 239 

M. 

Maertensdr. (Catryn) 65 

Maertsz. (Cornelis) 50 

Mahieu (GerardusJ 162 

Mahieu (Tan Niclaesz.«) ... 162, 163 

Mahieu (Niclaes) 162 

Mahn (Jacques) 162 

Maiardus (Joannes) 31 

Maiardus (Lucas) 31, 33 

Maillet (Pierre) 160 

Malapert (Louis) 152 

Malapert (Nicolaas) 151, 152, 

162, 163 

Malo (Vincent) 223 

Man (Agathe de) 163 

Man (Johan de) 238 



Man (Roelof de) 12 

Mander (Karel van) 5, 106, 109, 
'SSï 2 °St 3 °° 208, 210, 211, 213 

Manderscheyt (Juffr.) 7 

Mansieia ^uraaf van)... 10, 179, 183 

Mansi 67 

Mansouw 17c, 

Mantuanus 158 

Marcus Claes) 122, 132 

Maria Stuart, Prinses van Oran- 
je 198 

Marnix (Jacob van) 122, 152 

Marnix {Philips van) 32, 60, 112 

Martialis 159 

Martsz. de Jonge (Jan) 223 

Mason (Nicolaas; 167 

Matenesse (Johan van) 113 

Matham (Theodoor) 251 

Matheu (Cornelis) 236 — 240 

Matheu (Pieter 4 ) 238 

Matthysz. (Jan) 99 

Maurer (Jacob) 246—248 

Maurits, Landgraaf van Hessen 

7, 14 
Maurits, Prins van Oranje 8, 
14, 16, 115, 1 17—122, 128, 132 
.,"" I 37i '39* Mi— 143> 203, 204, 251 

Maurois (Thomas) 251 

Maximiliaan I, Keizer 79, 121, 139 

Muer (Petrus van der) 9 

Meerman (Herman^ 251 

Meermans (Jan Jansz.) ... 128, 130 

Meerman (Maria) ... 252 

Meerman (Paulus ..„ 252 

Meermans (Pieter Jansz.) 122, 
r2 3> i25> 126, 128, 129, 131, 

Meermans (Pieter Jansz.) Jr.... 128 

Meesz. (Claes) 49, 5o 

Melanehthon 106 

Melissus (Paulus)... 25, 27—30, 32 

Mendoza 1 e J 

Merkman (Pieter) 243! 244 

Merode (Anna vani) 112 

Meruia (Paulus) i I2 

Metser (Pieter de) 129 

Meulen (Andries van der) 150 

™ 1 /a r" ! 55> 161, 163 

Meulen (Anna van der) 164 

Meulen (Catharina van der)... 153 
Meulen (Claes Pietersz. van 

der) g« 

Meulen (Cornelia van der) 153, 156 
Meulen (Daniël van der) 47, 

112, 149—164 
Meulen (Daniël van der) Jr. 

153, 156 
Meulen (Emilia van der) 150, 

153, 156 

Meulen {Hans van der) 161 

Meulen f Hansken van der) 153, 156 

Meulen (Hester van der)... 153, 156 

Meulen (Jan van der) 149 

Meulen (Laurens van der) 88 

Meulen (Lucretia van der) 153, 156 

Meulen (Paul André van der)... 176 

Meulen (Susanna van der) 153 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



Mcurskens (Goswinus*; 7, 14 

Meycr 162 

Meyerus (Jacobus) 30 

Meyr (Pieter Jansz.) 9 

Michelangelo 38 215 

Miereveit (Aechgen van) o 

Miereveit (Commertgen van 2 

—4, 6, 7, 9, 15 
Micrevelt (Geertruyd van) 2 — 4, 

6, 15, 16 

Miereveit (Tan Jansz. van) 6 

Miereveit U an Michielsz. van) 

i-3> 5* ° 

Micrevelt (Maertgen van) 6 

Miereveit (Maria van) 2 — 4, 6, 15 
Miereveit (Michiel Jansz. van) 

1— 17, 144, 250 

Miereveit (Pieter van) 1,6, 7 

Mieris (Frans van) 247 

Mierop 95 

Minderscha 223 

Miracus (Aubertus) 102 

Modius 25 

Moelen (Cornelis van de) ... 63, 64 

Molcnaer (Jan Micnse) 41, 42 

Molenvliet (Willem Jansz.) .... 73 
Molhuysen (Dr. P. C.) 110, 150, 156 

Mompellian (Armelina de) 235 

Momper (de) 5» 6 

Montai (Graaf van) 172, 173 

Montens (Antonia) 164 

Montens (Govaert) 163 

Montfoort (Pieter van) 2, 10 

Montigny 5 1 * 57 

Morcelse (Paulus) 1, 250 

Morieux (Aron) 167 

Mortier (Jean de) 146 

Moucheron (Frederik de) 162, 

242, 244 

Moy (Nicolacs) 169 

Moyacrt (Catharina) 242 

Moyaert (Jan) 223 

Muelen (Jan van der) 229 

Mulder (Adolf) 2^)3 

Munter (Johan) 17 6 

Musculus i°6 

Mussen (Christiacn) 164 

Muysenhol (Abigacl) 139 

N. 

Nagler 245 

Nassau (Anna van) I79> li ß 

Nausea (Fr.) 106 

Nctscher (Caspar) 247 

Neyen (Jan) 9 

Nisard I02 

Noblcth (Pieter» 169 

Noirot (Jacob) 252 

Nollcns (Jasper) 162 

Noorden (van 1 4** 

Noordvck (Joost) 242, 243 

Noot (Casper van der) 57 

Noot (Mevr. van der. 14 

Noren (Thonis) ^3° 

Norton (H. Anson) 250 

Novelles 5 1 — 55> 57 

Nys (Catharina de N 251, 252 



O. 

Ockensc (Elbertj 83 

Ogle ia 

OÏdenbarnevelt (Johan van) 11, 142 

Olearius (Johannes, 31 

OH (Jan Volckcrtsz.) 221 

Olivarius 24 

Olthuysen (Jacob, 12 

Oudewater (Jacob Pictersz.) ... 11 1 

Oostrum (Jan van 238 

Oostrum (Pieter van) 194 

Opsopacus (Johannes.'. 28, 29 

Orbaan (Dr. J. A. F.) 23 

Orlers 51, 55, 107, 108, 112 

Ortelius (Abraham; 158, 159 

Os (David van) 74 

Os (Dirck van] 74 

Osmael (van) 139 

Ostade (Adriaen van) 223, 247 

Otho (Johannes) 24, 31, 32 

Otten (Matthias 16 

Oud-Broeckhuyscn 13 

Ovens (Jurriacn) 222 

O vervoorde (Mr. J. C.) 150, 

156, 209, 210 

Oxenstierna 10 

Oxford (Graaf van) 7, 10 

p. 

Padé 229 

Palladio 38, 212. 

Pandelaert (Anna) 138 

Pandelaert (Gillis) 138 — 140 

Pandelaert (Johan) 139 

Paracelsus 24 

Parensi (Jeromino) 67 

Partzer (Ferdinandus; 167 

Pas (Crispyn de) 16 

Pausanias 157 

Pauw 7 

Pels (Andries 251 

Pelt 79 

Perez (Louis) 100, 160 

Perer (Martin 100, 160 

Persius '. 157 

Pcrugino (Augustino) 165 

Peters (C. H.: 213 

Petit (Adrianus) 166 

Petitpas (Daniël 142 

Petitpas (Maria) 141 — 144 

Pcze (Simori: 172—175 

Phaedrus 158 

Phalaris 158 

Philips, Graaf van Nassau 9 

Philipsdr. (Anna) 113 

Picrcns (Franchoys i6d, 161, 163 

Pierson 12 

Pictersz. (Adriaen) 56, 57 

Pictersz. (Brant* 122 

Pictersz. (Claes) 211 

Pictersz. (Cornelis) 109, 169 

Pictersz. (Corstiaen) 130 

Pietersz. (Hcndrickï... 122, 129, 131 

Pictersz. (Huych) 95 

Pictersz. (Jan) 56, 109, 128 



Pietersdr. (Steyntgen) 2, 6 

Pietersdr. (Tryntgen) 6 

Pietersz. (Witte) 56, 57 

Pigot (Felix) 166 

Pindarus 159 

Plancius (Petrus) 110 

Plantyn 46, 47* 93- 99— ">!, 151, 

155, 156, 160, 161 

Plato 159 

Plato (François Philippe) 173 

Plautus 159 

Pleyte 48, 57, 65, 100, 107, 161 

Ploos van Amstel (Cornell s) 

245, 248 

Plucque (Simon) 10 

Polanen (Jan va») 116 

Pol lade (Nicoiao) 167 

Polyander à Kerckhoven (Jo- 
hannes) 2 5 x > 252 

Polydorus Virgilius 159 

Pomponius Mela 157 

Pontanus 36—38 

Porret (Chrestien) ioo, 101 

Porret (Pierre) 47> 99 — 101 

Portengen 238 

Poster (Robert) 166 

Posthius (Johannes) ... 25, 28, 29 

Potelits (van*) 179, 184 

Potter (Paulus) 18—90. 247 

Poucet (Jean Denis) 166 

Pourbus 9, 16 

Preisius (Petrus) 31, 32 

Primaticcio 217 

Prins (Balthasar de) 237 

Propertius 159 

Provost (Guilliam) 163 

Ptolomeus 157 

Putman 9 

Pynas (Jan) 242 

Pyll (Egbert van der) 166 

Pynsz. (Jacob) 79 



Quast (Pieter) 92, 223, 23Q 

Quell inus (Artus) 40 

Quintilianus 158 



Raedt (Elias de) 114 

Rafaël 217 

Rammeseyn (Pieter) 16 

Ramot '. 228 

Ramsaeus (Jacobus) in 

Ramus 158 

Ras (Leonard) 88 

Ravius (Johannes. 158 

Reenen {Huybert van) 96 

Reiffenberg 26 

Rembrandt 68, 144, 212, 219— 

224, 247 

Renesse (C. J. van) 170 

Rennenberg 24 

Rcvcrsz. (Frans) 55 

Reyersdr. (Lysbeth) 107 

Reynst (Gerrit) 251 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



vu 



Rhede (Gerard vaa) 84 

Rhyn (Joost Jansz. van) 109 

Rhyn (Marytgen Jansdr. vaa}... 109 
Rhyn (Nelletgen Pietersdr. van) 109 
Rhyn (Pieternelleken Jansdr. 

van) 109 

Rhodius (Jonas) 24, 32, 33 

Richardot 10, 151 

Richius (Matthaeusj 31 

Riemer (Jacob de) 70 

Riemsdijk (Jhr. B. W. F. van) 250 
Riemsdijk (Jhr. Mr. Th. van)... 43 

Ries (Hans de) 9 

Rivière (Jeanne) 99 

Robertsz. (Robert) 9 

Roever (Mr. N. de) ... 35, 213, 217 

Rogge (Dr. H. C.) 141 

Rol (Jan Simonsz.) 52 

Rol (Willem Simonsz.) 52 

Romano (Giulio) 217 

Rombouts (Jan) 135 

Rooses (Max) 99, 100, 155, 156, 

160, 161 

Rosaeus 142, 143 

Rosenboom (Frederik) 176, 235 

Rubens (Peter Paulus) 4 

Ruibyns (Adrian Fransz.) 135 

Ruisdael (Jacob van) 247 

Ruys 13 

Ruyven (Jan Harmensz. van)... 4 

Ruyven (Nicolaes vaa) 78 

Ryck (Jannetje de) 144 

Ryckhals 223 

Ryxsz. (Cornelis Joan) 224 

Ryn (Cornelia van) 145 — 148 

s. 

Sabellicus (Antonius) 106 

Sadelaer (Tosina de) 46 

Saftleven (Cornelis) 180 

Saftleven (Herman) 239 

Salanger 8 

Salustius 158 

Salvanie (Andries) 169 

Sandrart (Joachim von) 1 

Sandrius (Lcvinus) 31 

Santen (Heyman Dircksz. van) 44 

Sasbout (Aaam) 106 

Savary 169 

Savery (Roeland) 180, 223 

Scaliger (Josephus Justus) 28 — 

30, »57, 158 

Schade (Otto) 109 

Schaeck (Gerrit Heynncksz.) 

5°> 57 

Schagen (Jan van) 56 

Schelte (Dirk) 67 

Schelte (Hendrik) 67 

Scheltema (Dr. P.) 239 

Scheltis (Jan) 80 

Scheppestede (Jacques van) ... 162 

Schevichaven (van) 43 

Schilperoort 12, 17 

Schiltvinc 8, 12 

Schinckel 13 

Schloss (Adolphe) 91 



Schon en veld (A.) 247 

Schoonderhage (Bastiaen van) 166 

Schoonrewoerde (Jan van) 57 

Schotel ui, 113 

Schouten (Frans Jansz.) 112 

Schuer (Gerrit van der) 80 

Schuermans (Abraham) ... 113, 114 

Schuurman (Hendrik) 78, 81 

Schuyl (Willem) 163 

Scorissius (Ludovicus) 30 

Scorissius (Margaretha) 30 

Scoutet (Maria) 30 

Scriverius (Petrus) 14, 105 

Seghers (Daniël) 197 

Seneca 38, 158 

Serlio (Sebastiano) 205 — 207, 

210, 216 

Servius 157 

Sevenberg (Anna van) ../. 103 

Sidonius Apollinaris 158 

Silvius 100 

Sinders (Johanna) 114 

Sleydanus 158 

Slicher (Anthonis) 176 

Slootvaert (Isacq) 242 

Slot (Gerrit Cornelisz.) 53 

Sluysken (Frederik) 176 

Smelsingh 7, 10 

Smet (Jodocus de) 30 

Smet (Petrus de) 29 

Smetius (Henricus) 21 — 34 

Smetius (Johanna) 24, 30 

Smetius (Robertus) 30 

Soeters (Saertgen) 8 

Solms (Louise Christina, Gravin* 

van) 178, 186 — 194, 230 

Solms (Odilia van) * 116 

Solms (Graaf van) 139 

Solms (Gravin van) 10, 139 

Sophocles . 158 

Sorgen (Nicolaes) van) 143 

Sparreboom (Cornelis Jansz.) 

84, 87, 89 

Specx (Jacques) 221 

Spoors (Jacob) 14 

Staets 35, 36, 213 — 215, 218 

Stalpaert 223 

Stangerus 9, 13 

Stargardt ' 23 

Steelandt (P. van) 166 

Steelant 8 

Steelsius (Johannes) 30 

Steen (Dirck Dircksz.) 65 

Steen (Jan) 247 

Steen (Jan Dircksz.) 65 

Steenhuysen (Boudewyn van)... 238 

Steenwyck (Hendrick van) 223 

Stephanus (Henricus) 157 

Stichter (Adriaen) 240 

Stierman (Gillis) 128 

Stilman (Guillaume) 57 — 60 

Stock (Andries) 16 

Stockmans (Magdalena) 251 

Stoffelsdr. (Claesgen) 59 

Strazele (François van) 114 

Stuiver (Gerrit) 60 

Sturckenburgh 224 



Suetonius 157 

Suyderhoef (Jonas) 251 

Suythof (Bartholomeus) 148 

Suythof (Cornelis) 145 — 148 

Suythof (Hendrick) 145, 147 

Suythof /Maria) 146, 148 

Suythof (Rembrandt) 145—147 

Swalme (Jacob van der) 221 

Swanenburch (Isaac Claesz. 

van) 210, 211 

Swanenburch (V.) 224 

Sweertius 26 

Swelingk (Pieter Jansz.) 92 

Sylburg (Fr.) 25, 27 

Symonsz. (Claes) 66 

T. 

Tacitus 157 

Taffyn (Adriaen) 146 

Taffyn (Joannes) 146 

Taimondus (Cornelius) 31 

Taling (Adriaen Jansz.) 105 

Tarentinus 157 

Tayardus 31, 33 

Tempel (Olivier van den)... 108, 161 

Terbeeck van Coesfelt 168 

Terentius 158 

Tetterode (Willem Daniëlsz. 

van) 215 

Teylingen (Aegidia van) 80 

Teylingen (Catharina van) 84, 85 

Teylingen (Floris van) 85, 88 

Teylingen (Jan van) 52, 53 

Teylingen (Pieter Jacobsz. van) 72 

Theusz. (Matthys) 64 

Thibaut 16 

Thomasz. (Adriaen) 128, 13-) 

Thoorwyck (Cornelis Pietersz. 

van) 68 

Thucidydes 157 

Tibullus 159 

Tiele 100 

Tiralago (Santo) 165, 166 

Titelmannus 106 

Titiaan 5, 19 

Tonisdr. (Marytgen) 96 

Tou (C.) 252 

Trelcatius (Lucas) 11 1 

Trello (Karel van) 49 

Tromp (Maerten Harpertsz.) ... 12 

Tserclaes (Charles) 109 

Tserclaes (Floris) 109 

Tserclaes (Wenceslaus) 109 

Tuningius ,28 

Turenne 21, 26 

Tusanus 157 

Tybaut (Willem) 79 

Tyssen (Lysken) 63 

Tijtgaat (Pieter) 244 

u. 

Uffelen (Hendrik van) 149 

Ulenborch (Hiske van) 221 

Ulenborch (Idsert van) 221 

Ulenborch (Saskia van) ... 219, 220 



VIII 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1908. 



Ulenborch (Titia van) 221 

Utenhove (Antonius) 37, 31 

Utenhove (Carolfus) 27, 31 

Utenhove (Jacobus) 27, 31 

Utenhove (Johannes) 27. 31 

Utenhove (Nicolausj 27, 31 

V. 

Valaer (Clara de) 222 

Valaer (Tobias Michielsz. van; 222 

Valentius 8 

Valerius Flaccus 159 

Valerius Maximus 158 

Valckenburg (van) 77 

Val lens is (Jacob) 176 

Vasari 208 

Vaudemont (Prins van) 172 

Vechtanius 31 

Veecken (Hans van der) 162 

Vclaer (Jacques de) 162, 163 

Velazquez 19 

Velde (Esaias van de) 223, 224, 243 

Velde (Willem van de) 224 

Veilejus Paterculus 158 

Ven (J. van der) 252 

Venne (Adriaen van de) 16 

Verbeeck (Pieter) 197, 198 

Verburcht (Pieter; 138 

Verdam 154 

Verhagius (Jacobus) 31 — 33 

Verhagius (Michael) 31— 33 

Verhulst (Marijke) 206 

Veris (Carel Bartelsz.. 92 

Verruyt (C.) 252 

Verstraet (Nicolaes Jansz.) 106 

Vertangen (Daniël; 223 

Vervelst (Cornelis) 187 

Vesanevelt (J van) 68 

Vienne (Louis de) 100 

Viguer {Nicolaes 162 

Villemars (Lourens) 174 

Villeroy (de) 172 

Villers (Mevr.) n 

Vinne (Vincent van der) 244 

Virgilius 1 57^ '5 8 

Visschcr (Cornelis, 19 

Visser 8 

Vitruvius (Pollius) 205 

Vivien (Eleonora de) 205 

Vivien (Jan) 163, 164 

Vlieger (Simon de) 224 

Vlierden (Susanna van) 73 

Vliet (Fabiaenken van) 110 



Vliet (Hendrick van) 2 

Vliet Jan van; 60, 62 

Voix (Theodatus de; 165, 168 

Volaterranus 106 

Volbergen 13 

Vollenhoven (J. van) 23 

Vondel (Joost van den) ... 218, 251 

Voorde (Cornelis van der; 222 

Voort (Isaac van der) 251 

Vorst (Juffr. van der 13 

Vorsten (Laurens Jorisz.) 131 

Vorstius (Everardus) 98 

Vorstius (Nicolaus) 57 

Vossius (Ge rar du s Johannes) ... 21 

Vrancken 8 

Vredenbergh 223 

Vries (A. D. dei Az 145 

Vries (Hans Vredeman de; 209, 

212, 215 

Vries (Joan de 252 

Vulcanius (Bonaventura 21 — 34, 112 

Vulcanius '.Petrus, 26, 32 

w. 

Waelbergen (Jacques' 58 

Wagenaar (Janj 35, 55, 6d, 61, 

105, 108, 151 

Walderius (Franchois) 163 

Walingius 235 

Walops (Janneken; 163 

Warnaertsz. (J.) 251 

Washuizen (Abraham) 89 

Weihius (Eberhardus, 31 

Weissman (A. W.) 75, 89 

Werf f (Adriaen Pietersz. van 

der 50 

Werf f (Adriaan van der) 247 

Wermbouts (Pieter 53 

Wesenbecius 31 

Westfrisius 215 

Westphalen (Adriaen; 79, 81 

Wever (Diederich; 162 

Wicquefort (Joachim de 8, 251 

Widener 42 

Wiericx 5 

Wildert (Bayken van- 213 

Wiliant (Joseph; 167 

Wilhem (de» 13 

Willacrts (A. 223, 241 

Willem I, Prins van Oranje, 

9, 11, 16, 44, 47 > 49—53» 60, 

109, 116, 214 



Willem II, Prins van Oranje 12 

14, 198 
Willem III, Prins van Oranje 

171— 176 
Willem IV, Prins van Oranje 117 
Willem Lode wijk, Graaf van 

Nassau 9, 12, 16 

Willemsdr. (Aeltgen) 238 

Willemsz. Jan) 95 

Willemsz. (Pieter) 207, 222 

Willemyn (Jean) 160 

Willigen (van der) 73, 76 

Wissel (Jan van) 251 

Wit (J- de) 84 

Witte (Beerafc; 53 

Witte (Catelyna de) 154 

Witte (Niclaes de' 154 

Wittendel (Jan van) 72 

Wolff (Adrianus; 74 

Wolphius 157 

Worp (Dr. J. A.) 2 

Wou (Willem Jacobsz. van) 11 

Woude (van der) 81 

Woudenbergh (Abraham van' 

146, 148 

Woutersz. (Govert) 52 

Wouw (van: I43t 144 

Wouwerman (Philips) 239, 247 

Wttenbogaert (Johannes' 9, 110, 

141— 144 

Wttenbroeck 2 

Wttewael (Joachim) 212 

Woe it (Salomon Lenaertsz. van 

der 101, 104 

Wuest (Johann Heinrich) 245—249 

Wurzbach (van) 238 — 240, 250 

Wytmans (Claes Jansz.) 133 



Y. 

Yswoutsdr. (Maria). 

z. 



105 



Zegers (Anneken) 164 

Zegers (Jan, 163 

Zegers (Johanna Elisabeth) 149, 163 

Ziegler 247 

Zisendrius (Bonaventura) 33 

Zon (Johan) 165, 160 

Zuttere (Niclaes de 163 

Zuylen (Elisabeth van) 93, 94, 

97i 98 

Zwier (Peter*, 62